Jacques Baartmans, Alexander Philip van der Capellen (1745-1787). De tragische lotgevallen van een dienaar van prins Willem V (Hilversum: Verloren, 2015, 222 pp., ISBN 978 90 8704 506 7).

Als broer van de bekende patriot Joan Derk, had Alexander Philip van der Capellen geen gemakkelijk bestaan in de hofhouding van Willem V. De kamerheer zag zich uiteindelijk gedwongen ontslag te nemen. In 1787 kreeg Van der Capellen de opdracht de vesting Gorcum te verdedigen tegen Pruisische legers. Na de overgave van de stad volgde een krijgsgevangenschap in Wezel, dat door de auteur als ‘de hel’ wordt omschreven. Kort daarop overleed Van der Capellen.

Martijn van den Bel, Lodewijk Hulsman, Lodewijk Wagenaar (eds.), The Voyages of Adriaan van Berkel to Guiana: Amerindian-Dutch Relationships in 17th-Century Guyana (Leiden: Sidestone Press, 2014, 280 pp., ISBN 978 90 8890 263 5).

In 1695 werden de Amerikaansche Voyagien – een reisverslag en beschrijving van Berbice en Suriname – van Adriaan van Berkel voor het eerst gepubliceerd. Nu volgt een moderne editie (in het Nederlands en Engels) waarin wordt benadrukt dat Van Berkel zich tijdens het schrijven liet inspireren door eerder gepubliceerde teksten. Aan de editie gaat een grondige inleiding vooraf waarin aandacht is voor deze vorm van ‘intertekstualiteit’ en de rol van krantennieuws in de tweede helft van de zeventiende eeuw.

Nikolaj Bijleveld e.a. (eds.), Virtus: Journal of Nobility Studies 21 (Hilversum: Verloren, 2015, 254 pp., ISBN 978 90 8704 520 3).

Het jaarboek van 2014 bestaat uit vier delen. Het omvangrijkste eerste deel bevat onderzoeksartikelen over architectuur van middeleeuwse Ierse kastelen (Tadhg O’Keefe), de netwerken van Johan van Reede van Renswoude (Ferry Gouwens), adellijke officieren in Overijssel en Münsterland in de late zeventiende en achttiende eeuw (Gerd Dethlefs), adellijke buitenplaatsen als ‘protomuseum’ (Hanneke Ronnes en Bob van Toor), adellijke burgemeesters in Utrecht in de negentiende eeuw (Fred Vogelzang) en adellijke statussymbolen in de vroege eenentwintigste eeuw (Simon Unger en Jaap Dronkers). Het tweede deel, ‘Object in context’, biedt een cultuurhistorische analyse van Sanne Frequin over middeleeuwse graftombes. Deel drie is een serie ‘korte bijdragen’ met daarin essays over het graf van Willem II, de adellijke autobiografie en het moderne adelsrecht alsmede een aantal recensies van recente publicaties. Het beknopte vierde deel bevat een interview met de Leidse hoogleraar en specialist van vroegmoderne hoven Jeroen Duindam.

Jelle J. Bosma e.a., Doopsgezinde bijdragen 41. Themanummer Doopsgezinden tijdens de Tweede Wereldoorlog (Hilversum: Verloren, 2015, 416 pp., ISBN 978 90 8704 526 5).

Dit themanummer over de Tweede Wereldoorlog bevat elf artikelen over uiteenlopende thema’s (van het oorlogspreken, het doopsgezind seminarium, tot doopsgezinden bij de nsb) en zes korte biografieën. Het nummer wordt afgesloten met een fotokatern en een lijst van doopsgezinden die erkenning ontvingen van Yad Vashem.

Vittorio Busato, Mineke van Essen, Willem Koops (eds.), Vier grondleggers van de pedagogiek. Ph.A. Kohnstamm, M.J. Langeveld, H.W.F. Stellwag, S. Strasser (Pioniers van de Nederlandse gedragswetenschappen 3; Amsterdam: Prometheus, Bert Bakker, 2015, 319 pp., ISBN 978 90 351 4046 2).

Het derde deel van de serie Pioniers van de Nederlandse gedragswetenschappen bevat biografieën van Ph.A. Kohnstamm, M.J. Langeveld, H.W.F. Stellwag en S. Strasser. De uitvoerige portretten worden aangevuld met een (beknopte) bibliografie van de betreffende ‘grondlegger’. Daaraan vooraf gaat een inleiding met de retorische vraag ‘Moeten wij onze voorgangers kennen?’

Sophie De Schaepdrijver, Bolwerk Brugge. Bezette stad in 14-18 (Veurne: Hannibal, 2014, 213 pp., ISBN 978 94 9208 104 9).

