Het is een mooi beeld: de historicus is de detective van het verleden. Bovendien wortelt het in de geschiedenis van ons metier toen, in de Griekse Oudheid, de oerbetekenis van de στωρ (histoor) die van getuige-deskundige was. De στρñκς (historikos) verzamelde bewijs en rapporteerde daarover, in beginsel klinisch, onpartijdig en met distantie. De ontwikkeling van de geschiedwetenschappen heeft ons ‘sporenonderzoek’ in toenemende mate gecompliceerd. Om het klassieke beeld te gebruiken: Kleio heeft, als muze van de geschiedenis, vele dienstmaagden gekregen; elk met hun eigen werkterrein, bronnen en instrumentarium. Een netwerk van tot zelfstandige wetenschappen uitgegroeide ‘hulpwetenschappen’ (een begrip dat ik eigenlijk verfoei; beter is nevenwetenschappen). Kleio heeft bovendien een veelvoud aan uitingsvormen en functies ontwikkeld. Het geschiedverhaal (verteld door historici, archeologen, kunsthistorici, letterkundigen et cetera) is onderdeel van het maatschappelijk debat, het krijgt of zoekt publiciteit, het bedient talloze geïnteresseerden van uiteenlopende scholing en het dient vele belangen. Als gevolg daarvan vereisen de vorm van de rapportage en de zuiverheid van de bewijsvoering meer dan ooit de aandacht, terwijl ze ook steeds meer onder druk staan.

In dit discussiedossier komt vooral een aantal aspecten hiervan bij de interactie tussen geschiedenis en archeologie aan de orde, waarbij datering en toeschrijving de kern vormen. Centraal staat een koningsgraf: dat waarin Willem II, graaf van Holland en Roomskoning, in 1282 in Middelburg zou zijn bijgezet. Erik H.P. Cordfunke publiceerde in 2013, in samenwerking met enkele anderen, een boekje over de ‘zoektocht naar het koningsgraf in Middelburg’, waarin de in januari 1256 tijdens de mislukte veldtocht ter onderwerping van de Westfriezen gesneuvelde Willem II van Holland zijn laatste rustplaats zou hebben gevonden.1 Het was zeker geen sensatiezucht of publicatiedwang die de auteurs dreef, terwijl enthousiasme een raadsel eindelijk te hebben opgelost hen uiteraard niet vreemd was. De belangrijkste drijfveer de conclusies nu op te schrijven was de overtuiging dat met moderne methoden het Middelburgse skeletmateriaal eindelijk afdoende gedateerd en geïdentificeerd kon worden, zodat een doorbraak in deze ‘cold case’ mogelijk was. Of het vertrouwen in de uitkomsten daarvan niet te groot is geweest, en wellicht tot veronachtzaming van ander ‘bewijsmateriaal’ heeft geleid, is onderwerp van discussie tussen recensent Peter Henderikx, commentator Roos van Oosten en auteur Erik H.P. Cordfunke (en George J.R. Maat).

Door een haast bizar te noemen toeval viel het onderzoek naar het Hollands-Zeeuwse koningsgraf nagenoeg samen met het ‘Looking-for-Richard-project’ dat in 2012 in Leicester werd uitgevoerd. De Engelse koning Richard III, die in 1485 sneuvelde tijdens de laatste grote veldslag van de Rozenoorlogen, kent – anders dan ‘onze’ Willem II – een enthousiaste schare wetenschappelijke ‘followers’ in de vorm van de Richard III Society, onder patronaat van de duke of Gloucester. De gang van zaken was ongeveer gelijk: op een min of meer bekende, maar in de loop van de tijd verwoeste en in vergetelheid geraakte plek werd een gebeente van een door geweld overleden man blootgelegd, waarna C14-datering en DNA-analyse de identiteit ‘met zeer grote waarschijnlijkheid’ bevestigden.2 Het vervolg is echter anders: in Leicester komt een bezoekerscentrum/museum, er zijn allerlei gelaatsreconstructies gemaakt en in de week van 22 maart 2015 was het ‘Reinterment Week’. Richard III is ‘big business’ en de koningsfascinatie wordt publicitair uitgebuit.

