Twee leeuwen, één kruis. Onder deze wat enigmatische titel schreef Roberto Dagnino een weldoordacht boek over de ontwikkeling van de katholieke cultuur in Nederland en België na de onafhankelijkheid tot de eeuwwisseling. Meer in het bijzonder heeft hij het daarbij over de wederzijdse invloeden, processen van toe-eigening en onteigening, maar vooral over de afbakening van de culturele grenzen van het Nederlandstalige katholicisme en de spanningen die konden ontstaan tussen een katholieke identificatie en nationaal bewustzijn. Religieuze samenhorigheidsgevoelens werden in deze periode immers uitgedaagd door nieuwe idealen die werden gecultiveerd in Groot-Nederlandse, belgicistische en uiteindelijk ook Vlaams-nationalistische stromingen. Dagnino gaat in zijn boek na tot op welke hoogte Nederland binnen de ‘mentale ruimte’ van Vlaamse katholieken lag en, vice versa, in hoeverre Vlaanderen deel uitmaakte van de culturele horizon van de Nederlandse katholieken. Het werk past dus binnen een traditie van onderzoek naar de verhouding tussen religie en nationalisme, raakt aan Duitse studies over de negentiende eeuw als een tweede confessioneel tijdperk, maar Dagnino legt duidelijk zijn eigen klemtonen, vooral dan in zijn aandacht voor culturele actoren. Het boek wordt immers voornamelijk opgebouwd rond een aantal hoofdfiguren (onder andere Jozef Alberdingk Thijm, Jan Willem Brouwers en Willem J.F. Nuyens) en hun publicaties in tijdschriften van katholieke signatuur. Zelf- en heterobeelden worden gereconstrueerd op grond van betogen over letterkundige en (kunst)historische onderwerpen.

Zoals Dagnino ook aangeeft in het eerste van deze biografische hoofdstukken, houdt de focus op ‘Vlaanderen’ op zich al een verenging van de vergelijking in. Joachim Le Sage ten Broek, de eerste Nederlandse emancipator die aan bod komt, had het immers vooral over het jonge België dat als bolwerk van katholicisme aan de noordelijke katholieken tot voorbeeld moest worden voorgehouden. Voor hem was het godsdienstige element het belangrijkste punt van vergelijking en Vlaanderen kreeg geen bijzondere status toegemeten op basis van de gemeenschappelijke taal. Die taal staat wel centraal in heel wat andere hoofdstukken, vooral dan in het deel over de ‘spellingoorlog’ tussen de voorstanders van de commissie spelling (toenadering tot de officiële Nederlandse spelling) en de derochisten die de ‘Vlaamse’ spelling wilden behouden. Religieuze opvattingen kleurden ook hier het debat en naast ‘kanselwelsprekendheid’ die duidelijk leek te maken dat er zonder katholicisme geen heropleving van het Vlaams kon zijn, ging het onder meer over de vraag of Nederland als een volledig protestant land moest worden gezien en elke toenadering diende te worden vermeden. De tweede generatie particularisten, die in het volgende hoofdstuk aan bod komen, zagen de Vlaamse taal niet zozeer als een barrière tegen het noordelijke protestantisme, zij wilden vooral de erkenning van de eigenheid van de Vlaamse dialecten. Voor Guido Gezelle waren taal en religie dan weer wel onlosmakelijk met elkaar verbonden en was taal onderdeel van een bredere oorlog voor ‘vrijheid en religie’. (Hij pleitte voor de ontwikkeling van een soort Dietse koine om de hegemonie van het Hollands te voorkomen.) In het hoofdstuk over de Gilde van Sint-Thomas en Sint-Lucas verschuift de aandacht van taaldebatten naar de receptie van het verleden en wordt voornamelijk het enthousiasme voor de middeleeuwen gethematiseerd. De gilde richtte zich op de studie en promotie van de christelijke kunst en vooral dan de neogotiek. Aan hand van onder andere de excursieverslagen van deze vereniging geeft Dagnino aan hoe de organisatie aanvankelijk een grensoverschrijdend potentieel had, maar de aandachtspunten langzaamaan vernauwden (ook op te merken in de oprichting van gelijkaardige gilden in Nederland en Duitsland).

De evolutie die Dagnino schetst in de volgende hoofdstukken is er uiteindelijk één van ontnuchtering, van een toenemend besef van de onmogelijkheid voor de Nederlandstalige katholieken om tot een gemeenschappelijk cultureel kader te komen. J.A.M. Schaepman gebruikte voor deze groeiende kloof tussen de Nederlanden, voor de verschillen in zeden en politiek in België en Nederland, het beeld van de twee leeuwen dat uiteindelijk ook de titel van Dagnino’s werk werd. Een beetje jammer is dat Dagnino zijn keuze pas in het stuk over Schaepman en niet al vroeger en uitgebreider toelicht. De Belgische leeuw zag Schaepman als ‘un chien savant qui fait des tours et qui joue au domino. Il est même un peu dominé’, een brave loebas ‘sans queue et sans ongles’. De Nederlandse daarentegen was ‘un brave gaillard’ en hij hield van hem ‘malgré ses rhumatismes calvinistes’. Ook al sieren Schaepmans twee leeuwen de titel, Dagnino’s betoog is veel complexer en genuanceerder dan deze tweedeling. In die complexiteit zit de kracht, maar tegelijkertijd ook een wel een beetje de logheid van het werk. De onervaren lezer maakt niet alleen uitgebreid kennis met de hierboven vermelde hoofdfiguren (die we trouwens buiten hun eigen hoofdstuk ook in de andere delen als oude bekenden tegen het lijf lopen), maar tevens ook met talloze anderen met hun eigen subplot. Dit vertraagt en verwart wel wat, maar de korte samenvattingen aan het einde van sommige hoofdstukken geven houvast en helpen de lezer alles weer terug te koppelen aan de centrale vraagstelling zoals die in de inleiding werd geformuleerd (de slotbeschouwingen zijn eerder beperkt). Kortom, een mooi geschreven, goed gedocumenteerd boek vol verhalen over bewondering, ontnuchtering en beïnvloeding tussen twee buren – of leeuwen – onder één kruis.