Toen in 1817 N.C. Lambrechtsen van Ritthem in Middelburg in een dichtgemetselde nis in de zuidwand van de Koorkerk, de voormalige abdijkerk, de dekplaat aantrof van een grafmonument met daarop het beeld van een ridderfiguur en eronder een skelet, was hij er van overtuigd het graf te hebben ontdekt van Roomskoning Willem II, graaf van Holland en Zeeland (†1256), een graf waarnaar hij al lange tijd op zoek was. Volgens schriftelijke bronnen had Willem II zijn laatste rustplaats gevonden in de kerk van de Middelburgse norbertijner abdij, net als zijn broer Floris ‘de Voogd’ (†1258) en zijn echtgenote Elisabeth van Brunswijk (†1266). In zijn onderzoeksverslag overwoog Lambrechtsen weliswaar dat het gevonden graf ook dat van Floris de Voogd zou kunnen zijn, maar die mogelijkheid schoof hij al snel terzijde.2

Van Willem II is bekend dat hij in januari 1256 werd gedood tijdens een veldtocht tegen de West-Friezen en door hen in een huis in Hoogwoud werd begraven. In 1282 werd zijn gebeente daar door zijn zoon graaf Floris V teruggevonden en naar Middelburg overgebracht. Floris de Voogd, die na de dood van Willem II als regent voor de nog minderjarige Floris V optrad, overleed in maart 1258, nadat hij tijdens een toernooi in Antwerpen zwaar gewond was geraakt.

In de afgelopen twee eeuwen zijn diverse verhandelingen aan het in 1817 gevonden grafmonument gewijd; de vraag ‘Willem of Floris ?’ stond daarbij meestal centraal. Dat was niet puur een zaak van historici. Voor de stad Middelburg bijvoorbeeld zou de aanwezigheid van een koningsgraf binnen de gemeentegrenzen op zijn minst statusverhogend zijn.3 De jongste loot aan de stam van publicaties is het boek van E.H.P. Cordfunke, G.J.R. Maat en anderen, waarin verslag wordt gedaan van de recente, tot nu toe meest uitgebreide bestudering van het in 1817 gevonden botmateriaal.4 Op initiatief van Cordfunke was het skelet in 2011 overgebracht naar het Leids Universitair Medisch Centrum, waar DNA-onderzoek werd verricht door het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek, en het overige fysisch-antropologisch onderzoek door de sectie Barge’s Anthropologica van het Anatomisch Laboratorium onder leiding van George J.R. Maat. De ouderdom van het gebeente werd met behulp van de C14-methode onderzocht door het Scottish University Environmental Research Centre in Glasgow.

In het boek koppelt Cordfunke de resultaten van het botonderzoek aan de schriftelijke en bouwkundige gegevens. Zijn eindconclusie is dat de voorhanden gegevens voldoende reden geven om het gebeente aan Roomskoning Willem II toe te wijzen. Een kritische reactie is hier op zijn plaats. Niet alleen omdat Cordfunkes conclusie mogelijk onjuist is, maar ook omdat de manier waarop hij met de voorhanden gegevens omgaat de indruk geeft van een zekere vooringenomenheid en subjectiviteit. Vandaar dit artikel, waarin ik heb geprobeerd om de werkwijze en de conclusie van Cordfunke nader te analyseren met als uitgangspunt de beschikbare bronnen van informatie, en tevens te zien of alsnog iets meer duidelijkheid over het grafmonument en de identiteit van het skelet valt te verkrijgen.

