Naar aanleiding van de tweehonderdste verjaardag van het Koninkrijk der Nederlanden zijn de biografieën verschenen van de eerste drie koningen van de Oranjedynastie. Jeroen Koch schreef het levensverhaal van Willem I, Jeroen van Zanten dat van Willem II en Dik van der Meulen dat van Willem III. De boeken zijn samen uitgegeven en worden uitdrukkelijk als een drieluik gepresenteerd. En het is een indrukwekkend en prachtig drieluik geworden, dat noopt tot een vergelijking: tussen de biografen en hun werk, maar veel meer nog tussen de drie Willems. De auteurs hebben ongetwijfeld afspraken gemaakt en informatie en inschattingen uitgewisseld. De drie biografieën hebben een zeer gelijkaardige aanpak en thematiek, en zelfs de toon is niet zo heel verschillend. In elk geval vallen die verschillen in het niet bij de verscheidenheid, de tegenstellingen en zelfs onverenigbaarheid tussen de vader, de zoon en de kleinzoon.

Het zijn echte biografieën. Niet enkel het koningschap van de hoofdfiguren wordt beschreven, maar hun volledige leven. Willem I (1772-1843) heeft 71 jaar geleefd, waarvan hij 27 jaar regeerde (1813-1840). Willem II (1792-1849) werd 56 jaar oud en was maar 8 jaar koning. En Willem III (1817-1890) leefde 73 jaar, waarvan 41 jaar op de troon. In elk boek beslaat de tekst ongeveer 600 bladzijden: Willem I wordt koning op pagina 215 van zijn biografie, Willem II op pagina 365, Willem III op pagina 191. Er wordt dus veel aandacht besteed aan het leven van de hoofdpersonages als zij (nog) niet op de troon zitten, en aan hun persoonlijkheid en familieleven. Toch zijn het koningsbiografieën en blijft het koningschap centraal staan. Een gewoon leven hebben deze figuren nooit geleid, ze werden op hun openbare leven voorbereid. Jeugd, opvoeding en persoonlijkheid werpen een licht op wat komen zou en bieden verklaringen voor de manier waarop het ambt werd uitgeoefend en voor de fouten die daarbij werden gemaakt. Elk van de biografen duidt het persoonlijke en familiale leven van de hoofdfiguur aan als een belangrijk thema, maar heeft daarnaast toch vooral aandacht voor dynastieke en politieke kwesties. In zijn inleiding stelt Koch uitdrukkelijk dat ‘de persoonlijke, dynastieke en politieke dimensies’ van Willem I in zijn boek centraal zullen staan. Van Zanten onderscheidt vijf thema’s: het persoonlijke leven van de vorst (inclusief zijn familie en vriendschappen), de grondwet, de internationale context, de beeldvorming en ‘de ontwikkeling van het ambt, het hofleven en het nationale koningschap’. Van der Meulen kiest een wat ander uitgangspunt. Hij stelt vast dat Willem III – ‘koning Gorilla’ – een zeer slechte reputatie heeft en hij zoekt een antwoord op de vraag of die gerechtvaardigd is. Bij die zoektocht leidt hij de lezer langs dezelfde thema’s die ook zijn collega’s in hun biografieën hebben behandeld.

Het koninklijke drieluik bestrijkt een lange periode, van 1772 tot 1890, en kan als een samenhangende geschiedenis van deze lange eeuw worden gelezen. Uiteraard overlappen de drie levens gedeeltelijk. Elke Willem figureert als nevenpersonage (en meestal als antagonist) in de biografieën van de anderen. Grote cruciale momenten, als de afscheiding van België (1830) en de invoering van de liberale grondwet (1848), komen in de drie levens en dus ook in de drie boeken voor, al hebben ze daarin uiteraard niet hetzelfde gewicht. In Koning Willem I vormt 1830 de meest cruciale episode, in Koning Willem II vervult 1848 die rol. De behandelde periode was bovendien woelig en vol van verandering, onder meer wat de Nederlandse staatsinrichting en met name het koningschap betreft. De vorsten hebben lang geleefd en dus hebben ze de veranderingen aan den lijve ondervonden. Als betrokken partij moesten ze hun positie en hun ambities bepalen, en trachten de gebeurtenissen te sturen. De levens van de vader, de zoon en de kleinzoon overlapten wel, maar in het licht van de snel veranderende tijden leefden en regeerden ze toch in sterk verschillende omstandigheden. Hoe de drie koningen hiermee omgingen, welke rol hun persoonlijkheid daarbij speelde, en welke onderlinge spanningen daarvan het gevolg waren vormt de kern van het verhaal.

