Verjaardag van de monarchie?

Met een historische manifestatie op het strand van Scheveningen1 startte op 30 november 2013 het tweejarige jubileumprogramma 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden: ‘Nederland is jarig. 200 jaar! Vrij en verbonden door gelijke rechten en plichten. Laten we dat samen vieren’.2 Eind september 2015 werden de ‘nationale evenementen’ afgesloten rond de thema’s ‘eenheid in verscheidenheid’ en ‘actief burgerschap’. Opvallend is dat het jubileum als een staatsjubileum werd gepresenteerd. Anderzijds hing er over de vieringen onmiskenbaar een ‘Oranjegloed’ om te beginnen met de inhuldiging van de nieuwe koning die als officieus startschot van de vieringen fungeerde. In 2013 was er ook in België een troonswisseling. De keuze voor het ‘Oranjejaar’ 1813 blijft veelzeggend. 1815 is immers ook voor het huidige België en Luxemburg, de relevante staatkundige cesuur. Er was kortom een dubbele agenda: in 2013 werd in Nederland óók 200 jaar ‘monarchie’ in enge zin herdacht: ‘geen 200 jaar koninkrijk, maar 200 jaar onafgebroken koninkrijk met Oranjes op de troon’.3

Al deze jubilea genereerden – ook al in de aanloop – een stroom van wetenschappelijke en populaire publicaties over monarchie en vorstenhuis. Niet alleen de veelheid aan publicaties is opvallend, maar ook de disparate verscheidenheid aan genres in de ‘monarchieliteratuur’. De monarchie is namelijk een populair genre op zichzelf, maar ook een trendy wetenschappelijk studie-object. Daartussen zit een verscheidenheid aan semi-populaire en journalistieke genres. In het navolgende zal aangeduid worden wat deze genres van overzichtswerk, staatsrechtelijke literatuur, wetenschappelijk artikel, biografische vormen zoals de koningsbiografie en de vie romancée, het politieke essay, Tendenzliteratur tot populaire monarchieliteratuur kenmerkt, en tevens worden nagegaan wat het begrip ‘genre’ inhoudt voor het huidige monarchiediscours. De te bespreken waaier aan ‘publicatieformats’ roept natuurlijk de vraag op of de communicerende vaten van (natie)staat en (constitutionele) monarchie, die de herdenking van 2013 haar hybride karakter gaven, de oorzaak zijn van deze bonte verscheidenheid. Tenslotte, wat levert de bestudering van de genres met andere woorden op aan inzichten over deze twee onderwerpen?

De aankomst van de Prins van Oranje op het strand van Scheveningen (30 november 1813).

Cornelis van Cuylenburg (II, 1758-1827), olieverf op paneel.

Koninklijke Verzamelingen (Koninklijk Huisarchief Den Haag).

Genres in de huidige monarchieliteratuur

Hoe om te gaan met een onoverzichtelijke productie aan teksten over de monarchie, in soort uiteenlopend van wetenschappelijke artikelen tot royalty-bladen? Marc Angenot onderzocht in zijn paradigmatische studie 1889: Un état du discours social zowat alles wat in Frankrijk gepubliceerd werd in één jaar: sterk uiteenlopende tekstsoorten zoals romans, kranten of posters. Hij verbond in zijn analyse wisselende wetenschappelijke en literaire discoursen met populaire cultuur. Belangrijk is zijn rubricering in verschillende, soms tegenstrijdige tekstvormen en genres. Deze multiperspectiviteit heeft voor dit artikel als richtsnoer gediend bij de studie van de gelaagdheid van het monarchiediscours.4 In de historiografie is de genregeschiedenis relevant: het onderzoek naar vormgebonden tekstualiteit van historische ‘literatuur’ en de gedachte dat geschiedschrijving zich ontwikkelt in een beperkt repertoire van structurerende betoogvormen. Traditionele en nieuwe genres kunnen naast elkaar blijven bestaan en elkaar overlappen.5

De nieuwe aandacht voor de koningsbiografie volgt de eerdere renaissance van de politieke biografie in de laatste decennia. De biografie is nu het dominante genre in de historiografie van de monarchie, en daarmee is er sprake van een grote inhaalslag. Maria Grever hield recent een pleidooi voor het genre van de vorstenbiografie en het belang ervan voor de geschiedenis van de politieke cultuur in een besprekingsartikel in het Tijdschrift voor Geschiedenis.6 Tot voor kort waren er ernstige hiaten, zoals het ontbreken van wetenschappelijke biografieën van de negentiende-eeuwse Nederlandse koningen en van de eerste Belgische koning. Alle inherente problemen van dit genre worden in de ‘koningsbiografieën’ acuut: hoe te onderscheiden tussen de persoon van de monarch en het instituut van de monarchie én tussen de geschiedenis van de staat of van de dynastie? Naast geschiedwetenschappelijke biografieën is er een grote productie van journalistieke en populariserende biografische ‘portretten’.

Overzichtswerken over dé geschiedenis van de Nederlandse of Belgische monarchie zijn er maar beperkt. Talrijk daarentegen zijn de publicaties die als politiek(historisch) essay te benoemen zijn of Tendenzliteratur met uitgesproken partijschap vóór of tegen de huidige staatsvorm van de constitutionele monarchie. Hier zijn ook de interessantste verschillen tussen België en Nederland te vinden. In de monarchieliteratuur is de historische monografie – met een groot publieksbereik – overheersend. Binnen het ‘genre’ van het wetenschappelijke artikel zijn recensie-artikelen, en dan met name weer van vorstenbiografieën, sterk vertegenwoordigd. Bij de wetenschappelijke literatuur vormen staatsrechtelijke en staatsrechtshistorische publicaties uiteraard een aparte categorie. Internetpublicaties over de monarchie kunnen zeer divers zijn, hier worden enkel de officiële websites van het Belgische en Nederlandse koninklijk huis vermeld, als niet onbelangrijke bron van de zelfpresentatie van de monarchie met bijvoorbeeld actuele overzichten van toespraken en een agendaoverzicht.7 Een apart genre vormen populaire monarchiebladen zoals Vorsten en Royalty.

