Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 keken diverse oud-communisten terug op hun partijverleden. Ook is er sindsdien gepubliceerd over de vraag waarom jongeren zich ooit hebben gewend tot het maoïsme. In ‘Een banier waar geen smet op rust’ is het de beurt aan de linkse stroming die als trotskisme bekend staat. De auteurs hebben zich eraan gewaagd om de organisaties te beschrijven die in de traditie staan van een communisme dat zich baseerde op het marxisme en de leninistische variant daarvan, maar zich distantieerde van de machthebbers in de Sovjet-Unie. Hun geestelijk leidsman was Trotski, een van de leiders van de Russische revolutie van 1917. Nadat Stalin de oude garde van 1917 aan de kant had geschoven, was er geen ruimte meer voor open debat en kritiek. Ook het idee dat de revolutie moest worden geëxporteerd naar andere landen verdween naar de achtergrond. Veel oude strijdmakkers van Stalin verloren hun leven in die strijd en dat lot was uiteindelijk ook Trotski beschoren. Maar eerst werd hij verbannen uit de Sovjet-Unie waarna hij in 1938 een internationale organisatie van geestverwanten stichtte, genaamd de Vierde Internationale. Deze Vierde Internationale staat in de traditie van eerdere Internationales. Die van Marx en Bakoenin die niet veel bereikte, de Tweede van de sociaaldemocratie die de strijd tegen het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verloor en tenslotte die van Lenin, Trotski en Stalin, welke ontaardde in een organisatie van dictatoriale bureaucraten. Vanuit deze analyse schrijft Trotski bij de oprichting van de Vierde dat de arbeiders ‘een banier waar geen smet op rust’ wordt aangereikt.

De diverse socialistische stromingen in Nederland stammen alle af van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) die in 1882 is opgericht en alle arbeiders wilde verenigen om een andere maatschappij te bevechten. In weerwil van het gemeenschappelijke doel heeft deze politieke stroming zich ontwikkeld tot een kluwen spaghetti. De stroming viel uiteen in aan elkaar verwante en in veel opzichten op elkaar gelijkende clubjes, ieder voor zich vechtend voor de beste plek op het bord van de revolutie. Fusies, splitsingen, haat en nijd waren de middelen waarvan men zich in die broedertwist bediende. Daarbij werden niet alleen de zusterorganisaties bestreden, maar die strijd greep ook diep in het leven van velen in. Dwars door vriendschappen en families liepen de scheidslijnen. Over het verloop van die strijd is al veel geschreven. Hoe de ene partij uit de andere voortkwam, een eigen plaats in het politieke landschap verkreeg en vaak een kwijnend bestaan leidde; die zaken zijn voor onderzoekers van de linkse politiek in Nederland genoegzaam bekend. Wat al die strijd, de beschuldigingen en verdachtmakingen maar ook het intern functioneren van de organisaties met individuen deden, dat is slechts bekend uit (auto)biografisch materiaal. Serieus onderzoek is er niet naar gedaan.

Blom en Van der Steen doen in hun studie een poging om meer te weten te komen over de interne partijcultuur door via close reading de vele egodocumenten, anekdotes en sfeerbeschrijvingen te analyseren. Daarnaast maken ze gebruik van divers archiefmateriaal, waaronder dat van de Binnenlandse Veiligheids Dienst. Op chronologische wijze komen in het boek de opvolgende trotskistische groepen aan bod die Nederland heeft gekend (met name de Groep van Bolsjewiki-Leninisten, Revolutionair Communistische Partij, Proletaries Links, Internationale Kommunistenbond, Socialistische Arbeiders Partij). Daarbij is niet heel veel plaats ingeruimd voor de beweging van de Internationale Socialisten (IS) die tegenwoordig het meest aan de weg timmert. Dit kan te maken hebben met het feit dat een van de auteurs behoort tot een andere stroming binnen het trotskisme dan de IS. Want ook het trotskisme heeft niet kunnen ontsnappen aan de richtingenstrijd binnen links, de ene trotskist is de andere niet. Het grote schisma dateert van 1951 toen de ene helft de Sovjet-Unie besloot te beschouwen als een staatskapitalistische maatschappij, terwijl de traditionele trotskisten spraken over een ‘gedegenereerde arbeidersstaat’. Voor mensen die buiten het trotskisme staan misschien een futiel verschil, voor de aanhangers van groot belang.