Skeletonderzoek

Allereerst zet ik een vraagteken bij de manier waarop Cordfunke de resultaten van het skeletonderzoek interpreteert. Diverse uitkomsten van dit onderzoek pleiten er in zijn ogen sterk voor het skelet aan Willem II toe te wijzen. Inderdaad corresponderen de onderzoeksresultaten goed met wat uit schriftelijke bronnen over Willem bekend is, maar even zeer geldt dat zij stuk voor stuk Floris de Voogd als kandidaat geenszins uitsluiten. Vastgesteld is dat het gebeente afkomstig moet zijn van een man, ongeveer 1,74 m lang, met een visrijk voedselpatroon, die (C14-onderzoek) tussen circa 1130 en 1320 zal zijn gestorven en op het moment van zijn dood tussen de 26 en 34 jaar oud was.5 Dit alles gaat op voor zowel Willem als Floris. Beiden waren ongeveer 30 jaar, toen zij in respectievelijk 1256 en 1258 stierven en hun voedselpatroon kan ongeveer hetzelfde zijn geweest. De doodsoorzaak was volgens Maat een verwonding aan het hoofd, die met slagaderlijk bloedverlies en een bloeduitstorting in de schedelholte gepaard moet zijn gegaan en binnen enkele uren, hooguit dagen tot ernstige ziekteverschijnselen en de dood zal hebben geleid. Dit kan, zoals ook Maat stelt, zowel op Willem als op Floris betrekking hebben.6 Wat de laatste betreft: Floris stierf in 1258 tijdens een toernooi in Antwerpen. Melis Stoke vertelt hoe tijdens dat toernooi Floris en de zijnen onvroe, oftewel aan de verliezende hand waren, waarbij Floris dusdanig in het nauw werd gedreven dat hij gewond raakte. Kennelijk ging het om een massaal gevecht tussen twee groepen ruiters, zoals dat in die tijd bij toernooien nog gebruikelijk was. Hij stierf op 26 maart; op zijn vroegst was hij de vorige dag, 25 maart, gewond geraakt, want eerder op die dag had hij te Antwerpen nog een oorkonde uitgevaardigd ten gunste van het victorinnenklooster te Biezelinge.7 Floris zal na het oplopen van zijn verwondingen dus nog hooguit een dag hebben geleefd.

Naast de sporen van de dodelijke verwonding vertoont het skelet ook diverse postmortale breukvlakken. Cordfunke legt hier een verband met mogelijke beschadigingen, in 1282 veroorzaakt bij het opgraven van het skelet van Willem II in Hoogwoud. De breuken kunnen echter net zo goed zijn ontstaan toen (vermoedelijk) na de opheffing van de abdij in 1574 de grafnis werd dichtgemetseld. Men zal toen, althans gelet op de situatie in de nis zoals men die in 1817 aantrof, het aan de voorzijde uitstekende deel van de dekplaat kapot hebben geslagen, en het puin in de nis onder de dekplaat en bovenop het geraamte hebben achtergelaten.8 Ten aanzien van een bruinige afzetting in de schedel stelt Maat dat deze afkomstig moet zijn van depositiemateriaal uit grondwater. Cordfunke legt hier een direct verband met het feit dat het gebeente van de Roomskoning van 1256 tot 1282 in West-Friesland diep onder de vloer van een woning begraven had gelegen, en daar zeker met grondwater in aanraking kan zijn gekomen.9 Maar een doorslaggevend punt ten gunste van Willem II is dat niet. Immers, er is niets bekend over de mogelijke invloed die het regenwater van het kerkdak en het grondwater – de Koorkerk is gebouwd ter plaatse van de verlande/gedempte gracht van de vroegmiddeleeuwse ringwalburg – kunnen hebben gehad op de gemetselde grafruimte in de nis. Dat die plek op zijn minst zeer vochtig moet zijn geweest kan men afleiden uit het feit dat de kist waarin het skelet oorspronkelijk heeft gelegen ten tijde van de vondst in 1817 zo goed als vergaan was. Bovendien geldt ook dat de graven van Willem en Floris zich in eerste instantie op een andere plaats in de kerk moeten hebben bevonden, namelijk in het destijds een stuk westelijker gelegen koor van de oorspronkelijk Romaanse/romano-gotische kerk. Pas nadat in globaal de eerste helft van de veertiende eeuw het huidige koor werd gebouwd, zal het in 1817 gevonden gebeente daarheen zijn overgebracht.10 Hoe voordien in het oude koor de omstandigheden qua vocht en grondwater waren, is geheel onbekend.