Algemene overzichtswerken

Opvallend is hoe relatief weinig overzichtspublicaties er zijn over dé geschiedenis van de monarchie in Nederland of België. Recent is een encyclopedisch naslagwerk van Tim Trachet verschenen: Alles over de monarchie. Van Leopold I tot prinses Mathilde, waarin handige lemmata staan als de ‘Kroon ontbloten’ – het in de openbaarheid komen van een uitspraak of daad van de koning zonder dekking van de ministeriële verantwoordelijkheid, en vele faits divers van de Belgische monarchie.8

De belangrijkste recente wetenschappelijke overzichtspublicatie over de monarchie in België is de studie van Herman Van Goethem, Belgium and the Monarchy: From National Independence to National Disintegration.9 Het is een bewerking van een eerdere Nederlandstalige publicatie waarover een polemiek over de rol en betekenis van Albert I (1909-1934) in de taalkwestie en de Vlaamse beweging werd gevoerd in Wetenschappelijke Tijdingen.10 Lode Wils en Van Goethem staan lijnrecht tegenover elkaar in de beoordeling van de ontogenese van de ‘ideologische barst van België’ en de waardering van de rol van de Belgische koningen daarbij. Van Goethem neemt expliciet afstand van het ‘aan de schandpaal’ nagelen van Albert I door Lode Wils. Hij ziet als belangrijkste cesuur de invoering van het algemeen meervoudig kiesrecht in 1893 en daarmee – teleologisch – de nieuwe politieke mondigheid van ‘Fransonkundige Vlamingen’ (i.e. in tegenstelling tot de tweetalige Vlaamse elite) uitmonden in het toenemende taal- én staatkundige schisma van het land.11 Lode Wils daarentegen ziet de periode 1918-1923 als ‘point of no return’ in de toenemende breuk tussen Vlaanderen en België en waardeert de rol van Albert I als cruciaal in de frustratie en vernedering van de Vlaamse beweging na de Eerste Wereldoorlog.12

Van Goethems Belgium and the Monarchy is de eerste publicatie in het Engels over de voorgeschiedenis van de ‘desintegratie’ van België, maar is het wel een studie over de Belgische monarchie als instituut per se? Er is in de nieuwste onderzoeksliteratuur geen beter voorbeeld van de studie van de complexe, onontwarbare verhouding tussen natiestaat en moderne monarchie. Vanaf 1830 wordt de rol van een hoofdrolspeler, de monarch van België, in de context van de taalstrijd belicht: het perspectief vormen de actuele, existentiële vragen van federalisme, confederalisme of opsplitsing van de Belgische staat. De analyse betreft niet een pars pro toto – de monarchie symboliseert de geschiedenis van de staat – maar eerder omgekeerd, welke ondergeschikte speelruimte was nog mogelijk voor het staatshoofd in de complexe ontwikkeling van het koninkrijk België. Die rol was in de liberale modelconstitutie van het nieuwe koninkrijk in 1830 al niet groot en nam verder af. Maar er is wel een paradox: juist als teken van de continuïteit van de Belgische natie groeide het symbolische kapitaal van de monarchie, maar tegelijkertijd werd daarmee de monarchie zelf onderwerp van debat. Het persisteren van de monarchie als een van de laatste schakels van de eenheidsstaat (naast Brussel) geeft een dramatische spanning aan de Belgische monarchie vanaf Boudewijn. De resterende constitutionele betekenis van het staatshoofd tijdens het formeren van kabinetten blijkt opeens een existentiële opgave voor het voorbestaan van de staat. Het is geen optimistisch boek, niet over België en ook niet over de Belgische monarchie. De geschiedenis van de spanning en strijd van de taalkwestie volgt de hoofdstukken rond de regeerperioden van de Belgische koningen. Hier is ook de verbintenis met de voorgeschiedenis van België, het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden relevant. De taalpolitiek van Willem I en zijn bevordering van het Nederlands – in 1823 werd de regel van het Nederlands als enige ambtstaal in Vlaanderen gecodificeerd – wierp schaduwen. De nieuwe constitutie van 1830 bepaalde taalvrijheid, maar in de praktijk werd het Frans in het lokale bestuur en de rechtspraak in Vlaanderen weer geïntroduceerd. Leopold I (1831-1865), een meertalige, kosmopolitische Duitse prins, balanceerde al tussen de taalfronten. Zijn poging om zijn kinderen Nederlands te leren mislukten geheel, maar hij sprak zich bij gelegenheid positief uit over de eerste formatie van de Vlaamse beweging, vaak in tegenstelling tot zijn ministers. De tweetaligheid van België werd ook door hem als een argument tegen de Franse annexatie-ideeën ingebracht.

