In dit fraai vormgegeven boek bestudeert Coen Wilders de politieke verhouding tussen stadhouder Willem III en de bestuurlijke elites in het gewest Utrecht tijdens het laatste kwartaal van de zeventiende eeuw. In de historiografie wordt meestal uitgegaan van een erg problematische relatie tussen de prins van Oranje en de regenten in deze periode. In de uitoefening van zijn macht zou Willem III vooral hebben gesteund op een invloedrijk netwerk van getrouwen, die het bestaande staatsapparaat in de Republiek gedeeltelijk wisten te omzeilen of zelfs te vervangen. Dankzij dit netwerk – zo luidt de heersende consensus – was de stadhouder in staat zijn autoriteit in de verschillende gewesten te versterken ten nadele van de lokale en provinciale bestuurscolleges. Over de manier waarop dit (grotendeels op informele banden gestoelde) netwerk dan precies functioneerde en hoe het zich verhield tot de plaatselijke elites, weten we tot nog toe echter bitter weinig. Dit boek wil daar verandering in brengen.

Wilders stelt zich als doel het stadhouderlijk netwerk te ontrafelen en na te gaan hoe de macht van Oranje zich concreet in de provincies manifesteerde. Om meerdere redenen kiest hij daarbij bewust voor Utrecht als casestudy. Dankzij de invoering van het befaamde regeringsreglement in 1674 verkreeg Willem III immers verregaande benoemingsbevoegdheden in het gewest, waardoor zijn machtspositie er volgens sommigen ‘onaantastbaar’ was. De werkelijke impact van dit reglement werd echter nooit aan grondig onderzoek onderworpen. Bovendien, zo stelt de auteur terecht, is de aandacht van historici in het verleden al te vaak toegespitst geweest op de politieke situatie in Holland, waardoor de machtsverhoudingen in andere gewesten onderbelicht zijn gebleven. Mogelijk is hierdoor een vertekend beeld ontstaan. Toch bouwt Wilders met zijn keuze voor Utrecht voort op heel wat eerder gepubliceerde studies, waaronder de werken van Daan Roorda, Isaac Vijlbrief, Johan Aalbers en andere specialisten. Waar deze laatsten zich echter in hoofdzaak concentreerden op de politieke verwikkelingen tijdens en net na het Rampjaar, richt Wilders de blik bewust op de lange termijn: zijn boek beslaat de volledige periode 1674-1702.

Om zijn onderzoek vorm te geven, kiest Wilders voor een aanpak die in de voorbije drie decennia al veel vruchten heeft afgeworpen in het historisch onderzoek over de vroegmoderne politiek. Hij richt zich met name op de studie van het stadhouderlijk patronagestelsel, waarin de uitwisseling van gunsten en diensten tussen een hooggeplaatste patroon (in casu de stadhouder) en diens lagergeplaatste cliënten (in casu vooraanstaande edelen en/of burgers) garant staat voor een politiek systeem waarin de onderlinge machtsverhoudingen in de eerste plaats bepaald werden door persoonlijke relaties en een zekere mate van wederkerigheid. Vaak werd deze wederkerigheid beïnvloed door derden die als ‘makelaars’ (brokers) fungeerden en die potentiële cliënten in contact brachten met de patroon. Daarmee sluit Wilders aan bij de theorieën rond patronage en brokerage die in de jaren tachtig door Sharon Kettering werden geïntroduceerd in het onderzoek ter zake en die sindsdien in tal van studies hun nut hebben bewezen. Dat laatste geldt uiteraard ook voor het onderzoek met betrekking tot de Republiek, zoals de werken van Roorda en – meer recent – Olaf Mörke en Geert Janssen hebben aangetoond. Wilders’ aanpak is dus allerminst nieuw te noemen, maar toch betreedt het boek geen platgetreden paden. De auteur stelt terecht dat het patronagestelsel van Willem III te weinig bekend is en dat we nog steeds niet het fijne weten van de brokers die tijdens zijn bewind actief waren in de verschillende gewesten.