Een bureaucraat met macht

Willem I (Willem Frederik) groeide niet op met uitzicht op een koninklijke functie, maar als erfopvolger van de stadhouder. De functie en de positie van Willem V waren echter zeer omstreden geworden, en toen de vader overleed bestond het ambt al niet meer en was dus van opvolging geen sprake. Toen hij in 1792 aan het hoofd kwam van de dynastie, moest Willem Frederik dan ook op zoek ‘naar een nieuwe bestemming voor het Huis – naar een nieuwe militaire taak en naar een nieuw gebied om te regeren, te besturen of te hervormen’ (Koch, 73). Zolang het revolutionaire Frankrijk en daarna Napoleon de lakens uitdeelden, was er nauwelijks hoop op enig succes, maar de nakende val van de keizer opende mogelijkheden en na meer dan twintig jaar vond Willem Frederik dan toch een nieuwe bestemming als koning van Nederland en uiteindelijk van het (Verenigd) Koninkrijk der Nederlanden. Dat was een onvoorziene uitkomst, zo stelt Koch uitdrukkelijk: ‘Zelden was de historische situatie zo gecompliceerd als in de decennia rond 1800. De toekomst van de Oranjefamilie was niet minder duister dan die van de Republiek’, en dus was Willems koningschap ‘een van die volstrekt onvoorspelbare uitkomsten van meer dan vijfentwintig jaar revolutie en oorlog’ (Koch, 89 en 334).

1813 was een triomf voor Willem Frederik en een eerherstel voor de familie. Niet alleen kon hij als Willem I een koningschap opnemen, het was hem vanuit Nederland aangeboden en de grondwet van 1814 bevestigde dat de ‘Oranjes weer in de gratie waren’ (Koch, 245). Willem kreeg bovendien de kans om de vormgeving van het land naar zijn hand te zetten en koning te worden ‘op eigen voorwaarden’ (Koch, 244). Daarbij stond hem een ‘autoritair leiderschap met een constitutionele façade’ voor ogen. Hij haalde niet op alle punten zijn slag thuis, maar kreeg toch een grote macht en zou, eens aan het bewind, verder werken aan de versterking van die persoonlijke macht. De manier waarop de nieuwe koning zijn functie invulde, ziet Koch als het resultaat van de lange zoektocht naar een bestemming en ook van zijn opvoeding, die door de Verlichting was geïnspireerd en zich in een ‘ontspannen religieuze sfeer’ had voltrokken. Die wordt weerspiegeld in zijn beleid, waarbij hij de kerk vooral zag ‘als maatschappelijk nuttige organisatie’ (Koch, 28-29). Hij had ook een militaire opleiding gekregen, maar als bevelhebber mengde hij zich niet onder de troepen en vermeed hij het slagveld.

Koning Willem I was een uiterst gedisciplineerde en harde werker, zij het met een onmiskenbare voorliefde voor papierwerk. Lange dagen, van twaalf of veertien uur, bracht hij door aan zijn bureau, en daar nam hij het ene besluit na het andere, tot wel tweehonderd per dag. Uiteraard betrof dat niet alleen belangrijke zaken. Delegeren of improviseren kon hij niet, hij wilde alles zelf beslissen. De koning schreef aan één stuk door en produceerde dan ook een immense papierwinkel. Om vier uur dronk hij thee met de koningin en haar handwerkende hofdames: dat was ‘het enige moment van ontspanning tijdens de lange werkdag’ (Koch, 506). Veel meer viel niet te beleven, en de Nederlandse vorst runde, naar verluidt, ‘het saaiste hof van Europa’. Daadkrachtig en streng was hij, maar ook koppig en overtuigd van zijn eigen gelijk. Introspectie en discussie waren niet aan hem besteed. Deze ‘bureaucratische wijze van besturen’ (Koch, 377) was echter niet louter een kwestie van stijl. Het reduceren van het bestuur tot administratie was ook een manier om de bevoegdheid van de wetgever uit te hollen ten voordele van de uitvoerende macht:

Willem I bestuurde, maar hij bedreef geen politiek. In plaats van te bemiddelen tussen belangen en wensen van verschillende maatschappelijke geledingen of te proberen zijn onderdanen te winnen voor zijn plannen, legde hij hun zonder veel uitleg hervormingen op. De verlangens van zijn onderdanen drongen maar moeilijk tot hem door. Ze bereikten hem te laat, hij hield zich er doof voor of hij deed ze af als klachten van ontevreden enkelingen. Willem I regeerde dus wel, maar hij reageerde niet. (Koch, 411)

Voor de uitbreiding van zijn koninkrijk met de Zuidelijke Nederlanden had hij steun gekregen van de grote mogendheden, en het Verenigd Koninkrijk was zijn levenswerk. De Belgische Revolutie van 1830 was dan ook een enorme deceptie voor de vorst en hij voelde zich persoonlijk in zijn eer gekrenkt. Zijn houding ten aanzien van het Zuiden had echter vooral ook duidelijk gemaakt, aldus Koch, ‘hoever de koning zich, al schrijvend in zijn kabinet, verwijderd had van de wereld van zijn onderdanen’ (Koch, 429). De gebeurtenissen legden ook de beperkingen van zijn aanpak bloot. ‘Willem I, in tijden van vrede besluitvaardig en in staat doel en middelen uit elkaar te houden, raakte door de crisis verkrampt’ (Koch, 452). Hij was nu eenmaal ‘een bureaucratisch bestuurder, geen crisismanager’ (Koch, 473). Hij speelde tegelijk de militaire én de diplomatieke kaart, maar dat werkte niet. Toen oplossingen zich aandienden, waren die door de feiten al achterhaald. Na de scheiding zou hij nog jaren een politiek van volharding voeren, die niet alleen vruchteloos was, maar ook zijn populariteit in eigen land deed afnemen.