Zijn opvolger Leopold II (1865-1909) probeerde de taalkwestie in Vlaanderen echter zoveel mogelijk te negeren. Hij was ronduit bot tegenover Vlaamse petities en zelfs negatief13 over de zogenaamde Gelijkheidswet (1898), de zeer late gelijkstelling van het Nederlands in wetgeving en officiële bekendmakingen. Voor deze wet was Frans de enige taal van de wetgeving, en had het Nederlands geen rechtskracht. Complex was de positie van Albert I (1909-1934). Hij was volgens Van Goethem meer verzoenend ten opzichte van de Vlaamse beweging dan zijn voorganger. Maar was het glas half vol of half leeg? Lode Wils daarentegen benadrukt een ander aspect, namelijk het verzet van deze koning tegen de ééntaligheid van Vlaanderen en komt zo tot zijn negatieve beoordeling.14 Hoe dan ook, de Flamenpolitik van de Duitse bezetter had grote gevolgen. De harde repressie van veel Flamiganten na de Eerste Wereldoorlog leidde tot een radicalisering van de Vlaamse beweging en een nieuw anti-royalistisch element in het Vlaams ‘nationaal’ denken. Van Goethem wijst er op dat er sinds Albert I één constante was in het denken van de Belgische koningen: het behoud van – enige – tweetaligheid in Vlaanderen (maar niet in Wallonië), een positie die al onder Leopold III onhoudbaar bleek. ‘A Chronicle of Political Impotence’ heet het hoofdstuk over koning Boudewijn (1950-1993) en zijn slechte verhouding met politici als Jean-Luc Dehaene. Boudewijns verbitterde pogingen bij de staatshervormingen één lijn te trekken bij elke ontwikkeling richting confederalisme en separatisme werden door zijn broer, omzichtiger, voortgezet. De Vlaamse auteur ziet in zijn sombere afsluitende paragraaf over de toekomst van België een oplossingsrichting in de verdere confederalisering à la Belge.15 De tragiek blijft dat de Belgische monarchie zelf één van de weinige bindende elementen van België vormt, maar de dragers van de troon als ‘constitutioneel neutrum’ zijn steeds meer in een onmogelijke spagaat komen te verkeren.

Staatsrechtelijke literatuur

Een speciale categorie vormt de specifiek staatsrechtelijke, (staatsrechts)historische, wetenschappelijke literatuur over de zuiver constitutionele aspecten van de monarchie. In de nieuwste heruitgaven van de belangrijkste twee handboeken wordt ook op het actuele debat gereflecteerd: het hoofdstuk ‘De regering. Het koningschap’ in het recent herziene Handboek van het Nederlandse Staatsrecht (Van der Pot) wijst op de paradoxen van de moderne monarchie: ‘[...] dat het parlementaire stelsel en de democratie, door de koning buiten de dagelijkse politiek te plaatsen, zijn positie van staatshoofd eerder versterkt dan verzwakt hebben’.16 In het nieuwe Handboek van het Belgisch Staatsrecht wordt de moeilijke positie van het Belgisch staatshoofd in het huidige België geaccentueerd:

De aanslepende crisis heeft de Koning in een rol gedwongen die de zijne niet is door hem te verplichten tot het nemen van een aantal initiatieven die het risico op mislukking inhielden en die zo de monarchie zeer kwetsbaar maken.17

Publicaties die het staatsrechtelijke en het politiek-historische verbinden zijn schaars. Een belangrijke, wat oudere publicatie is de symposiumbundel De Nederlandse constitutionele monarchie in een veranderend Europa ter gelegenheid van het 25-jarig ambtsjubileum van koningin Beatrix.18 De bundel bevat uiteenlopende bijdragen, bijvoorbeeld over de symboliek of de feminisering van het moderne koningschap. Eén bijdrage was trefzeker en origineel, juist op het gebied van het staatsrecht: ‘Monarchie en constitutioneel neutrum. Over de betekenis van de “pouvoir neutre” in de Nederlandse democratie’ van staatsrechtsgeleerde Elzinga, waar hij de bijzondere positie van het staatshoofd voor de Nederlandse constitutie benadrukt.19 Sommige andere artikelen in deze bundel leken vooral feestredes, óók een vaste categorie binnen de monarchieliteratuur.20

Recent verscheen, in herziene uitgave, De Koning. Continuïteit en perspectief van het Nederlandse koningschap. De jurist Ernst Hirsch Ballin onderstreept in deze publicatie de constitutionele betekenis van een a-politiek staatshoofd aan de ‘institutionele stabiliteit’, geheel in de lijn van Elzinga. Hij geeft een duidelijk pleidooi tégen een ceremonieel koningschap en voor de continuatie van een ‘verbindend koningschap’.21 Voor wat betreft de rol van het staatshoofd tijdens de kabinetsformatie is de studie van Carla van Baalen en Alexander van Kessel, De kabinetsformatie in vijftig stappen relevant gezien de voortgaande discussie rond de mogelijke politieke rol van de Nederlandse koning(in).22 Saillant feit is dat de publicatie in eerste instantie bedoeld was als een naslagwerk voor de praktijk van de kabinetsformatie. Nu de Tweede Kamer een aantal bevoegdheden in het formatieproces naar zich toe heeft getrokken, is deze belangrijke wetenschappelijke publicatie vooral een historische terugblik geworden. Voor de rol van de koning als één van de constitutionele machten in de ontwikkeling naar de parlementaire democratie, geeft de historische studie van Diederick Slijkerman het inzicht dat de rol als staatshoofd in de Nederlandse constitutionele geschiedenis vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw geëvalueerd is naar een pósitief onderdeel van een constitutioneel evenwicht, een perspectief in de lijn van de Elzinga-these.23 Voor België blijft een wat oudere publicatie over de constitutionele monarchie in België relevant: A l’attention de Sa Majesté le Roi: La monarchie constitutionelle et le régime parlementaire en Belgique. Naast uitleg en historische duiding van aspecten van de constitutionele monarchie in België kent het ook enkele expliciet politieke hoofdstukken zoals bijvoorbeeld de bespreking van de constitutionele implicaties van de ‘Politique africaine’ van koning Boudewijn.24 Daarmee is dit werk ook weer een voorbeeld van genrevermenging.

