Het is jammer dat Peter van Druenen bij het schrijven van zijn geschiedenis van Vlissingen geen gebruik heeft gemaakt van Michael Pye’s The Edge of the World uit 2014. De vroege geschiedenis van Vlissingen, hoewel niet gerelateerd aan noordelijke invallers, herinnert enigszins aan Pye’s beschrijving van door de Noormannen gestichte handelssteden: ‘Het was geen bijproduct van een gewijde plaats, en evenmin gebouwd als huisvesting voor een krijgsheer en zijn volk, maar een plaats die haar eigen doelen bepaalde en diende. Het was een geschikte uitvalsbasis voor handel en verschilde van het gebied eromheen’ (Nederlandse uitgave, Aan de rand van de wereld, 123). Vlissingen ontstond als vissersdorp, waarvan de bewoners, zoals Van Druenen duidelijk maakt, in het midden van de dertiende eeuw zelf het initiatief namen om ‘een kilometer naar het zuiden een nieuwe nederzetting en een nieuwe haven te bouwen’ (46). De nieuwe haven huisvestte de vissersvloot en het veer naar Vlaanderen. Voor de vissers was handel overigens een nevenactiviteit: zij verkochten hun vis, en ook zout, in Engeland en Antwerpen en namen soms wol mee als retourvracht uit Engeland. De werkelijke stichting van een stad (1315) kwam wel uit de koker van een landsheer, namelijk die van graaf Willem de Derde. Het strategisch gelegen Vlissingen werd door hem van een nieuwe haven voorzien, mede met de bedoeling om een commercieel centrum te laten ontstaan. De relatie tussen dit initiatief en dat van de Vlissingers zelf, blijft wat onhelder; het lijkt erop dat er eerst een primitieve haven werd aangelegd die vervolgens werkelijk kaden kreeg en omringd werd door een stedelijk stratenplan.

De link met Pye’s verhaal over het type Noord-Europese maritieme handelsstad is met name interessant door het bestaan van een soort tegenhanger in de onmiddellijke omgeving. Het op zeven kilometer afstand gelegen Middelburg was wél al vroeg een kerkelijk en bestuurlijk centrum en zou vanaf de late middeleeuwen voortdurend haar relatie met de machthebbers aanwenden om het concurrerende Vlissingen te hinderen, bijvoorbeeld bij het uitbreiden van de havens. In het boek is dit niet echt een rode draad, mede doordat Van Druenen de geschiedenis van Vlissingen voornamelijk chronologisch beschrijft. Ook omdat hij Vlissingen niet werkelijk vergelijkt met andere steden, zou een verwijzing naar de twee typen steden die Pye onderscheidt, vruchtbaar zijn geweest. In zijn nawoord verwijst Van Druenen wel naar de door Harry Jansen in zijn BMGN-artikel uit 1996 (‘De Nederlandse stadshistoriografie in internationaal perspectief. Een geschiedtheoretische analyse’) en later in 2003 (H.S.J. Jansen, J.Th. Leerssen, E.R.M. Taverne, Stadsruimte. Diversiteit en samenhang in de stedengeschiedenis van Nederland) genoemde ideaaltypische benadering, die de leidraad zou vormen voor een klein aantal stadsgeschiedenissen in Nederland. Van Druenen noemt deze stadsgeschiedenissen echter niet nader en ook een wat bredere beschouwing waarin zijn studie in deze reeks wordt geplaatst, ontbreekt.

Van Druenens min of meer integrale geschiedschrijving blijkt in elk geval goed gedragen te kunnen worden door een ideaaltypische benadering van stadsgeschiedenis. Vlissingen voldeed in de loop van haar geschiedenis aan het ideaaltype van de vissersstad (1134-1550), de kapersstad (1581-1706) en de arbeidersstad (1814-1864). Deze periodes werden gescheiden door transitieperiodes van 1550 tot 1581 en van 1706 tot 1814, terwijl de stad zich vanaf 1964 ontwikkelde tot de woon-, werk- en zorgstad van tegenwoordig die dus niet langer een ideaaltype vertegenwoordigt. De ideaaltypes en de overgangsperioden bepalen de hoofdstukkenindeling van het boek en dus de chronologische opbouw. Alle genoemde jaartallen zijn gerelateerd aan de aanleg van één of meer havens, die Vlissingen grotere kansen boden voor de op dat moment centrale activiteit: visserij, kaapvaart respectievelijk scheepsbouw.

