Toen in 1994 groots in de media verkondigd werd dat de gemeentelijke archeologische dienst van Amsterdam in de binnenstad het kasteel van de heren van Amstel had gevonden, waarvan serieuze historici altijd beweerd hadden dat het in Ouderkerk stond, brak er een collectieve jubelstemming uit. Legende leek werkelijkheid te zijn geworden. De wetenschappelijke wereld was echter van meet af aan sceptisch. Dat de bakstenen funderingen een kasteel betroffen was niet het hete hangijzer, maar wel de datering en de duiding. De Gijsbrecht van Amstel-aanhangers wilden van geen wijken weten en schoten vanaf de kasteelmuur

[...] op alles dat verdacht wordt van sympathieën met de zogeheten Ouderkerkpartij – de mensen die vinden dat het kasteel van de heren van Amstel in Ouderkerk aan de Amstel gestaan heeft.2

Tot in detail werd de tegenstelling uitgemeten in De Volkskrant en NRC Handelsblad. Uiteindelijk werd op uitnodiging van een wethouder van Amsterdam een ‘verzoeningssymposium’ georganiseerd en sindsdien doet de officiële lezing de ‘wetenschappelijke werkelijkheid’ minder geweld aan.

De mikwe-kwestie in Venlo zorgde voor een vergelijkbare historische roes als ‘Castle-gate’. Op 30 oktober 2004 was bijvoorbeeld in het nrc Handelsblad te lezen dat archeologisch onderzoek aantoonde dat het oudste joodse rituele bad van Nederland gevonden was. De mikwe werd van de sloop gered en het complete keldercomplex werd naar de speciaal voor dit doel gebouwde extra museumvleugel in het Limburgs Museum in Venlo overgebracht. De investeringssom: 3 miljoen euro. In 2013 gingen steeds luidere stemmen op dat van een joods ritueel bad in het geheel geen sprake kon zijn. Essentiële bouwkundige kenmerken van een mikwe, zoals een trap leidend naar het ‘bad’, alsmede de watertoevoer ontbraken bijvoorbeeld. De kritisch geworden gemeenteraad liet een onderzoek instellen. Na weken van dossiers doornemen werd een helder oordeel geveld: bij de totstandkoming van de interpretatie van deze archeologische ontdekking was sprake geweest van ‘wetenschappelijke misleiding’ en ‘bedrog’.3

Deze twee voorbeelden tonen dat met een combinatie van geschreven en archeologische bronnen het mogelijk is luchtkastelen te bouwen en sprookjes te schrijven. In beide gevallen heeft een vorm van methodische ‘historische inlegkunde’ plaatsgevonden. In 1994 werd opgegraven met een schep in de rechterhand en een historische bron in de linkerhand en werd het bodemarchief één-op-één historisch gelezen. Werd in niet al te betrouwbare geschreven bronnen een kasteel van de heren van Amstel genoemd, dan werden archeologisch opgegraven kasteelmuren ergo als het kasteel van Amstel bestempeld. Om deze tunnelvisie vol te kunnen houden, werden de uitkomst van het dendrochronologisch onderzoek en andere contra-indicatoren systematisch terzijde geschoven.4

In Venlo is de historische inlegkunde op indirectere wijze toegepast. De geschreven bronnen vormden niet het bewijs voor datering of toeschrijving, maar in Venlo werden wel wat ‘feitjes’ uit de historische grabbelton gehaald om de archeologische vondst diepgang te geven. Zo zou de vermeende mikwe buiten gebruik zijn geraakt toen de joodse bevolkingsgroep verantwoordelijk werd gehouden voor de uitbraak van de pest rond 1350 en uit Venlo zouden zijn verjaagd. Dit historische ‘feit’ werd ter plekke uitgevonden, want van een bloeiende joodse gemeenschap in Venlo was eerder geen vermoeden, overtuigende aanwijzingen dat de pest ook in Venlo had toegeslagen waren er evenmin en de eerste historische aanwijzing dat Jodenvervolgingen zoals bekend van andere Europese steden ook in Venlo zijn geweest, moet nog gevonden worden.5 Bovendien werd geheel voorbij gegaan aan de eigen archeologische resultaten. De datering van het gevonden aardewerk wees erop dat de vermeende mikwe een kwarteeuw voor de grote pestgolf, omstreeks 1325, al als beerput in gebruik werd genomen.6