Het wetenschappelijke artikel

Als dé vorm voor vakliteratuur is het ‘wetenschappelijke artikel’ in een historisch vaktijdschrift of een geschiedwetenschappelijke bundel uiteraard een apart genre binnen de ‘monarchieliteratuur’. Is binnen de geschiedwetenschap de historische monografie nog redelijk bepalend25, in het monarchie-onderzoek geldt dit nog sterker. Een inhoudelijke bespreking van de inhoud van alle recente wetenschappelijke artikelen in dit recensie-artikel over genre is uiteraard niet geschikt, maar er is wel een belangrijke observatie te maken. Qua vorm en methode zijn een aantal typen te onderscheiden. Recensie-artikelen over bijvoorbeeld de Oranje-biografieën van Cees Fasseur of bijvoorbeeld een discussiedossier over de biografie Prins Bernhard. Een verborgen geschiedenis zijn als vorm prominent (over)vertegenwoordigd.26 De wetenschappelijke discussie lijkt zich daarmee toe te spitsen op de duiding van het nieuwste biografisch onderzoek, en dat is als een beperking te zien. Comparatief onderzoek is daarentegen maar mager present in de wetenschappelijke literatuur over de monarchie. Een wat eenzaam voorbeeld daarvan is het onderzoek naar ‘mannelijkheid’ in de Franse en Nederlandse monarchie van Matthijs Lok en Natalie Scholz, de zoektocht naar de vormgeving van een nationaal ‘vaderschap’ van Lodewijk XVIII en Willem I was ondanks verschillen vergelijkbaar.27 Een aparte categorie vormen artikelen in een bundel, die vaak een bredere adressaat kennen dan het wetenschappelijke artikel in de peer-reviewed tijdschriften. Ze zijn duidelijk voor een groter lezerspubliek geschreven. Een voorbeeld vormt het artikel ‘Orangisme als internationaal fenomeen’ van Joost Augusteijn over onder andere ‘Oranje’-verering in Noord-Ierland in de bundel Oranje onder. Populair orangisme van Willem van Oranje tot nu. Bij artikelen in een bundel betreft het niet zelden een voorstudie of bijproduct. Een voorbeeld hiervan is het artikel van Els Witte over de Oranje-cultus in België en de staats- en natievorming 1815-1850 in deze bundel in relatie met de iets later verschenen historische monografie over hetzelfde onderwerp van haar hand.28

Biografische benaderingen

Voorafgaand aan de bespreking van het belangrijke genre van de koningsbiografie moet aangestipt worden dat er vele biografische vormen en subgenres zijn binnen de monarchieliteratuur in de bandbreedte van wetenschappelijk tot populariserend. Binnen de open vorm van de biografie kan ook het perspectief steeds anders zijn. Het beoogde effect en de auteursintentie van de biograaf kunnen zeer verschillen: van ‘deconstructie’ van het imago van de hoofdpersoon, zoals in de allernieuwste, wetenschappelijke Bernhard-biografie van Gerard Aalders29 tot een onverbloemde hagiografie in de biografie van Fabiola, La reine blanche.30 ‘Alles was anders, niets was wat het leek’, zo begint Aalders zijn uiterst kritische slotbeschouwing over de echtgenoot van koningin Juliana. Fascinerend is te zien hoe de biografische discussie zich toenemend tot een twee-frontenoorlog ontwikkelt tégen de duiding van Fasseur van dit precaire koninklijke huwelijk.31 Als voorstudie van de verwachte Juliana-biografie publiceerde Jolande Withuis al een deelstudie over Juliana’s ontwikkeling en politieke bewustwording tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook hier is sprake van een omgekeerde deconstructie, zij thematiseert de marginalisering van Juliana in de beeldvorming en historiografie: ‘het raadsel [...] van de bizarre maar vooral verontrustende verdwijning van Juliana’s oorlogswerkelijkheid’.32

Een aparte rubriek vormen de journalistieke, biografische gelegenheidsportretten meestal van huidige leden van de koninklijke families en bij troonswisselingen. Het zijn vaak biografische schetsen, zoals Willem-Alexander. Van prins tot koning33 – als ‘enige, serieuze biografie’ van de Nederlandse koning gepresenteerd, maar niet diepgravend en slechts gebaseerd op interviews van ‘betrokkenen’. Twee gelegenheidsbiografieën die in België in 2013 verschenen, Albert II. De biografie. Zijn leven, zijn betekenis en Koning Filip. De biografie vertonen dezelfde structuur van een biografisch overzicht met daarnaast een (journalistieke) duiding van de actuele positie van de monarchie tijdens de troonwisseling, beide publicaties houden een pleidooi voor een verdere depolitisering en meer ‘transparantie’ in de functies van het Belgische staatshoofd.34 Al met al zijn beide ‘biografieën’ niet al te kritisch en ook de keuze van de rijke illustraties zijn eerder monarchie-bevestigend. Bijna een karaktermoord daarentegen is het journalistieke portret van Thierry Debels van de nieuwe Belgische koning: ‘Hij wil wel, maar hij kan het niet. Uiteindelijk is dat veel dramatischer dan iemand die het wél kan, maar niet wil’.35

Een treffend voorbeeld van een journalistiek subgenre is de publicatie die verscheen direct na het aftreden van koningin Beatrix: Ik zal handhaven. Beatrix in een veranderend land.36 Het ‘portret’ is opgebouwd rond ‘getuigenissen’ (sic) van politici zoals Els Borst en Jeltje van Nieuwenhoven, met een kenschets van de politieke periodes onder de premiers Van Agt, Lubbers, Kok, Balkenende en Rutte. De publicatie is qua toon en analyse een bewieroking van de taakopvatting en het optreden van het afgetreden staatshoofd, het beeld correspondeert met de meritocratische zelfpresentatie van Beatrix. Het is daarmee ook interessante monarchieliteratuur: ‘Beatrix probeert consequent oplossingen aan te reiken. Zo wil ze een tegenwicht bieden aan datgene waarin de rechts-populistische stromingen goed zijn: het benoemen van problemen’.37 Nog kort te vermelden in de grote biografische productie rond de monarchie zijn de biografieën van personen in de schaduw of de rafelrand van de monarchie.38

Éen van die biografische vormen is het lemma in biografische lexica. Biografisch onderzoek is onmisbaar voor de geschiedschrijving van de monarchie. In het biografisch lexicon van Els Kloek verschenen óók van minder bekende (aangetrouwde) vrouwen uit de Oranje-dynastie biografische lemmata. Twee voorbeelden kunnen hier volstaan: Louise van Oranje-Nassau (1828-1871), koningin van Zweden en Noorwegen, getrouwd met Karel XV van Zweden. En haar moeder: Louise van Pruisen (1808-1870), ‘Prinses Frederik’, echtgenote van de tweede zoon van Willem I.39 Het belang van deze kleine lemmata ligt in het biografisch onderzoek naar niet alleen tamelijk onbekende vrouwen uit de geschiedenis van de monarchie maar ook in de verduidelijking van het dynastieke netwerk waar zij de trait d’union waren.