Makelaars in patronage, zo argumenteert Wilders, speelden een erg belangrijke rol in de vestiging van de stadhouderlijke autoriteit in Utrecht. Om dit punt hard te maken, voert hij in zijn boek twee figuren op die als representatief mogen gelden voor zijn stelling: de edelman Godard Adriaan van Reede, heer van Amerongen, en de burgemeesterszoon Everard van Weede, heer van Dijkveld. Beide mannen bekleedden lange tijd een vooraanstaande positie in de gewestelijke politiek en zouden in het laatste kwartaal van de zeventiende eeuw uitgroeien tot invloedrijke, Oranjegezinde brokers. In die hoedanigheid konden zij controle uitoefenen op de vergeving van ambten in het gewest. Mede door hun bemiddeling verzekerde Willem III zich van de steun van de Utrechtse elites. Het feit dat beide heren uit verschillende milieus stamden, laat Wilders bovendien toe om het stadhouderlijk patronagestelsel te bestuderen in zowel een adellijke als een burgerlijke context, waardoor een al te eenzijdige benadering van de politieke verhoudingen in elk geval deels wordt vermeden.

Het boek kent een logische structuur en is ingedeeld in zeven hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk dient ter situering en plaatst de hoofdrolspelers tegen de juiste historische en politieke achtergrond. De lezer maakt hier kennis met alle zijden van het politieke spectrum in zowel stad als gewest. In het tweede hoofdstuk legt Wilders uit hoe de invoering van het regeringsreglement de bestaande evenwichten deed wankelen en hoe Willem III er dankzij een uitgekiende benoemingspolitiek in slaagde zijn greep op de bestuurlijke colleges te versterken. Toch bleef de nood aan onderhandeling met de adel hoog en moest Willem ook de nodige compromissen sluiten. In het derde hoofdstuk komt Wilders tot de kern van de zaak: hier bespreekt hij hoe de contacten verliepen tussen Willem III en zijn entourage enerzijds en tussen die entourage en de provinciale elites anderzijds. Daarbij is het principe van de ‘toegankelijkheid’ van de prins richtinggevend. Wilders stelt vast dat de stadhouder voortdurend werd afgeschermd en dat het voor leden van de lokale en gewestelijke bestuurscolleges geenszins vanzelfsprekend was om hem te spreken te krijgen. Hierdoor bleef de mogelijkheid om rechtstreeks in contact te treden met Oranje grotendeels beperkt tot enkele hovelingen, die dit voorrecht konden uitbuiten voor hun eigen gewin. In de hoofdstukken vier en vijf worden de twee hoofdpersonages, Amerongen en Dijkveld, uitvoerig besproken. Hier wordt duidelijk dat beide heren als gewiekste makelaars optraden tussen het Oranjehof en de provinciale elites en op die manier belangrijke schakels vormden in de patronageketen van Willem III. In hoofdstuk zes laat Wilders zien hoe dit complexe stelsel zich concreet vertaalde in de besluitvorming. In veel opzichten is dit hoofdstuk dan ook het meest vernieuwende van het hele boek: het mechanisme van wederkerigheid waaraan de vroegmoderne politiek onderhevig was, wordt hier stukje bij beetje ontrafeld. Op die manier komen zowel de sterktes als de zwakheden ervan bloot te liggen, terwijl eveneens blijkt dat de stadhouder weliswaar vaak, maar zeker niet altijd zijn slag thuishaalde. Het zevende en laatste hoofdstuk, tenslotte, peilt naar de evolutie van de stadhouderlijke macht in Utrecht na de aanvaarding van de Engelse troon door Willem III.

Een van de belangrijkste conclusies van Wilders is dat het stadhouderlijke patronagestelsel veel meer gestoeld was op wederkerigheid dan tot nog toe werd aangenomen. In die zin maakt dit boek duidelijk dat de bestaande opvattingen over de machtspositie van Oranje in het gewest Utrecht genuanceerd moeten worden. Een andere – weliswaar weinig verrassende – vaststelling is dat de motieven van de regenten om zich dienstbaar op te stellen aan de stadhouder niet enkel gestoeld waren op eigenbelang, maar ook op religieuze of politieke overtuigingen. Jammer is wel dat de auteur nauwelijks uitspraken doet over de consequenties die zijn studie oplevert voor het onderzoek van de machtspositie van Willem III in de overige gewesten van de Republiek: de vraag hoe ‘uniek’ Utrecht was binnen deze context, wordt op die manier niet echt beantwoord. Niettemin zal de geïnteresseerde lezer in dit boek een oerdegelijke studie vinden, waarin een belangrijke en broodnodige stap wordt gezet naar een meer evenwichtige historiografie over het bewind van Willem III.