Het einde van Willem I’s koningschap was tragisch: de koning was voor zijn onderdanen een last en een hinderpaal geworden:

Vanaf nu was Willem I zelf het grootste obstakel voor de dringend noodzakelijke sanering van de overheidsfinanciën en de al veel te lang uitgestelde vernieuwing van het staatsbestel. De koning hield de natie in gijzeling. Uiteindelijk verloste een schandaal hem en de natie uit de onmogelijke situatie. Het dwong hem tot aftreden, een abdicatie waarvan niemand in zijn omgeving de juistheid of zelfs de logica ontging. Dat de vorst er zelf wellicht anders over dacht, deed er na de troonsafstand voor niemand nog toe. Eindelijk kon men aan de slag. (Koch, 515)

Het schandaal betrof het voorgenomen tweede huwelijk met Henriette d’Oultremont, een vroegere hofdame van de in 1837 overleden koningin. Zij was van (lagere) Belgische adel en katholiek. Of Willem I inderdaad om persoonlijke redenen is afgetreden of deels ook uit onvrede met een grondwetswijziging die (een zekere vorm van) ministeriële verantwoordelijkheid invoerde en het systeem zoals hij het had vormgegeven, aantastte, laat Koch in het midden. In elk geval was Willem nu een vrij man en konden Wim en Jet verder een rustig leven leiden.

In opstand tegen de vader

De spanningen tussen Willem I en Willem II vormen een rode draad in de biografieën van beiden. Het contrast tussen vader en zoon kon niet groter zijn. In de eerste plaats ging het om botsende karakters. Reeds als kind was de tegenstelling duidelijk geweest. Willem I werd door zijn leraren als overgevoelig, aanstellerig, opstandig, lui, hebzuchtig, hard, gesloten en als standsbewust beoordeeld (Koch, 32). Twintig jaar later bleek zijn zoontje op zijn beurt zacht, oprecht, openhartig en liefhebbend, fantasierijk en nieuwsgierig, maar ook met ‘weinig intellectuele capaciteiten’ en weinig volharding (Van Zanten, 36). Het ging echter niet alleen om een verschillende aard, maar ook om een periodeverschil. Willem I was een wat laattijdige verlichtingsfiguur, pragmatisch, rechtlijnig en daadkrachtig. Zijn zoon wordt door Van Zanten uitvoerig en expliciet als een romanticus getypeerd en cultuurhistorisch geduid.

Willem was van jongs af aan ontvankelijk voor deze Sturm und Drang. En hij zou dit zijn hele leven blijven. Toeval of niet, sommige van de centrale thema’s in René [van Chateaubriand] zijn ook in Willems leven terug te vinden: het zich nergens echt thuis voelen, aanhoudende rusteloosheid en zich onbegrepen voelen, liefde voor ruïnes en natuur en het met gretigheid zich overgeven aan Heim- en Fernweh. (Van Zanten, 68)

De biograaf leest in de brieven van de prins, die ‘intens, hartstochtelijk en vaak vol van tegenstrijdigheden’ zijn, hoe hij ‘worstelde met zichzelf’ (Van Zanten, 10-11). Toen hij na zijn militaire opleiding in het Britse leger diende, en soms in de voorhoede aan de zijde van Wellington vocht, maakte hij gruwelijke dingen mee. Maar zijn ‘romantische natuur en zijn drang naar avontuur maakten hem vooralsnog blind voor de realiteit van de oorlog waarin hij terecht was gekomen’, aldus Van Zanten (104). Hij

[...] stelde zich het slagveld voor als een toneel waar helden als Schill het voorbeeld gaven van moed, eer en mannelijkheid. Hij vereenzelvigde zich niet alleen met historische of levende strijders, maar ook met fictieve helden uit toneelstukken van Schiller, Goethe en Shakespeare [...]. (Van Zanten, 122)

Dit ging gepaard met een voorliefde voor middeleeuwen en ridderschap, en vormde een compensatie voor melancholie en twijfel.