Koningsbiografieën

In de Nederlandse media waren de presentatie en de aanbieding van de drie koningsbiografieën van Willem I, Willem II en Willem III aan koning Willem-Alexander in de Nieuwe Kerk op 29 november 2013 een hoogtepunt in de viering van het jubileumjaar. Het grote wetenschappelijke project was gefinancierd door het Prins Bernhard Cultuurfonds en had naast de wetenschappelijke pretentie ook een duidelijk nationaal oogmerk in verband met de publicatie in het Oranje-jaar. Het onderzoek naar en de opbouw van de koningsbiografieën van Willem I van Jeroen Koch, Willem II van Jeroen van Zanten, en Willem III van Dik van der Meulen zijn op elkaar afgestemd.40 Van de drie biografieën is de biografie van Willem III het meest afwijkend en sterker neerlandocentrisch, iets wat het biografieproject juist wilde vermijden. Hoe komt dat? In tegenstelling tot zijn grootvader vielen bij Willem III de geschiedenis van de staat en de geschiedenis van de persoon van de monarch nauwelijks meer samen. Dat maakt deze biografie al traditioneler en meer een levensbeschrijving. Het belangrijkste thema van zijn koningschap vormde de verdere ontwikkeling van het parlementair stelsel en de verbitterde strijd tegen Thorbecke. Het is een kunststuk dat deze biografie geen chronique scandaleuse geworden is. Op basis van archiefonderzoek blijkt dat Willem III soms wel degelijk ‘grote betrokkenheid’41 bij het landsbestuur toonde – over doorzettingsvermogen beschikte hij niet. ‘Willems voornaamste staatkundige verdienste was de eerste Nederlandse koning te zijn in een land dat door anderen werd bestuurd’.42 Maar was hij daarin uniek? Nergens wordt enige vergelijking gemaakt met de ontwikkeling van de constitutionele monarchie elders, zoals in België, Denemarken of Groot-Brittannië. En de dynastieke marginalisering van de Oranje-dynastie onder Willem III had scherper gethematiseerd kunnen worden. Daarmee kent deze uiterst gedegen, zeer goed leesbare, biografie ook de nadelen van de conventionele biografische traditie: een historistische duiding van die éne historische persoon in diens historische context zonder typologische vergelijkingen.

De biografieën van Willem I en Willem II thematiseren veel sterker het dynastieke netwerk en de context van de Europese orde. Willem II wordt geportretteerd als een ‘on-Nederlandse koning’, tot 1813 kende hij Nederland niet. De biograaf vergelijkt hem met Friedrich Wilhelm IV en Ludwig I. Is dat terecht? Willems refugium in Tilburg en het neogotische Gesamtkunstwerk aan het Noordeinde en de Kneuterdijk lijken toch benepen in vergelijking met het grootse programma in München en de kerkenbouw van de Pruisische koning. De totstandkoming van de Grondwet van 1848 en de rol van Willem II – onder druk van chantage – in de razendsnelle politieke omwenteling, is de meest opzienbarende ontdekking. De grote waarde van de koningsbiografie van Jeroen Koch ligt in het ontsluiten van het leven van Willem I vóór 1813. Ook diens identiteit als Duitse rijkvorst, van het regerend huis van Nassau was deel van zijn politiek. Ten tijde van zijn ballingschap was zijn doel het Huis van Oranje opnieuw te vestigen als regerende dynastie: ‘Waar hij zou regeren, was van ondergeschikte betekenis’.43 De uitroeping door Van Hogendorp van een voorlopig algemeen bestuur kwam onverwacht. Maar alras was Frederik Willem zelf sturend in de richting van een bestuur ‘plus monarchique’.44 Het meest discutabel is de biografie in de historische typering van het koningschap van Willem I. Willem I wordt beschreven als eenzame administrateur van het koninkrijk, met ondoorzichtige financiën en hoge staatsschulden: ‘zijn autocratische paternalisme had gewerkt in Fulda’.45 Zijn verlichte autocratie wordt met Frederik de Grote en Jozef II vergeleken. Willem I zou, anders dan Friedrich Wilhelm III of Lodewijk XVIII nog ‘vrij gematigd’ zijn geweest. Precies en uitgewerkt is deze internationale vergelijking niet. De nieuwe koninkrijken van Württemberg en Beieren hadden als vergelijkingsmateriaal moeten dienen. Niet van Koch maar van Thorbecke komt de meest rake typering van het koninkrijk onder Willem I: een ‘napoleontisch gereglementeerde Staat met een constitutionelen gevel’.46 De omvangrijke nieuwe literatuur over de fenomenologie van de monarchie in de overgang tussen de achttiende eeuw en de ‘nieuwe monarchie’ in de negentiende eeuw is onvoldoende in de typologie van het koningschap van Willem I betrokken.47 Zo blijft het Willem I-koningschap ‘ongrijpbaar’ en de oude these van een ‘autoritair intermezzo’ in de Nederlandse geschiedenis overeind. Kochs accent op het totale failliet van de België-politiek van Willem I is wat bijgesteld door de recente herwaardering van Belgisch orangisme in de vernieuwende studie van Els Witte.48 De deconstructie door Jeroen Koch van het beeld van Willem I doet denken aan Pieter Geyl. Maar de drie excellente koningsbiografieën zijn toch eerder ‘monumentale geschiedschrijving’ dan ‘kritisch’. Zij versterken uiteindelijk toch de collectieve, neerlandocentrische, nationale herinnering en verankeren daarmee – paradoxaal genoeg, en waarschijnlijk ongewild – de positie van de Nederlandse monarchie.