Het is duidelijk dat ‘het Amsterdamse kasteel’ en de ‘mikwe van Venlo’ gevallen zijn die wat betreft onderzoeksmethodiek niet door de beugel kunnen. Over hoe historische en archeologische bronnen dan wel met elkaar verbonden zouden moeten worden zijn vaker erudiete exposés geschreven dan dat er een sprankelende invulling is gegeven aan een interdisciplinair ideaalmodel. De vraag is of bij de speurtocht naar de stoffelijke resten van de enige middeleeuwse koning uit de Nederlanden, zoals gepresenteerd in het boek van E.H.P. Cordfunke e.a., Willem II graaf van Holland en Roomskoning. Een zoektocht naar het koningsgraf in Middelburg7, de interdisciplinariteit tot een overtuigend resultaat heeft geleid. Na een verkenning van de spelregels bij historisch-archeologische vraagstukken, wordt hieronder uiteengezet waarom naar mijn mening bij de casus ‘het koningsgraf van Willem II’ – ondanks overtuigende toepassing van drie belangrijke methodische vuistregels – eerder sprake is van mythevorming dan van onweerlegbare bewijsvoering.

Compilage van krantenkoppen uit 1994-1995 over de kasteel van Amstelaffaire. Het artikel op de achtergrond ‘Archeologie en Amsterdamse emoties’ is geschreven door H.A. Heidinga en verscheen in NRC Handelsblad, 2 december 1994.

Cartoon: Frits Müller (1932-2006). Met dank aan: Jan Gelderman, Lisserbroek (Lisse).

Drie eerste methodische vuistregels

In het archeologische debat is de terugkerende vraag of er sprake moet zijn van hetzij een complementaire benadering dan wel van een hardline approach. De archeologen Verhaeghe en Janssen bepleiten de eerst genoemde aanpak die inhoudt dat op gezette tijden binnen een onderzoeksproject voorzien moet worden in overleg met andere disciplines.8 Ook historica Van Dam toont zich voorstander van deze aanpak. Zij illustreert aan de hand van haar eigen ervaring welke moeilijkheden een onderzoeker hierbij ervaart. Ze bestudeerde een bestek uit 1457 van een uitwateringssluis bij Spaarndam.9 Toen in dezelfde tijd een middeleeuwse sluis opgegraven werd bij Rotterdam, toog zij daar naar toe, aanvankelijk slechts om ‘een plaatje bij de tekst’ te maken. Echter, zij constateerde in de eerste plaats dat er tussen haar als historica en de archeologen in Rotterdam ‘een lichte mist hing’. Een constructieve dialoog tussen historicus en archeoloog bleek alleen mogelijk wanneer de moeite werd genomen om de andere discipline te leren begrijpen; een ‘actieve interdisciplinaire taalverwerving’ was een vereiste.10 De tweede moeilijkheid was dat het naast elkaar leggen van archeologische en historische bronnen niet zozeer een eenmalige goed te plannen activiteit bleek te zijn, maar een voortdurend wederzijds voedingsproces. De winst ervan was duidelijk. Het kennismaken met de bevindingen van de andere discipline maakte dat de eigen bronnen met andere ogen werden aanschouwd: losse feiten konden goed vervlochten worden met een beter totaalbeeld tot gevolg.

De collectieve kater van de mikwe-affaire werd breed uitgemeten in de grote carnavalsoptocht in Venlo in het vroege voorjaar van 2014. Naast praalwagens met als thema: Badhuis of Schijthuis liepen ook verschillende figuren mee die een variant op de woordgrap ‘Wat is het tegenovergestelde van een archeoloog?’ verbeeldden (antwoord: Archeo-waarheid).

Foto Kino Linders (Venlo).

