Op het eerste gezicht lijkt dit boek te dik; 440 pagina’s tekst over zeventig jaar nijverheid in een dorpje met minder dan 5000 inwoners. In een tijd dat Global History hoog op de onderzoeksagenda staat, verrast zo’n boek wellicht. Toch, ik zou willen dat er meer van dit type boeken geschreven werd over plaatsen met een specifieke nijverheid. Ze kunnen immers scherp zicht bieden op complexe veranderingsprocessen en daarom zijn dit soort lokale studies onverminderd belangrijk. Het hier besproken boek kan wellicht als voorbeeld dienen.

De auteur, Henk van Mierlo, die in december 2014 te Tilburg promoveerde op deze studie bij Arnoud-Jan Bijsterveld en Angelique Janssens, gaat het in essentie niet om Valkenswaard en niet om de tabaksnijverheid. In de openingspassages van het werk maakt hij duidelijk dat de studie gericht is op een beter begrip van de grote maatschappelijke transitie die we vaak aanduiden als industrialisatie. Nederland, Valkenswaard en de tabaksnijverheid zijn daarin een concreet geval, een casestudy. Het gaat hem evenmin om de industrialisatie als technisch fenomeen, nee Van Mierlo definieert industrialisatie als een breed transformatieproces, waarin de vorming van een ‘industriële gemeenschap’ centraal staat. De manier waarop hij dat doet leidt tot boeiende gezichtspunten. Hier blijkt de waarde van een kleine onderzoekseenheid waardoor niet alleen het proces en zijn gevolgen zichtbaar worden, maar ook de historische actoren nadrukkelijk in beeld komen.

Helder bespreekt Van Mierlo de belangrijkste literatuur. Dit levert een hoeveelheid concepten en hypothesen op afkomstig uit zowel de klassieke economische geschiedenis (Mokyr, Hudson), uit de historische sociologie (Tilly, Blumer) als wel de Nederlandse sociale geschiedenis (Lucassen, Engelen). Zo ontstaat ook aandacht voor ondernemerschap, migratie en machtsverhoudingen. Interessant is dat hij daarbij ook theoretische modellen gebruikt die de afgelopen decennia zijn geformuleerd op basis van historisch onderzoek. Van Mierlo bespreekt in dit verband het model van Gerard Trienekens uit het Nederlandse project integrale geschiedenis en het working-class formationmodel van Ira Katznelson. Om de dynamiek van de lokale samenleving goed in kaart te brengen combineert Van Mierlo elementen hiervan tot een eigen model. Hij presenteert dit als een open concentrisch figuur met variabelen die een rol spelen in het lokale veranderingsproces. Dit model ordent de veronderstelde samenhangen tussen actoren, instituties, structuren en stromen die een rol spelen bij de ontwikkeling van de industriële gemeenschap.

Bij de lezer rijst allicht de vraag of dit een nuttige exercitie is, of dat de auteur onnodig moeilijk doet. Zijn model van de samenleving met ‘concentrische cirkels’, ‘narratieve lagen’ en uitwisselingen met ‘buiten’, leidt niet één op één tot de indeling van het boek. Dat doen de drie ‘narratieve lagen’ uit het model wel. Dat zijn de economische structuur (de industrialisatie in beperkte zin), de sociale structuur van de gemeenschap, met macht en elite en als derde, het menselijke gedrag of te wel ‘acceptatie, aanpassing en verzet’. Dit levert niet een heel verrassende compositie op, maar de auteur stelt dat het ordeningsmodel voortdurend verwijst naar de betrokken sociale omgeving en de uitwisselingen met buiten en zo tot dieper inzicht zal leiden. In het slothoofdstuk komen de onderdelen van het model bij elkaar, zo belooft Van Mierlo.