De tegenstelling tussen vader en zoon resulteerde in verschillende smaken en levenswijze. Willem II hield van reizen, kunst en cultuur, maar ook en vooral van het societyleven, van feesten, bals en theater, en hij was ‘zijn hele leven een stevige sigarenroker’ (Van Zanten, 125). Na de vereniging van Noord en Zuid had hij een uitgesproken voorkeur voor Brussel, waar hij de mensen ‘veel opgewekter’ vond dan in het Noorden. Hij voelde zich er beter thuis dan in ‘het strenge Holland’ (Van Zanten, 192 en 194). De prins genoot er van het sociale leven, onderhield contacten met liberalen, vrijmetselaars en met allerhande duistere figuren. Het is geen toeval dat in de biografie van Willem II veel meer nevenfiguren voorkomen dan in die van Willem I: de zoon had vrienden. Hij hield van vrouwelijk en mannelijk schoon, en kon het flirten niet laten.

De prins wilde zich in Brussel vestigen, maar dat weigerde de vader toe te staan, onder meer omdat hij vreesde dat hij er té populair zou worden. De spanningen tussen de koning en zijn zoon werden immers ook gevoed door jaloezie. In vele opzichten waren ze rivalen. Het optreden van de prins bij Quatre-Bras en Waterloo, zijn verwonding daar en zijn bijdrage aan de nederlaag van Napoleon bezorgde hem internationaal prestige en ook een populariteit die zijn vader hem benijdde. Voor Willem II was 1815 een cruciaal moment: hij vond ‘in het heldendom zijn levensbestemming’ (Van Zanten, 233) en zou zich voortaan als oorlogsheld blijven voorstellen. Ook naar aanleiding van de Belgische Revolutie werd de rivaliteit duidelijk. Toen de administratieve scheiding als mogelijke oplossing op tafel kwam, heeft de kroonprins geprobeerd zichzelf als koning van België op te werpen. En in de onderhandeling heeft hij in feite de eisen van de opstandelingen erkend – tot grote woede van zijn vader. De verstoorde verhoudingen verklaren ook de keuzes die Willem II later als vorst maakte. In alles wilde hij het tegenbeeld van zijn voorganger zijn. Hij wilde een einde maken aan de ‘staatsvoogdij’ van zijn vader en was op vele punten liberaler.

Aanvankelijk lag de nieuwe Willem goed bij het volk, dat ‘reikhalsde niet alleen naar een nieuw gezicht op de troon, maar ook naar een ander koningschap’ (Van Zanten, 367). Anders dan zijn vader stak Willem II zijn energie niet in audiënties, maar trok hij zelf het land in, met feestelijke blijde intredes, zodat hij meteen afstand nam ‘van de sobere, instrumentele en doelmatige ambtsinvulling van zijn vader’ (Van Zanten, 379). Toch zou ook hij geen groot of langdurig draagvlak verwerven. Zijn aanvankelijke populariteit was vooral het gevolg van de opluchting van de autoritaire Willem I af te zijn, maar op eigen kracht vond de nieuwe koning weinig aansluiting en begrip. De verwachtingen die zijn aantreden bij de liberalen had gewekt, maakte hij niet waar. Ook als koning bleef hij impulsief en wispelturig, en, zo stelt Van Zanten, ‘het ontbrak hem simpelweg aan discipline en concentratievermogen’ (Van Zanten, 407). Bovendien bleken er grenzen aan zijn liberalisme te zijn. Hij bemoeide zich met minder, maar als het erop aan kwam, wilde hij toch nog altijd zelf beslissen.

Wat voor Willem I 1830 was, was voor zijn opvolger 1848. Toen de grote hervorming van het staatsbestel onder leiding van Thorbecke zich aandiende, werd de koning behoudsgezinder. Van Zanten schrijft die houding toe aan de vrees voor verdeeldheid (en deels ook aan buitenlandse druk), niet aan een principieel conservatisme. Toch leek ‘na vier jaar koningschap Willems argwaan jegens revolutie- en vernieuwingsbewegingen het gewonnen te hebben van zijn vooruitstrevendheid’ (Van Zanten, 474). Onder druk van de revoluties in Parijs en daarna in Duitsland werd het Nederlandse debat door de geschiedenis ingehaald. Willem II trachtte zijn populariteit te herwinnen door de zaken in handen te leggen van wat de tegenstanders ‘extrème gauche’ noemden: in de handen namelijk van Thorbecke en Donker Curtius. Zoals bekend – het is het element dat bij het verschijnen van deze biografie door de landelijke media werd opgepikt (en uitvergroot) – heeft Van Zanten aan het licht gebracht dat Willem II juist in deze periode (en niet voor het eerst) werd gechanteerd door mensen die op de hoogte waren van een vroegere homoseksuele relatie. ‘Dat Willem vanwege zijn seksualiteit chantabel was, lijkt dus een rol te hebben gespeeld bij de grondwetsherziening van 1848’, aldus de biograaf, al zegt hij daarmee niet dat dit de enige of ultieme verklaring is. Willems aanvaarding van de liberale hervorming is veeleer het resultaat van een veelheid aan factoren, zoals zijn ‘zucht naar populariteit en zijn ervaring in Brussel in september 1830’ en ‘zijn (vroegere) sympathie voor het liberalisme, zijn soldatentrots, zijn slechte gezondheid, het reële revolutiegevaar’ (Van Zanten, 544).