De PR van de wetenschap

Kritische omgang met de uitkomsten van het bronnenonderzoek, en falsificatie dan wel verificatie van een hypothese bij de inzet van bewijsmateriaal uit sterk van elkaar verschillende hoek horen in de wetenschap vanzelfsprekend te zijn. Helaas is er regelmatig sprake van een neiging, sommigen zeggen zelfs noodzaak, om ‘de vondst’, ‘de ontdekking’, de bevestiging of ontkenning van een mythe, publicitair uit te buiten. Het is tot de PR van de wetenschap gaan horen om resultaten van onderzoek uit te vergroten. Vooral in gevallen waarin onderzoek sterk afhankelijk is gemaakt van externe financiering (in het bijzonder van marktpartijen buiten de wetenschap) is het genereren van publiciteit zelfs een overlevingsstrategie. In het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw was de ophef over het goud uit andere, vermeende, ‘koningsgraven’ van Hoogebeintum en Wijnaldum het resultaat van een vermenging van publiciteitszucht, foutieve beeldvorming over de Friese samenleving van de vroege middeleeuwen en eenzijdige interpretatie van de vondsten. Maar de combinatie ‘goud’ en ‘koningen’ werkte publicitair als een magneet.3 En dus was het nog maar een kleine stap om in de eerste lettergreep van de naam Wijnaldum een verbastering te zien van de compleet legendarische ‘Friese’ koning Finn. Fantasie in een geleerd jasje. De nieuwe mythe hield geen stand, en eerst Carmiggelt en later Nicolay pasten de vondsten in een nieuwe schets van de Friese samenleving, waarin de aandacht veel meer op een rijke aristocratie kwam te liggen.4 Recent heeft de vondst van een uitzonderlijk rijkversierde schaal, uit de zesde/zevende eeuw in Oegstgeest nieuwe voeding gegeven aan de inzichten dat in de Merovingisch-Karolingische periode in de kustgebieden van Frisia Magna een rijke aristocratie heeft bestaan. Een visie die publicitair minder sensationeel, maar wetenschappelijk wel degelijk baanbrekend is, en aansluit bij de nieuwe inzichten over de elites in het binnenland.5

De vingerafdrukken van het verleden

Ruim dertig jaar geleden bracht Jan Baart, de toenmalige Amsterdamse stadsarcheoloog, het beeld van de detective wel heel raak in praktijk. In een lezing vertelde hij hoe hij een grote hoeveelheid aardewerkmateriaal uit twee Amsterdamse opgravingen aan een dactyloscopisch onderzoek had laten onderwerpen, dankzij contacten bij de Amsterdamse recherche. Het zou gaan om twee, goed dateerbare vondstcomplexen. Eén hoeveelheid scherven uit het derde tot vierde kwart van de dertiende eeuw, een andere uit het eerste tot tweede kwart van de veertiende eeuw – dus ruwweg een halve eeuw later. Baart was gefascineerd door de, aan iedere beschouwer vertrouwde, vingerafdrukken die bij het oppakken van de potten en schalen van het werkblad of de draaischijf in de nog natte klei waren achtergebleven en door het bakken waren vereeuwigd. De uitkomsten van het onderzoek waren spectaculair: de vingerafdrukken van omstreeks 1275 correspondeerden overwegend met kleine handen van vooral kinderen en wellicht vrouwen, terwijl die van omstreeks 1325 overeenkwamen met grote handen die toebehoorden aan volwassenen, vooral mannen. De conclusie lag voor de hand: in de halve eeuw tussen beide vondstcomplexen waren de sociaaleconomische structuren in Amsterdam zodanig gewijzigd, dat er een grootschalige aardewerkproductie was ontstaan en de stap van huiselijke productie naar bedrijf was gemaakt. Daarmee had de archeologie ons op het spoor gezet van een trend in het productieproces, waarvoor – zeker betreffende de stedelijke samenleving rond het begin van de veertiende eeuw geen enkele schriftelijke bron voorhanden was.