Het ontstaan van de sigarennijverheid in Brabant wordt besproken in een mooi hoofdstuk waarbij de specifieke omstandigheden in Valkenswaard en de mondiale economische ontwikkeling op een logische wijze worden verbonden met de introductie van de tabaksnijverheid in dit specifieke dorp. De schakel wordt gevormd door de vooraanstaande inwoner van Valkenswaard, Joannes van Best, die in 1865 een investering zocht en de mogelijkheden van tabak zag. Van Mierlo bespreekt hem als innovatief ondernemer en plaatst dit in breder perspectief. De snelle groei van de bedrijfstak, de organisatie daarvan met thuiswerk en fabriekswerk wordt door de auteur geanalyseerd aan de hand van een breed spectrum aan bronnen en vanuit de theorie geduid en begrepen. De manier waarop in dit hoofdstuk concepten als ‘moral economy’, ‘change agents’ en ‘resource allocators’ worden gebruikt bij het bespreken van de verschillende ondernemers en hun relatie met de sociale omgeving is typerend voor het boek. Voortdurend verbindt de auteur de informatie over zijn lokale vondsten met zijn brede kennis uit de literatuur over situaties elders.

Vergelijkbaar van kwaliteit zijn de volgende hoofdstukken. De auteur beschikt over een grondige kennis van de lokale bronnen: de gegevens over de demografische ontwikkeling, landbouw, arbeidsmarkt, inkomens en migratie vanuit de omgeving. Steeds verwerkt Van Mierlo de uitkomsten van zijn onderzoek in een relevant kader, maakt ze zo vergelijkbaar met de literatuur en duidt ze in een breder relaas. Het gebruik van interpretatieve concepten geeft het boek hier een meerwaarde, het maakt veel vergelijkingen mogelijk. Een enkele keer leidt het echter tot ‘over-duiding’, het te belangrijk maken van de vondsten. Een voorbeeld valt te lezen bij de conclusies over migratie. De gemeente Valkenswaard heeft voortdurend een migratiesurplus, zij het niet voor alle sociale lagen even sterk, en ook op bepaalde momenten minder groot. Van Mierlo schrijft vervolgens op pagina 361: ‘De conclusie is dan ook dat er weliswaar individuele emigratiemogelijkheden waren, maar dat deze relatief slechts in beperkte mate werden aangegrepen om de ist- en de soll-positie meer met elkaar in overeenstemming te brengen. Vaker was een huwelijk de oorzaak van vertrek of vertrok men met het gezin uit Valkenswaard [...] De relatief geringe economisch gedreven emigratie kan er op wijzen dat de situatie in Valkenswaard relatief goed was dan wel dat elders deze mogelijkheden tot verbetering ontbraken of dat die in Valkenswaard niet bekend waren.’ Gelukkig is het aantal van dit soort passages beperkt.

In de conceptuele rijkdom van het boek schuilt volgens mij ook een zeker risico. De gehanteerde begrippen komen van alle kanten: uit neomarxistische, functionalistische en poststructuralistische hoek; hier is het Sombart, elders weer Weber en verderop Scott. De concepten versterken elkaar niet. Er is geen organiserend interpretatiekader op dit niveau, geen metatheorie. Het gehanteerde model uit de inleiding biedt deze mogelijkheid onvoldoende. En waarom de ene keer een vergelijking met Bochum, dan met Whickham, Tullylish of Verviers? De meer systematische vergelijkingen met andere Noord-Brabantse plaatsen zijn informatiever, maar stellen de pretenties wel lager bij dan de bijna universele overgang naar de industriële gemeenschap in de inleiding pretendeert.

In het slothoofdstuk brengt de auteur veel van de uitgezette lijnen samen. Spijtig vind ik dat dit niet wordt opgebouwd volgens het stramien van het ordenend model. Nu blijft de waarde daarvan toch onduidelijk. Het hoofdstuk getuigt van een groot synthetiserend vermogen, maar komt naar mijn mening niet helemaal tot de kern. Er is hier wel een intensieve dialoog met de literatuur, maar te weinig rond het concept ‘industriële gemeenschap’. Het karakteristieke hiervan blijft vaag. Volgens de auteur was de industrialisatie een ‘agent of change’ die weinigen in Valkenswaard onberoerd liet, maar toch lijkt Valkenswaard hierin tamelijk uitzonderlijk. In dit Brabantse dorp bleef de landbouw voortbestaan naast de nijverheid, letterlijk om de hoek. Ik denk niet dat dit in veel industriële gemeenschappen het geval was.