Een driftkop met een kleine rol

De geschiedenis van de Oranjedynastie kent zijn constanten en herhalingen. Elke oudste zoon kwam in conflict met zijn vader. Ook Willem II stond niet op goede voet met zijn erfopvolger. Dat hij de hervorming had geaccepteerd, kon absoluut niet op instemming van de kroonprins rekenen. In zijn ogen had de koning ‘verblind door revolutievrees, het koningschap verkwanseld’ (Van der Meulen, 625). Een vorst diende standvastig als een rots te zijn en dat was Willem II in de ogen van zijn zoon absoluut niet geweest. De opvattingen van de prins waren onmiskenbaar conservatiever dan die van zijn vader, en hij weigerde dan ook de nieuwe staatsregeling te aanvaarden. Hij maakte zelfs het besluit kenbaar dat hij afstand deed van zijn rechten op de troon (en wilde zich in Parijs vestigen). De koning heeft op hem ingepraat, aanvankelijk zonder succes, maar uiteindelijk moest de prins begrijpen dat verzaken aan de troon feitelijk geen optie was. Willem II stierf korte tijd later en de zoon kwam voor meer dan vier decennia op de troon.

Anders dan bij zijn vader werd naar het aantreden van Willem III niét reikhalzend uitgekeken.

In bijna alle gedenkschriften, hoezeer ook bedoeld om de nieuwe koning te eren, klonk weemoed door, een onvervulbaar verlangen naar de vorige. De melancholie werd, zo is de indruk, mede ingegeven door de sombere voorgevoelens over de Heldenzoon, die op zaterdag 12 mei zou worden ingehuldigd (Van der Meulen, 217).

Er gingen geruchten en de insiders wisten dat zij niet ongegrond waren. Ook de derde Willem was ten prooi aan stemmingswisselingen en rusteloosheid, maar in zijn geval kunnen deze niet worden toegeschreven aan romantische bevlogen- of gevoeligheid, of aan de invloed van Goethe of Chateaubriand. ‘Het is niet eens bekend óf hij wel eens een boek ter hand nam’, aldus zijn biograaf (Van der Meulen, 113). De vorst leefde een ongelukkig huwelijk met zijn nicht Sophie van Württemberg, en het beeld dat zij van haar man heeft geschetst, is inktzwart. ‘Het is mij volkomen duidelijk dat hij niet de volledige beschikking over zijn verstandelijke vermogens heeft’, zo schrijft ze in een brief. ‘Zijn verstand is slechts in bepaald opzicht ontwikkeld en laat hem zonder een duidelijk aanwijsbare reden in de steek. Hij heeft een scherp waarnemingsvermogen, maar het is hem onmogelijk een logische redenering te volgen’. En ze heeft het ook over ‘aanvallen van razernij en gewelddadigheid’ die periodiek zijn, ‘zij komen vooral op in de maanden februari, juli en augustus’. En nog: ‘aan moreel besef ontbreekt het hem totaal’, hij was ‘een geestelijk gestoord mens’, een ‘onberekenbaar mengsel van absurditeit, onmenselijkheid en dwaasheid’ (citaten in Van der Meulen, 115 en 139). De ongelukkige Sophie is uiteraard geen neutrale bron, maar dat de koning opvliegend, driftig en gewelddadig kon zijn, werd ook door anderen vastgesteld.

Toch leek het met zijn koningschap aanvankelijk nog mee te vallen. Willem III was een indrukwekkende verschijning en hij deed zijn best om zijn officiële verplichtingen, ook al waren er dat niet veel, nauwgezet te vervullen. Hij werkte hard en de stukken getuigen van zijn betrokkenheid. Dat betekent echter niet dat hij zich met de nieuwe grondwet had verzoend. Hij leed nog steeds aan ‘constitutionele allergie’, maar ervoer tegelijk dat hij als koning wel degelijk ‘daadwerkelijke zeggenschap’ had en dat men rekening met hem diende te houden (Van der Meulen, 229). Toch kwam het met grote regelmaat tot confrontaties tussen de koning en de opeenvolgende kabinetten. Van der Meulen beschrijft prachtig (en ironisch) het patroon dat zich daarbij aftekende:

Het begon met een regeringsvoornemen waarin hij naar zijn overtuiging onvoldoende was gekend. Gevolg: een koninklijke woedeaanval, die tot protesten leidde van de ministers. Waarna hij zich weliswaar met kracht verweerde tegen alle beschuldigingen, maar tegelijk toch toegaf dat hij zich te veel had laten gaan – en zich ten slotte neerlegde bij het besluit van de ministers. (Van der Meulen, 245)