De biografie Leopold I. De eerste koning van Europa van Gita Deneckere kreeg in 2013 de Henriëtte de Beaufort-prijs.49 Het verschil met de drie Nederlandse koningsbiografieën ligt in haar sterke accent op de fenomenologie van de nieuwe monarchie van de negentiende eeuw in de directe representatie van de natiestaat. In het bronnenonderzoek richt Deneckere zich op de epistolaire cultuur binnen het dynastieke vorstennetwerk van de Coburgs. Leopold heeft als eerste de publieke rol van het koningschap in de praktijk gebracht en geeft op dit gebied ook zijn nicht Victoria gevraagd en ongevraagd advies. Door zijn eerste huwelijk met de Britse kroonprinses Charlotte en haar vroege dood, beleefde Leopold de eerste popularisering van de monarchie naar aanleiding van de massale rouwtaferelen van deze ‘people’s princess’. De eerste Belgische koning weet de nieuwe monarchie met de oude politiek van de dynastieke huwelijkspolitiek te verbinden in ‘de vermenigvuldigingsdans van de Coburgfamilie’.50 Hij ontwikkelt zich tot mediator tussen de grootmachten51 en laat daarbij de Oranjes ver achter zich. Maar de conclusie van de biografie is dubbel: Leopold was een verlicht aristocraat, hij zag de constitutionele monarchie als het enige defensieve ‘antwoord op de utopie van de volkssoevereiniteit’. Deneckere beschrijft Leopolds afkeer van de praktijk van de moderne parlementaire cultuur, maar tegelijkertijd diens besef dat de monarchie alleen in de constitutionele vorm succesvol kon zijn.52

Het politieke essay

Een apart genre binnen de ‘monarchieliteratuur’ vormen publicaties die nog het beste als politiek ‘essay’ zijn te omschrijven. Er is daarbij wel sprake van een argumentatieve stellingname, maar niet van een partijschap a priori pro of contra de monarchie. Een goed voorbeeld van politieke journalistiek is Belgique, un roi sans pays/Koning zonder land. De toekomst van de Belgische monarchie in woelige tijden.53 De Waalse en Vlaamse journalisten Martin Buxant en Steven Samyn bespreken op basis van interviews met politici de publieke discussie en het parlementaire debat over een ‘ceremonieel koningschap’ in België. Niet ongelijk aan de ontwikkeling in Nederland, is er een kritisch discours over de mogelijke politieke macht van het Belgische staatshoofd maar er wordt tegelijkertijd toch teruggeweken voor de laatste stappen op weg naar het ‘Zweedse model’. Dat concept wordt uiteindelijk als bedreigend gezien voor het enige instituut dat nog een zekere constitutionele, samenbindende ‘macht’ heeft. De koning speelt in de grote tegenstellingen van het land immers een cruciale rol in de problematische kabinetsformaties.

Een voorbeeld van het politiek-historische ‘essay’ is de in 2014 geactualiseerde monografie van Mark Van den Wijngaert over de historische ontwikkeling van de politieke macht van de Belgische koningen. De conclusie dat de huidige monarchie het resultaat is ‘van een lange evolutie van macht naar invloed’ is niet opzienbarend.54 Het overzicht eindigt met een oproep tot een correctie van de ‘politisering’ van de rol van de koning in de Belgische staatscrisis. De politicoloog en geëngageerd flamingant Bart Maddens behandelt hetzelfde thema polemischer in de recente bundel Zijn wij de koning te rijk? Aan de hand van de analyse van de kersttoespraken van de laatste Belgische koningen ziet hij de ontwikkeling van een problematische ‘presidentialisering’ van de Belgische monarchie:

Hij is zelf het voorwerp geworden van een communautaire controverse. Als symbool bij uitstek van de Belgische eenheid staat de monarch bijna per definitie aan één kant van wat toch veruit het belangrijkste politieke conflict is in België.55

Tendenzliteratur

Partijschap rond de monarchie is in België onderdeel van het politieke discours: het Vlaams belang is een uitgesproken republikeinse partij maar is politiek gemarginaliseerd.56 De Nieuw-Vlaamse Alliantie (NVA) daarentegen is ook op federaal niveau politiek succesvol en spreekt zich eveneens uit voor afschaffing van de monarchie.57 In Nederland opereert het republicanisme geheel in de marge. Zo werd tijdens het jubileumjaar ‘200 jaar Koninkrijk’ een fietstocht georganiseerd op 28 juni 2014 naar Goejanverwellesluis waar de Patriotten in 1787 Wilhelmina van Pruisen, de echtgenote van stadhouder Willem V, vernederden.58 Het ‘republikeinse’ evenement werd in de media niet waargenomen. Serieuzer is de vermelding op de website van het Nederlandse Republikeins Genootschap van een bibliografie van monarchie-kritische en republikeinse antimonarchieliteratuur.59 Vooral de laatste categorie is een voorbeeld van Tendenzliteratur. Bob Elbracht hield bijvoorbeeld een pleidooi tegen het ceremonieel koningschap, het zogenaamde Zweedse model, vanuit anti-monarchistisch perspectief – geheel contrair aan de positie in het heersende debat: ‘Een ceremoniële monarchie is reeds slecht nieuws, omdat daarmee de weg naar een gezonde democratische republiek zonder de bestuurlijke monarchale weeffout definitief is afgesneden’.60