Kortom, anders dan Cordfunke, bespeur ik onder de uitkomsten van het botonderzoek geen informatie die ons dwingt om de botten specifiek aan hetzij Willem, hetzij Floris toe te wijzen. Eigenlijk laat het onderzoek ons sowieso in het ongewisse over de vraag of het gebeente heeft toebehoord aan een lid van de grafelijke familie. Bij het DNA-onderzoek werd nagegaan of er mogelijk een verwantschapsrelatie via de mannelijke lijn aantoonbaar was tussen het skelet en het in 1904 in de voormalige abdij van Egmond aangetroffen skelet dat is toegeschreven aan graaf Floris I (†1061). Van een dergelijke relatie bleek geen sprake te zijn, zodat, wanneer er niettemin serieuze redenen zijn om het Middelburgse skelet toch te identificeren als dat van Willem II of Floris de Voogd, dit betekent dat óf wel de Egmondse beenderen niet van Floris I zijn, óf wel ergens in de stamreeks van de Hollandse graven sprake is geweest van vals vaderschap.11

De grafzerk en de identiteit van het gebeente

De vraag rijst dan of mogelijk andere bronnen van informatie meer duidelijkheid bieden ten aanzien van de identiteit van het skelet; in de eerste plaats de dekplaat van het grafmonument. Daarmee is men na 1817 lange tijd erg onzorgvuldig omgegaan, zodat er al heel wat van de zerk verloren was gegaan toen het grafmonument in 1928 werd gereconstrueerd en de restanten van het beeldhouwwerk daarop werden bevestigd. De kort na 1817 gemaakte gravure en aquarellen, alsook het onderzoeksverslag van Lambrechtsen bieden echter een betrouwbare weergave van de staat waarin de zerk met beeldhouwwerk in 1817 verkeerde.12 De ridder op de zerk droeg toen een schild met daarop een klimmende leeuw: zo goed als zeker het wapen van een lid van het Hollandse gravenhuis. Een klimmende leeuw zonder verdere toevoegingen vindt men weliswaar ook in het wapen van de heren van Voorne, burggraven van Zeeland, maar er bestaat geen enkele aanwijzing dat leden van die familie ooit in de Middelburgse abdijkerk zijn begraven. Waar het gaat om de vraag welk lid van de grafelijke familie hier is afgebeeld, oordeelde kunsthistorica Elisabeth Dhanens in haar artikel over het monumentale zestiende-eeuwse grafmonument voor Willem II, dat Floris de Voogd daarvoor meer in aanmerking komt dan de Roomskoning. Tegen deze laatste pleit, zo schreef zij, dat in het geheel niets in het beeldhouwwerk op de dekplaat verwijst naar Willems koningschap en zijn koninklijke status.13 Bovendien zou men volgens Dhaenens bij Willem II een wapenschild verwachten zoals later afgebeeld door de Heraut Beyeren (1409), met aan de ene kant de koninklijke adelaar en aan de andere kant de Hollandse leeuw.14 Over de vraag welk wapen Willem als Roomskoning werkelijk voerde zijn de gegevens summier. Johannis de Beke schrijft in zijn Chronographia (circa 1346) dat de West-Friezen in 1256, nadat zij de Roomskoning hadden gedood, hem achteraf herkenden aan zijn wapen, namelijk een zwarte adelaar op een gouden veld, dat wil zeggen het Duitse koningswapen. Dat Willem als Roomskoning inderdaad dat wapen voerde blijkt uit het feit dat hij bij het uitvaardigen van oorkonden als contrazegel een wapenzegel hanteerde met daarop de Duitse adelaar.15 De conclusie mag dan ook zijn dat – en op dat punt zijn Cordfunke en ik het eens – de zerk zeer waarschijnlijk deel heeft uitgemaakt van het grafmonument van Floris de Voogd en niet van dat van Willem II.