Ook familiaal kende Willem III veel problemen. Met Sophie leefde hij gescheiden van tafel en bed, maar dat bleef voor de buitenwereld behoorlijk geheim. Zoals gebruikelijk boterde het evenmin tussen de koning en zijn oudste zoon. Die Willem – Wiwill genoemd – is één van de meest kleurrijke personages in de hele trilogie. Hij leidde een ongeregeld leven in Parijs, verkeerde daar meestal ‘in het gezelschap van een of meer vrouwen, en nooit dezelfde’, en van slechte vrienden (Van der Meulen, 513). Hij was niet van plan naar Nederland terug te keren en dat heeft hij ook niet gedaan; hij is in 1879 in Parijs overleden. De tweede zoon is als kind gestorven, en de derde, Alexander, ‘had een zwak gestel en leek aan trouwen niet te denken, laat staan aan regeren’ (Van der Meulen, 523). Dat wil zeggen dat zich een opvolgingskwestie stelde. Na de dood van Sophie huwde de koning een tweede keer, met Emma van Waldeck, bij wie hij een dochtertje kreeg. De koning was gelukkig en ‘toonde zich volstrekt niet teleurgesteld toen de baby een meisje bleek te zijn’ (Van der Meulen, 592). Het ging, zoals bekend, om de latere koningin Wilhelmina. Moeder en dochter zorgden voor gelukkige momenten, tussen de driftbuien door. Toen Willem III in 1890 stierf, kreeg hij een weinig waardige begrafenis. De doodskist werd, zo berichtten de kranten, ‘als een piano versjouwd’ (Van der Meulen, 618).

De tragiek van afnemend belang

De drie biografen vertellen uitgebreid en met veel verve, oog voor detail en treffende citaten, het leven van de drie Willems. Evenzeer willen ze de personages en hun koningschap inschatten en beoordelen. (Ik heb de indruk dat dit tot de opdracht behoorde.) Op het einde van zijn boek stelt Van Zanten expliciet de vraag of Willem II ‘een goede koning’ is geweest. Toch voegt hij er meteen aan toe dat het ‘haast onmogelijk’ is om op deze vraag ‘een ondubbelzinnig antwoord te geven’. Gaat het over de persoon of over de vorst? ‘Koning en persoon vallen nooit helemaal samen’, meer nog, ze ‘zitten elkaar dikwijls in de weg’ (Van Zanten, 589). Veel meer dan om een moreel oordeel gaat het om een inschatting van politieke en historische verantwoordelijkheid. In overeenstemming met de gevoeligheden van het actuele onderzoek én de natuurlijke neiging van biografen, laten de auteurs zich niet op determinisme betrappen. Expliciet benadrukken ze dat het verloop van de gebeurtenissen onvoorzien en onvoorspelbaar was. Dat impliceert dat verklaringen voor dat verloop elders moeten worden gezocht en dat de verantwoordelijkheid ten minste gedeeltelijk ook bij individuele historische figuren wordt gelegd. In welke mate de persoonlijkheid en de opvattingen van de drie Willems, hun humeuren en onderlinge spanningen en meningsverschillen, de loop van de Nederlandse geschiedenis en de aard van het politiek stelsel hebben bepaald, is een vraag die in elk van deze boeken aan de orde is. Het succes van een bewind is dan afhankelijk van de mate waarin de betreffende vorst zich wist aan te passen en de juiste koning op het juiste moment was.

Koch heeft geen hoge dunk van Willem I’s politieke talent. Hij was een koning-kruidenier, die ‘als een ware burgerkoning deelde in de deugden en de ondeugden van de ondernemende middenklasse’; ‘het onderscheid tussen heersen, regeren en besturen’ was aan hem niet besteed en ‘het ontbrak hem aan gevoel voor de politieke verhoudingen’ (Koch, 572). Evenzeer ontbeerde hij charisma en natuurlijk gezag. Alles wat hij daar tegenover kon stellen waren ‘een verbijsterende wilskracht en een enorm plichtsbesef’, maar de koning heeft zijn successen toch vooral te danken aan ‘onvoorstelbaar veel geluk’ en ‘de wisselvalligheden van het lot’ (Koch, 577). Ook de andere biografen lijken de rol en de impact van de vorsten op de historische evolutie en staatsvorming vooral niet te willen overschatten. Van Zanten formuleert uitdrukkelijk een positief eindoordeel over Willem II’s bewind, maar hij geeft aan het koningschap meteen ook een bescheiden betekenis: ‘Bij zijn dood liet Willem Nederland dan ook in velerlei opzichten opgeruimder achter dan hij het in 1840 bij zijn troonsbestijging had aangetroffen. Kan en mag er van een koning meer worden verwacht?’ (Van Zanten, 594).