Ik was als toehoorder prettig verbluft en razend enthousiast. In die jaren was ik betrokken bij het werk van de Archeologische Begeleidingscommissie in de stad Leiden, die bij het ontbreken van een stadsarcheologische dienst aldaar probeerde om de vinger aan de pols te houden, teneinde op te kunnen treden waar door infrastructurele werken en bouwplannen het bodemarchief bedreigd zou worden.6 In enkele gevallen was het daarnaast mogelijk doelgericht, gepland en inhoudelijk voorbereid bodemonderzoek te (laten) doen.7 Ik beschouwde de Amsterdamse resultaten als een welkome ondersteuning van mijn overtuiging dat het archeologisch vondstmateriaal ook door historici serieus diende te worden genomen als informatiedragers voor belangrijkere aspecten van de verleden samenlevingen. Soms in een complementaire verhouding tot de tekstuele (narratieve en documentaire) bronnen, soms in (al dan niet ogenschijnlijke) contradictie daarmee, en vaak als unieke bron voor informatiedomeinen waarover de tekstuele bronnen zich in het geheel niet uitspreken. Het was duidelijk dat vooral in de oude stadskernen de archeologen, als de beheerders en ontsluiters van het bodemarchief een grote verantwoordelijkheid droegen. Die overtuiging koester ik nog steeds, maar gelijktijdig besef ik eens te meer dat een multidisciplinaire benadering van het verleden – waarom het in dit discussiedossier ook draait – methodologische (zelf)kritiek en compromisloze bronnenkritiek vereist. Anders loopt men het risico dat, juist bij het toepassen van bronnen en methoden uit verschillende vakgebieden binnen één onderzoek, bij verslapping van de kritiek (al dan niet uit enthousiasme over een ‘vondst’), een exponentiële vergroting van de foutenmarge ontstaat. Essentieel hierbij zijn datering en contextualisering.

Inmiddels moeten de conclusies van Baart worden genuanceerd, omdat de dateringen zijn bijgesteld waardoor het beeld van de productieomslag in Amsterdam er anders uitziet. Dat geldt ook voor een conclusie die ik zelf aan het Amsterdamse vondstmateriaal verbond. Onlangs wees de Leidse bouwhistoricus Orsel terecht op de echo’s van de aan de Amsterdamse aardewerkdateringen ‘opgehangen’ interpretatie van een daarbij gevonden Leids lakenloodje.8 Destijds had Baart betoogd dat de vondst van een omstreeks 1275 te dateren lakenloodje uit Leiden in de Amsterdamse bodem een aanwijzing vormde dat al aan het eind van het derde kwart van de dertiende eeuw de handel in Leids laken zich ontwikkelde.9 Ik nam die constatering over in 1991 en sindsdien had de vroege lakenexport een vaste plek in de Leidse geschiedschrijving gekregen. Orsel wees erop dat de herziening van de dateringen van het Amsterdamse vondstmateriaal door Gawronski cum suis10 impliceert dat het lakenloodje pas uit de periode 1300-1350 moet stammen.11 Daarmee lijkt de ‘take-off’ van de op een (vooralsnog bescheiden) Leidse lakennijverheid vooralsnog een halve eeuw later te moeten worden gedateerd, aan het eind van het eerste kwart van de veertiende eeuw waarin ook de schriftelijke bronnen gaan spreken.

Deze voorbeelden illustreren het gevaar van schuivende dateringen van archeologische bestanden. Ook laten ze zien dat complementariteit van bronnen en disciplines een schone zaak is, maar dat wederzijdse toepassing van data niet op aannames gebaseerd mag zijn. De in de bijdrage van Roos van Oosten gegeven voorbeelden zijn in dat opzicht ook sprekend.

Kleio’s dienstmaagden

Nadat de dienstmaagden van Kleio decennialang in het huis van de geschiedenis sterk gescheiden taken hebben uitgevoerd, is in de laatste jaren, deels onder de vlag van ‘interdisciplinariteit’ steeds meer sprake van (hernieuwde) interactie. Het kan daarbij gaan om projectmatige samenwerking waarbij deskundigen vanuit verschillende disciplines hun methoden en onderzoeksgegevens aan die van elkaar relateren. Maar er komen ook uiteenlopende vormen van toe-eigening voor, waarbij individuele onderzoekers in meerdere disciplines geschoold zijn, dan wel resultaten uit zuster-disciplines toevoegen aan en toepassen binnen hun onderzoekspectrum. Een belangrijke invalshoek daarbij is die van de contextualisering. De specialisten van de letterkunde, de beeldende kunsten en de kunstnijverheid zijn weer in ruime mate geïnteresseerd in de opdrachtgevers, het publiek, de consumenten van de teksten, kunstuitingen en voorwerpen die hun hoofdbronnen zijn. Archeologen hadden al van oudsher oog voor de samenleving waarvan zij de materiële sporen blootleggen en analyseren. Zij wendden zich tot de historische teksten om die samenleving te reconstrueren en – sterker dan historici in de regel doen – tot de sociologie en de antropologie om die samenleving te begrijpen. Van hun kant hebben de historici, vooral via de u-bochten van de cultuur- en de mentaliteitsgeschiedenis een hernieuwde interesse gekregen in literaire, fictionele teksten en de materiële overblijfselen in al hun vormen als informatiedragers, als getuigenissen, als vingerafdrukken van dat verleden.