Maar zegt dit ook iets over het skelet? Vanaf dit punt scheiden zich onze wegen, dat wil zeggen, bij de vraag of de dekplaat en het skelet, zoals zij in 1817 tezamen in de nis zijn aangetroffen, ook vanouds bij elkaar hebben gehoord. Zeer informatief is hier hetgeen Lambrechtsen in 1817 schreef, namelijk:

[...] in de nis gegaan zijnde, zagen wij onder den boog daarvan, loopende van het hoofd- naar het voetenend, eene blaauwe arduine platleggende zerk, gemetseld tusschen de drummers (steunberen), en daarin, zoo wel als in de kerkmuur, ter breedte van eenige duimen ingelaten.

Onder de dekplaat en veel puin vonden Lambrechtsen en de zijnen het skelet, met de voeten naar het oosten, in ‘eene holligheid in den kapitalen muur, of uitgehakt of gemetseld’, binnenmuurs 7½ voet lang (2,25 m), 2 voet breed (60 cm) en 2 voet en 2 duim hoog (65 cm), en met een gemetselde vloer. Tevens trof men er delen van ijzeren banden aan met daaraan splinters van hout, zeer waarschijnlijk de resten van de met ijzeren banden beslagen doodskist die voor het overige was vergaan.16 Wat Lambrechtsen hier beschrijft valt moeilijk anders te interpreteren dan als een grafmonument, aangebracht in een nis en bestaande uit een grafruimte tussen de steunberen en de buitenmuur, met daarin het stoffelijk overschot in een kist, afgedekt door een natuurstenen dekplaat met daarop het liggende beeld van de overledene. Het gaat om een zorgvuldig uitgevoerd werk, waarbij de dekplaat precies op maat aan drie kanten was ingemetseld in de (iets naar buiten geplaatste) kerkmuur en de steunberen, die daartoe tot enige duimen diep waren uitgefreesd. Met andere woorden, alles wijst erop dat de dekplaat van meet af aan één geheel heeft gevormd met de rest van het grafmonument, zodat in dat geval de meest voor de hand liggende conclusie is dat het aangetroffen gebeente zeer waarschijnlijk het skelet is van Floris de Voogd.

Zoals gezegd, werd pas omstreeks de eerste helft van de veertiende eeuw het huidige koor gebouwd. Toen zal het stoffelijk overschot van Floris zijn overgebracht naar de tevoren voor dit doel in het bouwplan opgenomen nis. Elisabeth Dhanens meende dat de dekplaat, gezien het beeldhouwwerk, heel best afkomstig kan zijn van het oude grafmonument in het oude koor.17 Dat zal zich daar hebben bevonden boven een grafkeldertje met het stoffelijk overschot van Floris. In het nieuwe koor is niet in een grafkelder voorzien; de nieuwe grafruimte werd ter hoogte van de begane grond aangelegd. Voor het overige is het grafmonument van een in de Nederlanden in de dertiende en veertiende eeuw veel voorkomend type. Mooie voorbeelden, met net als in Middelburg een baldakijn aan het hoofdeinde van de figuur op de dekplaat en vaak een hondje of leeuwtje aan het voeteneinde, zijn de grafmonumenten van Jan II van Polanen en twee echtgenotes (vóór 1372) en van Jan III van Polanen (1394, ook in een nis) in de Grote kerk te Breda, het grafmonument van Gijsbrecht (†1344) en Arnoud (†1363) van IJsselstein en echtgenotes in de kerk van IJsselstein, of dat van Gwijde van Avesnes, bisschop van Utrecht (†1317) in de Domkerk te Utrecht. Ook het grafmonument van graaf Otto II van Gelre (†1271) in het voormalige klooster Grafenthal past in dit rijtje.18