Onder het lange bewind van Willem III is er in Nederland zeer veel veranderd, en ten goede: op het vlak van onderwijs, industrialisatie, modernisering op vele vlakken, de doorbraak van het parlementaire stelsel. De bijdrage van de koning daaraan is echter gering geweest, aldus Van der Meulen. Op de vraag wat Willem III nu eigenlijk heeft nagestreefd, kan hij na zeshonderd pagina’s geen duidelijk antwoord geven. ‘Hij wilde meer zeggenschap, ongetwijfeld, maar in de praktijk deed hij weinig om de veranderingen te stoppen. Daarvoor ontbrak het hem aan doorzettingsvermogen en geduld. In het algemeen was zijn aandacht voor een onderwerp van voorbijgaande aard, of het nu om staatszaken ging of om landbouw, spoorwegen, muziek, beeldende kunst, geldzaken en politiek’. Zijn grote bijdrage ligt in wat hij niet heeft gekund. ‘Misschien had hij een heerser willen zijn, zoals zijn grootvader, of een oorlogsheld, zoals zijn vader. Zijn lot was dat hij geen van beide kon worden, maar dit was dan ook zijn redding. Willems voornaamste staatkundige verdienste was de eerste Nederlandse koning te zijn in een land dat door anderen werd bestuurd’ (Van der Meulen, 628). De persoonlijkheid van de koning is uitgespeeld. Op 20 maart 1849 schreef De Arnhemse Courant: ‘Of de Koning Willem II of Willem III heet, is onder de constitutioneele monarchie, onverschillig. De optreding van een nieuw individu verandert in de stand van zaken niets’ (citaat in Van Zanten, 579-580).

Koning Willem-Alexander neemt in De Nieuwe Kerk te Amsterdam de biografieën over de Nederlandse koningen Willem I, Willem II en Willem III in ontvangst (29 november 2013).

Fotograaf Sander Stoepker, Prins Bernhard Cultuurfonds.

Het verhaal dat in deze boeken wordt verteld, is er onmiskenbaar één van afnemende koninklijke macht. Ongezien of specifiek Nederlands is die evolutie natuurlijk niet. Meer landen in West-Europa maakten in de negentiende eeuw een (vaak traag en niet altijd rechtlijnig) proces van liberalisering en democratisering door, waarbij moderne grondwetten, de toenemende verantwoordelijkheid van de volksvertegenwoordiging, de uitbreiding van het kiesrecht en de vorming van politieke partijen hebben geleid tot een beperking van de vorstelijke rol en macht. Op de vraag in welke mate buitenlandse ontwikkelingen deze evolutie in Nederland hebben bepaald, en wat dan precies de specificiteit van de Nederlandse variant op meer algemene ontwikkelingen is geweest, biedt deze trilogie maar in beperkte mate een antwoord. Daarvoor blijft het transnationale perspectief, dat zich in een biografische aanpak ook niet meteen opdringt, te beperkt. De geschiedenis van de drie Willems wordt hier vooral als een intern Nederlands verhaal verteld en geduid. Dat betekent niet dat het buitenland en de Europese context afwezig zijn. Zij duiken wel degelijk op, als zij daadwerkelijk in het leven van de vorsten een rol gingen spelen. Zeker bij Willem I en in wat mindere mate bij Willem II was dat het geval. In de lange periodes dat zij nog niet op de troon zaten, verbleven zij vaak in het buitenland en zochten daar contacten en inspiratie. Willem I, zo laat Koch uitgebreid en overtuigend zien, zocht een plaats op het Europese toneel en keek daarvoor niet alleen naar Nederland. De familie behoorde tot de Europese adel en royalty en was daarmee innig verbonden. Maar de focus blijft steeds op de Willems en de familie gericht. En dat geldt ook voor de kritiek. De vraag naar de verantwoordelijkheid van de koningen verduistert enigszins die van andere spelers. De biografen staan kritisch ten aanzien van hun hoofdfiguren, maar Nederland zelf komt onaangeroerd uit het verhaal.

Meer dan over de evolutie van het koningschap zelf of hoe die verklaard kan worden, gaat de Willemtrilogie over hoe de drie vorsten hun functie wilden invullen, in welke mate ze erin zijn geslaagd hun betrachtingen waar te maken en hoe ze met de veranderende (en vaak tegenwerkende) omstandigheden omgingen. Het is de kloof tussen de ambities en de beperkingen, tussen de verzuchtingen en de realiteit, die van deze levensverhalen een tragische geschiedenis maakt. Het geldt voor elk van de drie Willems. De eerste groeide op met het verlies van het stadhouderschap, kende het succes van een nieuwe bestemming, maar zag zijn grote project mislukken en eindigde zijn leven in overbodigheid en ‘als rigide autocraat weggehoond’ (Van Zanten, 591). De meest tragische was wellicht de tweede Willem. Toen zijn vader het koningschap veroverde, wilde hij geen troonopvolger zijn. ‘Hij prefereerde een onbestemd leven boven een voorbestemd leven’, aldus Van Zanten (167). Later nam hij toch zijn functie op, maar hij besefte zelf dat hij de ‘bestuurlijke capaciteiten’ van zijn vader ontbeerde ‘en grote moeite had om de politieke urgentie het hoofd te bieden’. ‘Het contrast tussen Willems teleurstelling en de voortvarendheid waarmee hij aan zijn regering begon, kon haast niet groter zijn’ (Van Zanten, 399 en 401). En dan Willem III, die geen koning wilde worden vlak voor hij het werd, onvrede had met zijn functie en strijd leverde, maar zo goed als altijd verloor. Allen probeerden ze de geschiedenis naar hun hand te zetten, maar deden ze dat grotendeels tevergeefs.