Op het eerste gezicht is hierbij vooral sprake van belangrijke heuristische winst. Het historisch metier dat de obsessie van de objectiviteit achter zich heeft gelaten, ambieert (opnieuw) alle denkbare, kwantitatieve en kwalitatieve, getuigenissen van verleden samenlevingen te benutten en de verschillende gradaties van representatie op waarde geschat in de beeldvorming in te passen. Daarbij blijven de ‘ouderwetse’ bronkritische vragen van belang, met als meest kenmerkende: a. hoe is de bron te dateren, b. hebben we te maken met origineel of met een kopie naar vorm en/of inhoud, c. hebben we te maken met een falsum naar vorm en/of inhoud, d. wat is de relatie in tijd, ruimte en inhoud tussen de vervaardiger – of meer neutraal geformuleerd het ontstaan – van de bron en de informatie die in de bron besloten ligt, e. welke informatielagen bevat de bron, f. welke opzettelijke of toevallige fouten en/of generalisaties/topoi bevat de bron, g. welke ‘vertaalslag’ is nodig om de bron te ‘decoderen’, h. in welke context is de bron ontstaan en overgeleverd en in welke wordt hij thans bewaard, en in welke mate beïnvloedt de context de inhoudelijke appreciatie van de bron.12 In wezen zijn deze bronkritische vragen bij een multidisciplinaire benadering van een gelijk belang, ongeacht of we te maken hebben met tekstuele bronnen (van welke aard dan ook), met de resultaten van kunst- en nijverheidsproductie, dan wel met onder- en bovengronds aangetroffen sporen en resten.

De meeste problemen bij een benadering waarbij bronnen van zeer uiteenlopende aard en type aan elkaar gerelateerd en met elkaar geconfronteerd worden, in het bijzonder bij een interdisciplinaire benadering, lijken verband te houden met een tekort aan gelijkwaardige (toepassing van de) bronkritische vragen, in combinatie met een te groot vertrouwen in de (vermeende of verhoopte) toegevoegde waarde van een ‘nieuwe’ bron of methode. Op het raakvlak van geschiedenis en archeologie, maar ook voor de archeologie als zodanig blijkt de combinatie van algemene identificatie (typologische classificatie) en datering een belangrijke hinderpaal te zijn om te komen tot een comparatief, analytisch gebruik van het archeologisch vondstmateriaal.

Datering en technische innovaties

Voor iedere bron geldt dat we in wezen te maken hebben met twee dateringsprincipes. Enerzijds dat van de expliciete of impliciete interne datering, die staat tegenover de relatieve, relationele of contextuele datering. In het eerste geval is de datering van de (inhoud van de) bron expliciet in en door de bron gegeven, dan wel rechtstreeks van de in de bron besloten gegevens af te leiden. In de archeologie is zelden sprake van deze vorm van datering. Slechts bij archeologisch aangetroffen voorwerpen met een datering als op- of inschrift, kunnen we van expliciete datering spreken. Munten waarvan het moment van aanmunting en de circulatieperiode bekend zijn, kunnen houvast bieden. Daarnaast zouden we, dankzij de toenemende verfijning van het referentiemateriaal, de datering op basis van dendrochronologische gegevens, langzaam mogen scharen onder de impliciete, interne datering van de bron. De meeste andere dateringen worden ontleend aan de stratigrafie, dat wil zeggen de opbouw in gelaagdheid van een opgravingssite, aan de typologie of seriatie waarbij de chronologische opeenvolging van typen en typologische veranderingen in een tijdsvolgorde worden geïnterpreteerd, dan wel aan een zuiver materiële analyse met behulp van methoden uit de natuurwetenschappen worden onderworpen. De koolstof-14-methode is hiervan de oudste en meest bekende. Deze heeft in de afgelopen decennia gezelschap gekregen van onder andere het meten van de afbraak van diverse isotopen in menselijk en ander materiaal. Daardoor is de chronologische afbakening – vooral bij toepassing van elkaar aanvullende en corrigerende dateringstechnieken in de archeologie – verfijnd.