Als archeoloog-historicus kan ik niet ontkennen dat een complementaire, interdisciplinaire visie het hoogste streven is, het gevaar dreigt echter dat door twee brontypen te gebruiken niet twee afzonderlijke versies van één verleden worden gegeven, maar er één kleurloze variant ontstaat die aan geen van beide recht doet.11 Voor wat betreft verslaglegging in het algemeen en bij het identificatievraagstuk – wat en hoe oud is deze archeologische vondst? – in het bijzonder, pleit ik voor een hardline approach. Deze opvatting schrijft voor dat de archeologische bevindingen eerst volkomen onafhankelijk en geïsoleerd beschouwd worden en dat pas in tweede instantie de resultaten van beide brontypen met elkaar worden geconfronteerd.12 Deze aanpak wordt ook wel aangeduid met het militaire adagium Getrennt marschieren, vereint schlagen.13 Het onderzoek aan de hand van archeologische en historische bronnen dient zich net zo te voltrekken als ander multidisciplinair onderzoek. Het gaat in eerste instantie om multidisciplinair onderzoek, in tweede instantie om interdisciplinair onderzoek. Anders gezegd, de eerste spelregel inzake archeologisch-historische kwesties is: eerst afzonderlijk optrekken en in het eindstadium gezamenlijk overwinnen.

Om samen te kunnen overwinnen moet een tweede spelregel in acht genomen worden. Voor elk individueel aspect dienen de historische en archeologische bronnen expliciet en systematisch met elkaar geconfronteerd te worden om vast te stellen hoe ze zich ten opzichte van elkaar verhouden. Bekende verhoudingsvormen zijn bronnen die elkaar aanvullen en bevestigen.14 Van een goede afweging kan alleen sprake zijn wanneer het archeologische en het historische fenomeen overeenstemmen in datering en locatie. De vaststelling hiervan wordt bemoeilijkt omdat archeologische bronnen doorgaans exacte locaties leveren, maar ruime dateringen, terwijl historische bronnen daarentegen veelal exacte dateringen hebben, maar vage plaatsbeschrijvingen. Het meest voorkomende type verhoudingsvorm is dat brontypen in het geheel niet met elkaar in verband staan en één bron een dominante, of zelfs monopoliepositie inneemt. Oftewel: over hetgeen archeologisch is aangetroffen is eenvoudigweg geen directe historische bron – naast het Amsterdamse kasteel geldt dat bijvoorbeeld ook voor archeologisch aangetroffen kastelen in Vlaardingen en in Giessen (NB) – en van historisch goed gedocumenteerde fenomenen – stormvloeden zoals die van 1134, 1163, 1164, 1196 en 1212 of grote stadsbranden – kunnen niet zonder meer sporen in het bodemarchief aangewezen worden.

Speciaal de verhoudingsvorm van de contradictie moet genoemd worden. Hiervan is sprake wanneer de resultaten van archeologisch en historisch onderzoek elkaar tegenspreken. Dit type is interessant, omdat het verleden als zodanig zichzelf niet kan tegenspreken.15 Een contradictie moet dan ook als een sterke stimulans beschouwd worden om het eigen bronnenmateriaal opnieuw te bezien en een verklaring te zoeken. Carmiggelt wees er eerder op dat het juist de kleine en grotere tegenstrijdigheden tussen archeologische en historische bronnen zijn die het vak spannend maken. Dit fenomeen noemt hij treffend het ‘nut van contradicties’.16 De derde spelregel is dan ook dat de wetenschapper die verder wil komen bij fascinerende historische-archeologische puzzels, contradicties koestert.

De zoektocht naar een reeds verdwenen Willem II

Nu is vastgesteld dat om een optimaal resultaat te bereiken het streven bij archeologisch-historische vraagstukken een multidisciplinaire verslaglegging met een interdisciplinaire eindconclusie moet zijn waarbij contradicties gekoesterd worden, is het tijd voor een toetsing van de theorie. De centrale vraag in het boek Willem II is of een gebeente dat in 1817 in een dichtgemetselde nis in de abdijkerk van Middelburg gevonden is, dat van de in 1256 bij een veroveringstocht in West-Friesland omgekomen graaf en Roomskoning Willem II is. Cordfunke betrekt in het onderzoek inzichten van verschillende disciplines, zoals fysische antropologie en AMS-dateringen en houdt zich bij de verslaglegging keurig aan de vuistregel ‘getrennt marschieren’.

De uitkomst van het onderzoek – het zou Willem II betreffen – leek echter van tevoren vast te staan. Want weliswaar worden contradicties tussen de resultaten van verschillende onderzoeken opgemerkt, er zijn twee in mijn ogen vreemde wendingen nodig om ze te verklaren.