Dat ook het omgekeerde ook nu nog bestaat, uitgesproken partijdige, propagandistische teksten vóór de monarchie, wordt zelden gethematiseerd. Een saillant voorbeeld voor België is het ‘Essai politique’ van Sixte-Henri de Bourbon-Parme, Une double monarchie sauverait la Belgique: Observations d’un ami du Royaume61, van de extreem-rechtse uitgeverij ‘Godefroy de Bouillon’. Sixte-Henri (1940) is de broer van de overleden Carlos Hugo de Bourbon, en Carlisten-(tegen)pretendent. Hij houdt een monarchistisch pleidooi voor een personele unie van het Belgische koningshuis van een zelfstandig Vlaanderen en Wallonië naar het model van Oostenrijk-Hongarije. Twee zeer verschillende Belgische politici, de huidige staatssecretaris Hendrik Bogaert (Le flamand qui veut l’union personelle) en de militante José Happart (Le wallon qui veut l’union personelle) worden aan het slot als getuigen opgevoerd.62 Deze publicatie is een eenvoudig voorbeeld van ‘partijdige’ monarchieliteratuur.

Geraffineerder ligt dit bij twee Nederlandse publicaties: Coos Huijsens Nederland en het verhaal van Oranje en Cees Fasseurs De gekroonde republiek.63 Huijsen pleit voor een herbronning van het ‘verhaal van Oranje’:

[...] in de geest van G.W. Kernkamp en J.W. Berkelbach van der Sprenkel [...] Zij schetsten Willem van Oranje welbewust als ‘Geuzenprins’ en daarmee als leider van de Opstand die al in de zestiende eeuw in Europa een eerste, vroege aanzet gaf tot democratie en mondig burgerschap. Behalve dat op deze manier het revolutionaire karakter van de Opstand niet langer is weggemoffeld, biedt hun benadering eerder aansluiting bij het moderne levensbesef.64

Huysen wil, zo betoogt hij, geen Groeniaanse christelijk-nationaal concept, maar wel een sociaal-liberale ‘oranjeliefde’? Ook de nationale viering van de geboortedatum van Willem van Oranje, 24 april, is een desideratum bij hem. Naast de herijking van de ‘republikeinse traditie’ van Nederland zou de ‘Oranjeliefde’, ‘met waarden zoals vrijheid, verdraagzaamheid, eenheid in verscheidenheid, en met volharding en vaderlandsliefde’ onderdeel (moeten) zijn van een civil religion.65 Hier spreekt een onnavolgbaar, eclectisch nationalisme. Passages als deze doen heftig terugverlangen naar Pieter Geyl en diens deconstructies van de Oranje-mythe. Cees Fasseur bezingt eveneens de these van een ‘republikeins koningschap’. De eerste zin van zijn gelegenheidspublicatie aan de vooravond van ‘200 jaar koninkrijk’ luidt: ‘Nederland is een gekroonde republiek met een Oranje verfje en een erfelijk staatshoofd’.66 Er volgt dan een uitgesproken betoog pro-Oranje en pro-monarchie.

Waarom bestaat er in Nederland – in tegenstelling tot België – nog steeds een uitgesproken historiserende verdediging van de monarchie, gedragen door een politieke elite van rechts tot links? De oorzaak ligt in de Verklärung van het ‘republicanisme’ in de Nederlandse historiografie. De Republiek der Verenigde Nederlanden was echter geen verlicht baken in een feodale wereld, ondanks enige persvrijheid en een zekere, gedoogde multi-confessionaliteit. De Republiek was eerder een toonbeeld van het ancien régime67, geheel gebaseerd op privileges zoals de oude ‘vrijheden’ van de Hollandse steden. Ook het stadhouderschap paste geheel binnen de juridische ordeningskaders van vóór de Franse Revolutie.

Huijsen en Fasseur zijn voorbeelden van een ‘elitair orangisme’ zoals Henk te Velde en Donald Haks dat thematiseren in een vernieuwende bundel over het ‘volkse’ orangisme sinds Willem van Oranje. Het contemporaine ‘Oranjegevoel van Koninginnedag’ wordt geanalyseerd door Peter Jan Magry.68 Hij ziet daarin een ‘gedemocratiseerde’ framing van de democratie, en met de dominante oranje-kleur als uiting van een ‘symbolisch egalitarisme’ van de Nederlandse samenleving. Hier valt dus het Oranje-gevoel volledig samen met het nationale gevoel, losgezongen van historiserende bespiegelingen over de monarchie als instituut.

Populariserende monarchieliteratuur

Een nog steeds bestaand genre binnen de vorstenbiografie is de vie romancée. Een treffend voorbeeld van deze historische bellettrie is Thera Coppens’ Sophie in Weimar. Deze biografie gaat over de zuster van Koning Willem III die getrouwd was met de groothertog van Saksen-Weimar.69 Niet de geijkte biografische structuur, maar de toon en de edelkitsch van de ‘sfeerschrijverij’70 wijkt af. Zo wordt de Nederlandse prinses op een augustusnacht van het jaar 1823 in het ‘echtelijke hemelbed’ op Paleis Soestdijk verwekt:

Haar moeder zag dat er een vlucht brandganzen op het door de maan verlichte water was neergestreken. In de donkere boommassa van het landschapspark stootte een nachtvogel zijn onbeantwoorde schreeuw uit.71

De beschrijving van dit ‘vorstenleven’ is uiterst selectief, alle niet-aristocratische personen zijn uitgegumd. Alleen de contacten met de nazaten van Goethe worden uitvergroot. Haar rol bij de Sophienausgaben en de bouw van het Goethe en Schiller-archief wordt historisch niet onjuist weergegeven.72 Maar niets van de complexe relatie van het hertogelijk paar met Liszt en Hans Christiaan Andersen wordt werkelijk geanalyseerd. De hele biografie blijft steken in een kostuumdrama. Ook de nieuwe biografische interesse in prinses Marianne is sterk romantiserend en anachronistisch, zoals al uit de titel blijkt: De biografie van een vrijgevochten Oranjeprinses.73