In het nieuwe koor zal het graf verder onaangeroerd zijn gebleven tot ver in de zestiende eeuw, waarbij het door de beschutte opstelling – aldus ook Dhanens – de branden in de koorkerk van 1492 en 1568 heeft overleefd, evenals de Beeldenstorm van 1566. In het uitvoerige verslag uit 1567 van de gebeurtenissen tijdens de Beeldenstorm in Middelburg wordt vermeld dat in het koor van de abdijkerk onder andere de princen-sepulturen gespaard zijn gebleven. Waarschijnlijk zijn daarmee zowel het grafmonument van Floris de Voogd als het in 1542/1546 opgerichte, en door Elisabeth Dhanens beschreven wandgrafmonument voor Willem II en zijn vrouw Elisabeth – waarover hierna meer – bedoeld.19 Zoals aangegeven, is de nis met het monument op zeker moment dichtgemetseld, vermoedelijk na 1574, toen de abdij was opgeheven en de Koorkerk enige tijd later voor de protestantse eredienst werd ingericht.20

Cordfunke komt echter tot een heel andere conclusie. Volgens hem was bij de bouw van het nieuwe koor de nis speciaal bestemd voor het stoffelijk overschot van de Roomskoning. Daar zou de kist met het gebeente, na vanuit het oude koor te zijn overgebracht, een plaats hebben gekregen in een open opstelling. Voor Cordfunke vormt hier zijn interpretatie van de resultaten van het skeletonderzoek, namelijk dat het onderzochte skelet hoogstwaarschijnlijk dat van Willem II is, duidelijk het uitgangspunt. Dat uitgangspunt blijkt ook leidend, daar waar hij zondermeer beweert dat het skelet van Willem II bij de branden van 1492 en 1568 gespaard is gebleven. Ook de Beeldenstorm in 1566 zou volgens hem het skelet ongeschonden hebben doorstaan, dank zij het feit dat een Middelburgse burgemeester met de beeldenstormers was overeengekomen dat, ‘de kist met het gebeente van Willem II’ zou worden ontzien.21 Deze formulering is echter verwarringwekkend. Volgens het verslag uit 1567 van de gebeurtenissen tijdens de Beeldenstorm betrof de gemaakte afspraak namelijk ‘de sepulture van Grave Willem’. Daarmee zal het bovengenoemde wandgrafmonument uit 1542/1546 voor Willem II en zijn vrouw zijn bedoeld; de woorden kunnen zeker niet worden vertaald als ‘de kist met het gebeente van Willem II’.22

Cordfunke stuit met zijn zienswijze wel op een curieus fenomeen, namelijk dat zich boven de kist met volgens hem het gebeente van Willem II vanaf zeker moment de zerk zou hebben bevonden van het graf van Floris de Voogd. Als verklaring hiervoor geeft Cordfunke als mogelijkheid dat het graf van Floris de Voogd in de veertiende eeuw niet zou zijn verplaatst naar het nieuwe koor, maar in het oude koor zou zijn achtergebleven. Daar vandaan zouden in 1566 tijdens de Beeldenstorm de kloosterlingen de dekplaat in allerijl in veiligheid hebben gebracht en hem in de nis in de Koorkerk hebben ingemetseld boven de kist met het gebeente van Willem II.23 Ik kan hier weinig anders in zien dan een hypothese pourbesoin de la cause; in de verslagen uit 1567 van de gebeurtenissen tijdens de Beeldenstorm, is van een dergelijke reddingsactie geen sprake, en ook andere bronnen, die Cordfunkes aanname ook maar enigszins zouden kunnen ondersteunen, zijn er niet.24 Bovendien correspondeert de voorgestelde gang van zaken slecht met het beeld dat het verslag van Lambrechtsen uit 1817 oproept, namelijk dat, zoals hiervoor gezegd, de kist, het skelet, de bakstenen grafruimte en de dekplaat van meet af aan één geheel hebben gevormd.25

‘Plattegrond van de grafnis met grafzerk van de Rooms koning Willem II in de Koorkerk te Middelburg’.