Ten eerste is het opvallend dat het archeologisch aangetroffen gebeente ‘beter bijeen gehouden is dan menig ander skelet’.17 Zelfs klein botmateriaal is bewaard gebleven. Dit is minstens opmerkelijk omdat Willem II toen hij in 1282 in Hoogwoud werd opgegraven tot op het bot verteerd moet zijn geweest en het gesleep naar Middelburg voor de herbegrafenis de reeds verteerde staat niet ten goede zal zijn gekomen. Alle beenderen zouden bewaard zijn, doordat de West-Friezen het lijk van de al dan niet per ongeluk gedode Willem II in 1256 in een ijzeren kist onder de haard in een boerderij in Hoogwoud begraven zouden hebben, aldus Cordfunke.18 IJzeren kisten zijn echter niet archeologisch bekend. Het voorkomen van loden kisten is voorbehouden aan wereldlijke en geestelijke vorsten, maar het is bijzonder onwaarschijnlijk dat de West-Friese boeren, die in het geheim het lijk van de Roomskoning verborgen, kans zouden hebben gezien om in allerijl een dergelijke kist te regelen.

De tweede contradictie is de volgende. Duidelijk is dat het aangetroffen middeleeuwse skelet zich bevond in een tombe met een dekplaat met beeldhouwwerk van een ridderfiguur met wapenschild, een zogeheten gisant, dat van een middeleeuws, dertiende-eeuws type is. Historisch is echter bekend dat voor Willem II in de zestiende eeuw een nieuw, groots grafmonument in Renaissancestijl is opgericht.

Deze contradictie wordt niet in de interdisciplinaire eindconclusie uitgemeten, maar wordt halverwege tussen de regels snel afgehandeld. Cordfunke beweert dat het gebeente in de tombe van Willem II is, terwijl de dekplaat van het grafmonument die van de eveneens in Middelburg begraven Floris de Voogd zou zijn. De dekplaat van Floris de Voogd zou bij de Beeldenstorm op 22 augustus 1566 losgehakt zijn – ‘de hamerslagen waren in 1817 nog duidelijk zichtbaar op de zijkanten’, aldus Cordfunke.19 Ik probeer me voor te stellen hoe, terwijl de beeldenstormers al aan de kerkdeuren rammelden, ijverige lieden het graf van Floris de Voogd, dat volgens de theorie van Cordfunke in het oude gedeelte van de kerk was gesitueerd, met hamers loshakten, met vereende kracht het gevaarte loswrikten, optilden, omhoog hesen en vervolgens nog behoorlijk wat meters vervoerden naar het veertiende-eeuwse gedeelte van de kerk om het daar in de nis in de zuidwand op de kist van Willem II te leggen en de nis dicht te metselen.

De kwestie ‘het koningsgraf van Willem II’ wijst op een vierde methodische vuistregel: bij een interdisciplinaire eindconclusie moet recht gedaan worden aan alle relevante bevindingen van de verschillende disciplines. Naar mijn smaak komt in de eindconclusie één relevante bevinding van de historische wetenschappen niet tot haar recht. In 1492 brandde de abdijkerk af. Volgens Cordfunke bleef ‘opmerkelijk genoeg de kist van het gebeente van Willem II gespaard’.20 Waarom hij het oneens is met de mening van de kunsthistorica Dhanens die in 1985 in haar uitgebreide studie aangaande de grafmonumenten in de abdijkerk schreef dat ‘het schrijn met het gebeente van Willem en de versierselen ervan in de vorm van een grafmonument [bij de brand van 1492] verloren waren gegaan’21, wordt echter niet duidelijk. Daardoor worden de consequenties van de mogelijkheden ‘verloren schrijn en verloren gebeente’, ‘verloren schrijn en behouden gebeente’, ‘verloren schrijn en deels verloren gebeente’ of ‘ondanks alles behouden schrijn en gebeente’ onvoldoende overwogen.

Blijf nuchter

Het kasteel van Amstel, de mikwe van Venlo en het koningsgraf van Willem II zijn naar mijn mening kwesties die met elkaar gemeen hebben dat de betrokken onderzoekers ‘in de ban’ lijken te zijn geraakt van de ‘historische sensatie’. Daardoor bestond bij alle drie het gevaar van eenzijdige interpretatie van de onderzoeksgegevens in het licht van een gewenste uitkomst. Laten we ervoor waken in de valkuil van de interdisciplinariteit te stappen, en steeds opnieuw tegenstrijdige archeologisch-historische resultaten kritisch en nuchter tegemoet treden.