Brugge lag tijdens de ’Grote Oorlog’ (1914-1918) weliswaar niet in de frontlinie, maar ondervond als Duitse militaire basis wel de impact van de strijd. Deze uitvoerig geïllustreerde studie beschrijft de stad in de bezettingsjaren en besteedt veel aandacht aan de wisselwerking tussen militairen en lokale bevolking. Sophie De Schaepdrijver maakt zo duidelijk dat de Bruggelingen niet alleen maar passieve slachtoffers waren van de oorlog, maar haar karakter en erfenis ook zelf mede bepaalden.

Siem van Eeten, Andries van Pallandt van Eerde. Belevenissen van een 19e-eeuwse klokkenluider (Zutphen: Walburg Pers, 2015, 175 pp., ISBN 978 90 5730 566 5).

Andries van Pallandt van Eerde (1781-1827) vertrok in 1802 naar Kaap de Goede Hoop om aldaar het gouvernement van de kolonie te dienen. Het werd een verblijf met wisselende ervaringen en een snel ontslag. Op de terugreis werd Van Pallandts schip gekaapt en belandde de edelman op Guernsey. Het ‘dagboek’ dat hij over deze jaren optekende alsmede zijn ‘Remarques générales sur le Cap de Bonne Esperance’ vormen de basis van de onderliggende studie. Na een korte inleiding volgen hertalingen van delen van Van Pallandts schrijfsels.

Barend Haeseker, Artsengeneraties en doktersgenen. Twee eeuwen geneeskundigen in de familie (Rotterdam: Erasmus Publisher, 2014, 320 pp., ISBN 978 90 5235 221 3).

Deze studie bevat 25 biografieën – van uiteenlopende lengte – van leden van drie Nederlandse artsenfamilies in de negentiende en twintigste eeuw: Teljer, Nout en Haeseker. Met behulp van interviews, familiearchieven en fotocollecties brengt de auteur de opleidingen en carrières van diverse telgen in kaart. Hij vraagt zich daarbij af of ‘doktorsgenen’ verantwoordelijk waren voor de ontwikkeling van deze medische dynastieën.

Klaas de Jong, Pieter Rixtel (1643-1673). Een dichter zonder rust (Haerlem Reeks 17; Hilversum: Verloren, 2015, 120 pp., ISBN 978 90 8704 534 1).

Over de Haarlemse doopsgezinde dichter-rederijker Pieter Rixtel is relatief weinig geschreven. Als leerling van Franciscus van den Enden aan de Amsterdamse Latijnse school kwam hij al vroeg in een belangwekkend intellectueel milieu terecht. Rixtels Mengel-rymen (1669) tonen een zeker maatschappelijk engagement. Deze en andere teksten worden door Klaas de Jong literair geanalyseerd en historisch gecontextualiseerd. Ook het nachleben van de dichter krijgt aandacht.

Matthias van Rossum, Kleurrijke tragiek. De geschiedenis van slavernij in Azië onder de voc (Hilversum: Verloren, 2015, 88 pp., ISBN 978 90 8704 517 3).

Slavernij onder de voc heeft nooit dezelfde mate van aandacht gekregen als die van haar West-Indische evenknie. Dit deel van de Zeven Provinciën reeks brengt de verschillende vormen van onvrije arbeid bij de voc in kaart en maakt een vergelijking met de Atlantische slavernij en slavenhandel. In omvang was de slavenbevolking in voc gebieden groter dan die in de West, maar ze was ook zeer divers in karakter. Het onderzoek waarop deze studie is gebaseerd volgt deels uit het dissertatieproject van de auteur.

Jan Peter Schouten, ‘Hij preekte, hij leerde altoos...’. Predikantenportretten uit vijf eeuwen (Hilversum: Verloren, 2015, 280 pp., ISBN 978 90 8704 511 1).

Deze serie van elf biografieën van protestantse dominees bestrijkt de zestiende tot en met de twintigste eeuw. Opvallend genoeg zijn alle beschreven heren afkomstig uit het voorgeslacht van de auteur. Ondanks deze overeenkomst toont het boek de diversiteit van het predikantenberoep, de regionale verschillen en de ontwikkelingen in ambtsopvatting door de eeuwen heen. De portretten zijn levendig geschreven en rijk geïllustreerd. Iedere eeuw is voorzien van een korte historische beschrijving.

Pascal Verbeken, Duistere wegen. Reis van Vincent van Gogh in de Borinage (Amsterdam, Antwerpen: De Bezige Bij, 2015, 189 pp., ISBN 978 90 854 2646 2).

Deze journalistiek geschreven studie behandelt het verblijf van Vincent van Gogh in de Belgische mijnregio de Borinage (1878-1880). Van Gogh werkte er als protestants evangelist en maakte er ook verschillende tekeningen die in het boek zijn opgenomen. De jaren in de Borinage bleken een vormende ervaring. Verbeken gebruikt Van Goghs brieven daarnaast voor een levendige schets van de mijnbouwstreek en zijn bevolking in de late negentiende eeuw.