Populariserende voorbeelden van de algemene rubriek zijn de Elsevier-uitgave van ‘200 jaar monarchie’, en de uitgave van het Historisch Nieuwsblad, de Nederlandse monarchie in ‘acht affaires’ van Jaco Alberts.74 Laatstgenoemde is een merkwaardige pastiche van de geschiedenis van de Nederlandse monarchie aan de hand van saillante posities van de Oranjes sinds Willem I. Zo wordt Juliana behandeld aan de hand van de affaire rond de gratieverlening aan ter dood veroordeelde oorlogsmisdadigers. Een markant voorbeeld van dit populariserende genre is ook de ter gelegenheid van de inhuldiging van Willem-Alexander herziene uitgave: Wie ben ik dat ik dit doen mag. Zeven koninklijke inhuldigingen van Dorien Hermans.75 De interessante geschiedenis van alle inhuldingen in Amsterdam – die éne inhuldiging in Brussel in 1815 wordt niet eens genoemd! – is ingebed in een 349 pagina’s tellend betoog over de geschiedenis van de Nederlandse monarchie, in een narratief over de persoonlijkheden van de Oranjes. De Volkskrant sprak in een milde recensie van ‘een verantwoorde popularisering van de geschiedenis’. Duidelijk commercieel was de publicatie in ieder geval wel, met een brede ontvangst in de populaire media van RTL Boulevard tot bladen als Royalty. Interessant is de publicatie vooral door de merkwaardige menging van genre en methode: naast de recycling van eerdere publicaties, historisch onderzoek naar en goed leesbare verslagen van de inhuldigingen, heeft oncontroleerbare sensatiejournalistiek veel ruimte gekregen. Alle minder aangename karaktereigenschappen van de Oranjes worden uitgelicht. Om twee voorbeelden te noemen: de uitweiding over de ‘geruchten’ van de gierigheid van Beatrix, en het ‘onverzoenlijk’ karakter van Willem-Alexander en zijn (vermeend) persoonlijk uitnodigingsbeleid bij de inhuldiging.76 Onthullend is het nawoord ‘Spitten in koninklijke privélevens’, waarin deze royalty-journalistiek zichzelf een hogere democratische waarde toekent: ‘wie de werking van de monarchie wil begrijpen, zal mede achter de schermen van het paleis moeten kijken’.77 De zeer productieve Dorien Hermans en Daniela Hooghiemstra78 afficheren zich graag als serieuze monarchie-onderzoekers79, maar de interdiscursiviteit met de onderste ladder van de monarchieliteratuur is groot: de royalty-bladen.

‘Wie is de beste Koningin? Máxima, Mathilde of Letizia?’, in het hoofdartikel van een recent nummer van de reeks Máxima. Van de makers van Privé wordt een kerstrapport gepresenteerd van de Nederlandse en de Belgische koningin samen met de nieuwe koningin van Spanje. Alle drie slagen.80Royalty-bladen zoals Vorsten zijn zéér illustratief. Nergens wordt de feminisering van de monarchie zo manifest als in de eindeloze reportages over de mode, de ‘Beauty-geheimen’ en de (oude en nieuwe) juwelen van de huidige vrouwelijke ‘royals’ als ‘stijliconen’. Met uitzondering van de Belgische koningin Mathilde, beschikken de ‘populaire’ Mary, Catherine, Letizia en Máxima over geen enkele adellijke, laat staan vorstelijke kwartierstaat. Is dit laatste hoofdstuk van de geschiedenis van de Europese monarchie niet de perfecte satire op de traditionele normen van standesgemäße Ebenbürtigkeit?

Genreproblemen en monarchiediscours

Bij de symbolische ‘verjaardag’ van de Nederlandse staat in 2013 is de relatie met de geschiedenis van de Oranje-monarchie weer herijkt. Het jaar 1813 is een twijfelachtige lieu de mémoire81, en 1806 en 1815 zijn in Nederland als cesuur blijvend uit het collectieve geheugen geweerd. Markant is daarentegen het initiatief in Gent voor de oprichting van een standbeeld voor Willem I in een bewuste ‘herbronning’ van 1815.82 Maar niet het precieze jaartal is belangrijk, wél het historiserend verbinden van staat aan monarchie en monarchie aan staat. De ‘nieuwe monarchie’ was in de symbiose met de nieuwe natiestaat uiterst succesvol. In de wording van de natiestaat ontstond een nieuwe symbiose, de gedepolitiseerde monarch representeerde in de constitutionele monarchie niet alleen de staat maar werd ook een nieuw symbool van de natie.

De ‘monarchieliteratuur’ in België en Nederland is zeer vergelijkbaar. Opvallend is een zeer breed journalistiek tussengenre en genrevermenging met onscherpe grenzen tussen bijvoorbeeld het historische of het politieke essay en de populariserende literatuur. Er zijn verrassend weinig ‘overzichtswerken’ over dé monarchie in beide landen, die zijn ook niet goed te schrijven door diezelfde verstrengeling en de daarmee gepaard gaande conceptuele onzekerheid. Hoe is de woekering aan genres binnen het monarchiediscours te verklaren? De monarchie is onderdeel van de nationale identiteit en raakt het denken over de vormgeving van staat en samenleving. Daarmee is vrijwel alle (historische) literatuur over het onderwerp onvermijdelijk onderdeel van het actuele debat. Dit lijkt een gemeenplaats, maar bij rubricering van de monarchieliteratuur springt de nationale verkokering in het oog. Een strikt comparatief, transnationaal vergelijkend perspectief zou dit kunnen doorbreken, maar de dominante genres in de monarchieliteratuur beletten dit. De renaissance van de biografie in het monarchieonderzoek wordt bejubeld, maar de nieuwe koningsbiografieën versterken juist het nationale discours én daarmee paradoxaal genoeg de eigen monarchie.