Johannes Hubertus Reijgers (1817).

Zeeuws Archief, Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Zelandia Illustrata, deel II, nr. 570d.

Rest dan de vraag wat er met het stoffelijk overschot van de Roomskoning is gebeurd. Net als het graf van Floris de Voogd, zal ook dat van Willem II in de eerste helft van de veertiende eeuw naar het nieuw gebouwde koor zijn overgebracht. De anonieme ‘Clerc uten Laghen Landen bi der see’ schrijft in zijn Kroniek van Holland (circa 1404-1408) dat in de kloosterkerk het gebeente van Willem ‘noch boven der aerden staet in eenre kisten zuverlic’, dus in een bovengrondse opstelling.26 De kans is echter groot dat kist en gebeente de grote brand van 22 oktober 1492, waarbij de abdij grotendeels werd verwoest, niet hebben overleefd. In die richting lijkt het opschrift te wijzen op het epitaaf van het nieuwe, een halve eeuw later (1542-1546) vervaardigde grafmonument voor Willem II en zijn vrouw Elisabeth. Volgens die tekst, overgeleverd in een afschrift uit 1559, was dat monument opgericht voor Roomskoning Willem, ‘die tengevolge van een toevallige brand opgehouden was aanwezig te zijn in de herinnering der mensen’ (‘qui [...] fortuito incendio in memoriam hominum esse desiit’). Elisabeth Dhanens trok hieruit de meest voor de hand liggende conclusie, namelijk dat de kist en het gebeente van Willem II bij de brand verloren waren gegaan.

Het nieuwe monument werd opgericht tegen de zuidwand van het koor, vermoedelijk links naast de nis waar in 1817 het graf van – zeer waarschijnlijk dus – Floris de Voogd werd aangetroffen. Nadat, zoals gezegd, het nieuwe monument in 1566 de Beeldenstorm had overleefd, werd het kort daarna grotendeels verwoest bij de kerkbrand in 1568. De restanten ervan werden later afgebroken, vermoedelijk in 1602, bij de bouw van de consistoriekamer in de apsis van de kerk.27

Overigens is het niet geheel uitgesloten dat de beenderen van de Roomskoning de brand van 1492 toch hebben doorstaan. Toen het stadsbestuur van Middelburg in 1603 besloot in de Koorkerk een nieuw grafmonument voor Willem II op te richten, meende men te weten dat diens stoffelijke resten in de kerk begraven lagen ‘onder ’t portaal’, waarmee men hoogstwaarschijnlijk doelde op het toegangsportaal van de consistoriekamer.28 Had het stadsbestuur het hier bij het rechte eind, dan houdt dit de mogelijkheid open dat direct na de brand van 1492 de resten van het gebeente van de Roomskoning ter plekke zijn begraven; dat wil zeggen, ongeveer daar waar een halve eeuw later, in 1542/1546 het nieuwe monument zou worden opgericht.

Conclusie

Concluderend: het boek van Cordfunke en Maat vormt een substantiële bijdrage aan de discussie rond het graf in de Middelburgse Koorkerk, vooral gezien de uitkomsten van het skeletonderzoek. Cordfunkes interpretatie van die uitkomsten overtuigt echter niet. Met name niet omdat de wijze waarop hij met de diverse bronnen van informatie omgaat een zweem van ‘partijdigheid’ vertoont waar het gaat om ‘de keus’ tussen Willem II en Floris de Voogd. Wat dat betreft past de ondertitel van het boek daar goed bij: Een zoektocht naar het koningsgraf in Middelburg.

Mijn zienswijze inzake de identiteit van het skelet is dan ook een andere dan die van Cordfunke: alle informatie overziend en afwegend, kom ik tot de conclusie dat het gebeente in de grafnis in de Middelburgse Koorkerk hoogstwaarschijnlijk het stoffelijk overschot is van Floris de Voogd, de jongere broer van Roomskoning Willem II.