Relatief recent hebben de ontwikkelingen binnen het onderzoek van menselijke resten, en in het bijzonder het DNA-onderzoek, geleid tot een stroomversnelling in het gebruik van dit materiaal als ‘historische bron’. Sinds Dijkstra, met zijn analyse van het aan de Hollandse graven toegeschreven botmateriaal uit Rijnsburg, in 1975 en volgende jaren de historische en archeologische wereld eerst in vervoering en vervolgens in verbijstering bracht, is er veel veranderd en zijn in het bijzonder de toegepaste technieken sterk verbeterd. Toen de aanvankelijke sensatie dat de schedel van Floris V was geïdentificeerd had plaatsgemaakt voor het besef dat het om een (evenmin prettig aan zijn einde gekomen) vierhonderd jaar oudere heer ging13, was duidelijk dat er een fragiele balans was tussen de technisch-wetenschappelijke mogelijkheden en de analytische bekwaamheden van de interpretatoren van de data. De nieuwe technische hulpmiddelen hebben scherpere dateringen mogelijk gemaakt, en stellen ons in staat meer te weten te komen over de leefomstandigheden van degenen die via hun botmateriaal nog tot ons spreken. Maar nog steeds is het essentieel de verwachtingen niet te hoog te spannen.

Het Deventersysteem

Bij de datering van archeologische vondstcomplexen is, het bleek al uit het eerder gegeven Amsterdamse voorbeeld, vooral het aardewerk van belang als ‘gidsfossiel’. Het is de grote verdienste geweest van een groep archeologen, met dr. Hemmy Clevis als drijvende kracht, dat vanaf 1989 een (Dutch) Classification system for late Medieval and Postmedieval Ceramics and Glass is ontwikkeld, dat in de wandeling bekend staat als ‘het Deventersysteem’. In dit systeem worden in beginsel alle in Nederland gedane vondsten opgenomen, waarbij elk voorwerp wordt voorzien van een identificatiecode die is samengesteld uit drie facetten (baksel, functie en typenummer).14 De eerste belangrijke toepassing van deze registratiewijze kwam tien jaar later, toen het de basis vormde voor het overzichtswerk Middeleeuws gebruiksaardewerk in Nederland en het standaardwerk voor de Nederlandse ceramiekstudie, Steden in Scherven.15

Geleidelijk is er daardoor een dateringsstandaard ontwikkeld, die echter na ruim een kwart eeuw toepassing, een akelige Achilleshiel blijkt te hebben: in de dateringen van de als referentiemateriaal gebruikte vondsten zijn onnauwkeurigheden en aannames geslopen, die tot een versterking van fouten, dan wel schijnzekerheden hebben geleid. Daarnaast blijkt de typologie minstens een forse verfijning te behoeven. Pas dan kan ‘het Deventersysteem’ de verantwoorde basis bieden voor een comparatief-analytische toepassing, waarbij de objecten een onbetwistbare plaats krijgen op een tijdschaal en ook anderen dan archeologen kwantitatieve en kwalitatieve conclusies kunnen trekken uit de erin opgeslagen data. Hier ligt een mooie opgave voor de familia van Kleio.