Het grootste probleem van alle trotskistische groepen in Nederland is geweest hun zeer geringe omvang die de tweehonderd leden nooit te boven ging. Dat is temeer frustrerend geweest omdat andere partijen links van de sociaaldemocratische hoofdstroom zoals de Communistische Partij Nederland (CPN) of de Socialistische Partij (SP) wel kans zagen vele duizenden mensen aan zich te binden. Volgens de auteurs is dit uit een drietal factoren te verklaren. Er was naast de al genoemde partijcultuur waar trouwens ook SP en CPN aan leden, sprake van een sektarisch radicalisme vermengd met een abstract theoretische aanpak. De twee laatste factoren belemmerden aansluiting bij grote bevolkingsgroepen.

Al was het trotskisme dan een nogal intellectualistische beweging, de leden waren zeer actief. Bij stakingen en andere maatschappelijke acties stonden ze vooraan. Ook traden ze als onderdeel van een internationale beweging op in solidariteit met buitenlandse bewegingen. Of het nu de Spaanse Burgeroorlog, de Algerijnse bevrijdingsstrijd of de oorlog in Vietnam was, trotskisten gaven hun steun.

Omdat de beweging ondanks de uitgebreide activiteiten van de leden zo klein bleef, koos men er uiteindelijk voor om niet meer te trachten een eigen partij op te richten. Trotskisten gingen ondergronds in de grote sociaaldemocratische partijen, de ‘intredetactiek’ deed haar intrede. Partij van de Arbeid (PvdA) en de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) waren hier niet enthousiast over en daarom begonnen de trotskisten weer voor zichzelf, maar met even weinig succes. Nog steeds kwam men de tweehonderd leden niet echt te boven. In de jaren zeventig zocht de dan heersende club, de Internationale Kommunisten Bond (IKB), contact met wat men de ‘brede voorhoede’ van het verzet noemde. Dat waren de vrouwenbeweging, de studentenbeweging, de anti kernenergiebeweging en vooral de beweging van dienstplichtige militairen. Die bewegingen waren soms massaal, de trotskisten zeer actief erin maar leden leverde dat nauwelijks op. Daarom werd een nieuw middel beproefd, de ‘proletarische oriëntering’ of anders gezegd, allen de fabriek in. Op het moment dat her en der industriële bedrijven de poort sloten, gingen trotskistische studenten daar juist werken om het contact met de arbeiders aan te halen. Dat dit op enkele individuele vakbondscarrières na geen groot succes werd, mag duidelijk zijn. Met de algehele neergang van ‘links’ verdween ook de hoofdstroom van het Nederlandse trotskisme, het restant is een netwerkclub op het wereldwijde web. Daarna wijden de auteurs nog iets meer dan tien bladzijden aan de overige trotskistische organisaties. En daarmee eindigt het chronologische verhaal van Blom en Van der Steen.

De auteurs hebben een bijna encyclopedisch overzicht geschreven van het trotskisme in Nederland. Voor iemand die al die bewegingen op afstand in real life heeft kunnen volgen, is het boek ook nog eens een feest der herkenning door de vele namen van bekenden die de revu passeren zoals die van Sal Santen en Theo van Tijn. Wat dit betreft had een register niet misstaan, wat in een boek van deze omvang eigenlijk sowieso niet mag ontbreken. Het boek is wel netjes verzorgd, al had een goede eindredacteur de leesbaarheid nog wel verder kunnen vergroten.

Na lezing blijft de vraag liggen of de schrijvers een antwoord hebben gegeven op de vraag waarom de beweging altijd zo klein is gebleven. De vele beschrijvingen en persoonlijke verhalen leveren helaas nauwelijks een antwoord op. Misschien zouden ze het antwoord kunnen zoeken in de basisvooronderstelling van alle leninistische stromingen, dat er een voorhoedepartij moet bestaan die namens de arbeidersklasse de strijd aanvoert. Maar die vraag is misschien een stap te veel voor de ene auteur die zelf trotskist is. Voor iedereen die wil weten hoe een splinterbeweging zich ondanks alle tegenslagen heeft gehandhaafd levert het boek niettemin aangename lectuur.