Van Druenen, historicus met een ondernemersachtergrond, vraagt zich af hoe het kan dat Vlissingen altijd een eenzijdige economie en dito samenstelling van de beroepsbevolking heeft gehad – met uitzondering van misschien de achttiende eeuw en de laatste vijftig jaar – en waarom de stad nooit een echte expansie kende ondanks de gunstige geografische ligging. Voor het tijdvak voorafgaand aan 1550 wijst hij op de rol van concurrent Middelburg. De buurstad ‘met veel contacten bij de hogere, meestal keizerlijke overheden, slaagde [...] er keer op keer in om de uitbreidingen van Vlissingen tegen te gaan’ (189). Naderhand was het enthousiasme waarmee men zich in Vlissingen op de kaapvaart en de smokkel wierp mogelijk een remmende factor. De reputatie van Vlissingen moest het afleggen tegen die van Middelburg (369), dat haar functie als bestuursstad had behouden en ook haar ‘oude, vertrouwde contacten met leveranciers en afnemers in de verschillende buitenlanden’ (328) van vóór de Opstand. Ook Vlissingens status van pandstad onder Engels bewind (1585-1616) kan volgens Van Druenen ongunstig hebben uitgewerkt, terwijl voor haar reputatie in handelskringen ook haar sterke band met Oranje en de calvinistische inslag van de bevolking contraproductief moet zijn geweest (391). Optimistischer is Van Druenen over de periode sinds de realisering van het havencomplex Vlissingen-Oost in 1964. De arbeidersstad had toen eindelijk ‘het stadium van volwassenheid bereikt’ en ontkwam tenslotte aan de eeuwenlang als een schaduw over haar heen hangende eenzijdigheid (899).

In de overgang van het ene tijdperk naar het andere speelde migratie volgens de auteur een belangrijke rol. De bevolkingsverschuiving in de eerste decennia van de Tachtigjarige Oorlog markeerde de overgang van vissers- naar kapersstad. De uittocht van aan de handel en scheepvaart gerelateerde burgers na de annexatie door Frankrijk in 1807 en de komst van werklieden voor de marinewerf (eerst die onder Napoleon, later die van het Koninkrijk der Nederlanden) markeerde de overgang naar een arbeidersstad. De komst van de particuliere scheepswerf De Schelde in 1875, zeven jaar na de verplaatsing van de marinewerf naar elders, en de grote uitbreiding van die werf in de wederopbouwjaren vanaf 1944, versterkten alleen maar het karakter van Vlissingen als arbeidersstad. De later grotere differentiatie onder de beroepsbevolking verklaart Van Druenen uit ‘ontwikkelingen in de nationale en vooral internationale economie’ (1028).

De lijvige geschiedenis van Vlissingen – vijf pond zwaar – leest vlot en weet te boeien. De economische invalshoek overheerst wel, maar Van Druenen last allerlei onderwerpen, zoals cultuur, moeiteloos in zijn chronologische verhaal in. Over sociale spanningen lezen we echter weinig, terwijl Vlissingen toch een sterk arbeidersradicalisme kende zoals we weten uit de dissertatie van Bert Altena, Een broeinest der anarchie. Arbeiders, arbeidersbeweging en maatschappelijke ontwikkeling. Vlissingen 1875-1929 (Amsterdam 1989). Over de armenzorg lezen we helemaal niets, maar dat kan ook een bronnenprobleem zijn. Bij het bombardement door de Engelsen in 1809 ging heel het stadsarchief van Vlissingen verloren. Verder behandelt Van Druenen sommige onderwerpen meer dan eens op verschillende plaatsen in het boek en is sommige informatie überhaupt overbodig. Een voorbeeld van het eerste is de literator J.C. van Schagen, zowel genoemd in een paragraaf over cultuur in de negentiende als in één over cultuur in de twintigste eeuw (687, 767). Een voorbeeld van het tweede is een beschrijving van de afvaart van keizer Karel V uit Vlissingen in 1556 (292).

Enkele malen corrigeert de auteur de nationale geschiedschrijving. Hij vindt dat Vlissingen de eer toekomt de stad te zijn die op 6 april 1572 als eerste de Spaanse overheersing van zich afschudde – anders dan Den Briel waar het initiatief bij toevallig gelande Watergeuzen lag. Verder pleit Van Druenen voor eerherstel voor Ewout Pieterszoon Worst, de ten onrechte vergeten Vlissingse admiraal die in 1572 en 1573 belangrijke overwinningen op de Spanjaarden wist te behalen. Zeker het eerste feit verwijst naar een door Van Druenen wel opgemerkte, maar minder beklemtoonde grote lijn in het boek: dat Vlissingens strategische ligging haar geschiedenis sterk heeft gekleurd.