Het koningsgraf van Willem II

Dan is er nu dit dossier met de discussie over het ‘koningsgraf’ van Roomskoning Willem II. Wat deze casus zo complex maakt, is dat het minstens de derde plaats betreft waar de stoffelijke resten van de tragisch gesneuvelde graaf – als het hem betreft – zijn bijgezet. Toen de overmoedig over het ijs op zijn paard vooruitgereden vorst door de Westfriezen was doodgeslagen, hebben dezen zijn stoffelijk overschot razendsnel verdonkeremaand. Ruim 26 jaar lag het lijk op een verborgen plek in de Westfriese bodem, totdat Willems zoon Floris V zijn resten (of minstens wat daarvoor werd aangezien) wist te bergen. Kort samengevat lijkt het probleem erg simpel: er is een graf, althans een bijzetting van een stoffelijk overschot, op een plek die hoe dan ook niet de oorspronkelijke plaats is geweest van wie van de drie personen uit het grafelijkheid van Holland dan ook die in Middelburg zijn bijgezet. Willem II, diens in 1258 op nagenoeg dezelfde leeftijd overleden broer Floris de Voogd, en Willems echtgenote Elisabeth van Brunswijk. De plaats van de bijzetting is de enige, blijkbaar met dat speciale doel vervaardigde muurnis in de Middelburgse kloosterkerk, als resultaat van de nieuwbouw/vergroting van die kerk in de eerste helft van de veertiende eeuw. Als gevolg van branden, beeldenstorm, reformatie en vergetelheid is onduidelijk wiens resten, wanneer, in de nis terecht zijn gekomen. Hetgeen rest lijkt het meest op wat in de antiekwereld een ‘mariage’ heet, een samenstel van elementen, die een logisch geheel lijken, maar eigenlijk niet bij elkaar horen.

Historische en materiële gegevens vormen in deze casus bijna karikaturaal een tweeluik, of eigenlijk een drieluik waarvan het middenpaneel ontbreekt. Het ene luik is dat van de historische bronnen betreffende het sneuvelen en uiteindelijk bijzetten van de graaf-Roomskoning; het andere luik is dat van de thans nog aanwezige, niet expliciet geïdentificeerde overblijfselen. Het denkbeeldige middenpaneel met het eigenlijke, geïdentificeerde grafmonument en kisten met de resten van drie personen is verdwenen. De achtergronden en invalshoek van de discussianten verschillen van elkaar: Cordfunke is emeritus hoogleraar Thermochemie van de vaste stof, maar al een halve eeuw zeer actief op het terrein van de archeologie en de geschiedenis van de Hollandse graven en het klooster Egmond. Bij zijn benadering speelt het vertrouwen in de technische analyse een grote rol. Henderikx is mediëvist, bij uitstek vertrouwd met de analyse van het historische bronnenmateriaal, in het bijzonder de documentaire bronnen, en vooral ook Zeeuw. Van Oosten is historica en archeologe en recent gepromoveerd op een proefschrift waarin de interactie tussen historische en archeologische bronnen essentieel is.

De sleutelrol in de bewijsvoering van Cordfunke wordt gevormd door de analyse van het botmateriaal, die niet door hem, maar door een groep erkende specialisten is uitgevoerd, waaronder G.J.R. Maat, die ook meewerkte aan de herwaardering van het botmateriaal uit Rijnsburg. Omdat het botmateriaal onomstotelijk dat van een man is, is het probleem van de toeschrijving gereduceerd tot de keuze tussen Floris de Voogd en Willem II. Cordfunke sluit zich aan bij tweede conclusie van fysisch antropoloog Maat dat een groot aantal skeletkenmerken op beide mannen van toepassing kan zijn geweest, maar dat de sporen van vochtinwerking die wijzen op langdurige begraving onder de grond slechts op Willem II kunnen wijzen. En in aansluiting daarop interpreteert hij de andere gegevens over de materiële lotgevallen van de grafplaats vanuit die aanname. Henderikx twijfelt aan Cordfunkes conclusie in het algemeen en oppert ‘dus’ dat vochtinwerking net zo goed het gebeente van Floris de Voogd kan hebben aangetast. Waar dan de skeletevidentie als doorslaggevend argument wegvalt, komt hij bijna onvermijdelijk tot een afwijkende conclusie. Van Oosten onthoudt zich van een oordeel in dezen, maar wijst op enkele andere inconsistenties, zoals de aanname dat Roomskoning Willem in de Westfriese bodem in een ijzeren kist (zonder deksel) begraven zal zijn geweest. Cordfunke oppert dat ter verklaring van het hoge ijzergehalte dat op delen van het skelet is aangetroffen.16 Van Oosten is het vooral te doen om aandacht te vragen voor een betere omgang met de contradicties. Dat die vooral kunnen ontstaan waar met zeer uiteenlopende bronnen, uit verschillende disciplines, in complementariteit wordt gewerkt, is maar al te duidelijk.

Aan de lezer het oordeel of in deze casus bij de combattanten datering en contextualisering, hypothese en conclusie voldoende gelijke tred hebben gehouden.