Tragiek is de eigenschap van een verhaal, niet van de geschiedenis. Is deze tragiek van de drie Willems niet vooral een vinding of verdichting van de biografen? Het lijkt me duidelijk dat zij – zoals hun lezers – door deze tragiek gecharmeerd werden en haar hebben ingezet om de levensverhalen schoonheid, emotie en herkenbaarheid te verlenen. De tragiek maakt bovendien het moralisme irrelevant. Een tragisch mens is goed noch slecht. Hij wekt sympathie en vraagt identificatie. Dat de biografen zich van een eenduidig oordeel onthouden, impliceert dan ook niet dat zij hun sympathie en/of antipathie moeten sparen of verbergen. Dat doén ze ook niet. In Kochs karakterisering van Willem I klinkt niet veel genegenheid door: de koning was achterdochtig, had behoefte aan volledige controle, duldde geen tegenspraak en was overtuigd van zijn eigen gelijk. Desnoods tegen beter weten in: zijn optimisme was, volgens de bekende definitie uit Voltaires Candide, ‘die waanzinnige koppigheid waarmee je maar blijft volhouden dat alles goed is als het slecht gaat’ (Koch, 87). Ook Van der Meulen loopt niet hoog op met de held van zijn boek. Als hij aan het slot dan toch een antwoord moet geven op de vraag of de penibele reputatie van Willem III nu al of niet terecht is – dat heeft hij immers beloofd – dan komt hij tot de conclusie dat zij... welja... terecht is. Natuurlijk, de clichés die over ‘koning Gorilla’ zijn verspreid, zijn clichés, doorspekt met leugens en verdachtmakingen, kwaadwillig in het leven geroepen en rondgestrooid. Maar voor dat bekende beeld is er eigenlijk geen alternatief. ‘Willem wás opvliegend en wispelturig’, zo moet de biograaf toegeven (Van der Meulen, 623). En een vergoelijking, die erin zou kunnen bestaan dat temperament toe te schrijven (zoals wel eens is gebeurd) aan zijn ‘Russisch bloed’ of aan drankzucht, is weinig overtuigend. Willem III was het eigenlijk niet eens waard koning te zijn, zo suggereert Van der Meulen zelfs. Dat hij het zo lang op de troon heeft uitgehouden, dankt hij slechts aan de omstandigheden:

Zijn slechte eigenschappen – drift, jaloezie, rancune, wreedheid tegenover mens en dier, seksuele ongeremdheid – zouden hem in normale omstandigheden vermoedelijk ten val hebben gebracht. Maar de omstandigheden waren niet normaal. Een koning mocht niet vallen, zoals iedereen in zijn omgeving begreep. En dus bleef hij overeind, min of meer, ondanks de verontwaardiging die zijn gedrag teweegbracht. (Van der Meulen, 627)

Dan heeft Van Zanten duidelijk veel meer sympathie voor zijn Willem II. Zoals gezegd antwoordt hij niet rechtuit op de vraag of hij een goede koning was. Dat is begrijpelijk: als een ‘goed koning’ kan Willem II bezwaarlijk worden betiteld, en als een ‘goed mens’ eigenlijk ook niet. Maar de biograaf laat toch niet na uitdrukkelijk zijn verdediging op te nemen. Toegegeven, Willem II had zijn fouten en zwakheden, maar hij heeft ‘ook bewezen een groot hart te hebben en oprecht begaan te zijn met zijn onderdanen’. Toegegeven, hij had een neiging zich met duistere figuren en duistere zaakjes in te laten, maar die was ten minste gedeeltelijk ingegeven door ‘zijn behoefte aan vriendschap en intimiteit. Zijn seksuele verlangens zorgden ervoor dat hij regelmatig in een schaduwwereld terechtkwam en zichzelf blootstelde aan intimidatie en chantage’. Van Zanten schetst hem als een ietwat romaneske figuur, die tot de verbeelding spreekt, en ‘als zoekend en onzeker mens onze sympathie verdient’ (Van Zanten, 951-952). Zijn twijfels en tekortkomingen zullen bij de lezer van vandaag inderdaad op meer begrip kunnen rekenen dan de starre gelijkhebberigheid van zijn vader en de brute opvliegendheid van zijn zoon. En de middelste Willem was minder autoritair en minder conservatief dan de anderen. Kaarten op tafel: ja, ook mijn voorliefde gaat uit naar Willem II.