De jaren 2013-2015 staan in het teken van 200 jaar Koninkrijk der Nederlanden. Ter gelegenheid daarvan waren en zijn op verschillende plaatsen en tijdstippen festiviteiten – de laatste op 26 september 2015 – en zijn er talloze publicaties verschenen. Het is vooral een nationale aangelegenheid, maar er zijn ook provinciale feesten zoals in Drenthe, dat nu viert dat het 200 jaar geleden provincie van het koninkrijk werd.

Vorig jaar werd 200 jaar provincie Zeeland herdacht. In dat kader werd de ruim 1400 pagina’s tellende Geschiedenis van Zeeland gepubliceerd. Zeeuws-Vlaanderen had ook nog een eigen feestje, vanwege het feit dat het gebied op 20 juli 1814 officieel bij Zeeland werd gevoegd en daarmee definitief Generaliteitsland af was. Dat was tevens de aanleiding voor de bundel Scharnierend Gewest. Men kan zich afvragen waarom deze grotendeels op bestaande literatuur gebaseerde bundel moest verschijnen, vrijwel tegelijk met (het laatste deel van) het grote overzichtswerk, waarin het verleden van Zeeuws-Vlaanderen nu eens niet, in tegenstelling tot de weinige aandacht die de geschiedenis van het ‘landje apart’ volgens de redacteuren van Scharnierend Gewest doorgaans krijgt, stiefmoederlijk is bedeeld.

Bauwens en Krabbendam kozen echter voor een onderwerp dat niet specifiek in de Geschiedenis van Zeeland aan bod komt. Ze hebben de auteurs gevraagd te kijken naar de gevolgen van de incorporatie van het gebied in Nederland vanaf 1814 en te zoeken naar de verbindingslijnen tussen het noorden en het zuiden. Daarbij hebben zij drie ‘verbindingsconcepten’ onderscheiden: bestuur en bevolking, economie (landbouw en industrie) en geloof en cultuur, waarmee die verbindingen van verschillende kanten zijn bekeken. Het boek moet bijdragen aan het inzicht in de mate waarin Zeeuws-Vlaanderen een eigen plaats innam en in welke betekenis de grens voor de ontwikkeling van de streek heeft. Voor de ‘nieuwe golf’ van onderzoek naar grensstreken als ‘onderdeel van wereldsystemen’ is Zeeuws-Vlaanderen een goudmijn, aldus de redacteuren, die Scharnierend Gewest als opmaat beschouwen voor dergelijk onderzoek.

Een goudmijn is deze grensstreek inderdaad, want Zeeuws-Vlaanderen heeft een heel bijzondere geschiedenis, met name na de middeleeuwen. Tussen eind zestiende en begin twintigste eeuw was het betwist gebied. Als deel van het graafschap Vlaanderen verdween het in de zestiende eeuw en aan het begin van de zeventiende eeuw grotendeels van de aardbodem door stormvloeden en inundaties. Daarna werd het langzaam opnieuw ingepolderd. Dit alles had grote economische, sociale en politieke gevolgen. In feite werd hier een nieuwe samenleving opgebouwd door mensen die grotendeels van buiten kwamen, zowel uit het zuiden als het noorden. In de zeventiende en achttiende eeuw was de regio bezet door de Republiek. Dat gaf de regio bestuurlijk een ietwat geïsoleerde positie. Die werd mogelijk versterkt doordat de Westerschelde een barrière vormde. Maar deze zeearm alsook de bestandslijn ten zuiden van het gebied vormden geen belemmering voor de handel tussen de Noordelijke Nederlanden, Zeeuws-Vlaanderen en de Zuidelijke Nederlanden. Sterker, de handel was dankzij die bestandslijn bijzonder lucratief voor Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen. Ook werd op grote schaal geïnvesteerd in het gebied (inpolderingen) en trok het, zoals gezegd, veel immigranten. In 1795 werd de regio door de Fransen geannexeerd en verloor het economisch contact met het noorden. In 1810 werd heel Nederland ingelijfd, zodat dat weer mogelijk was. Met de Belgische opstand in 1830 werd Zeeuws-Vlaanderen min of meer van het zuiden afgesloten, in ieder geval tijdelijk.

Essentieel is of 1814 wel het juiste vertrekpunt is voor een dergelijke benadering. Temeer omdat de meeste auteurs daardoor niet of nauwelijks naar de periode daarvóór kijken. Hoe kan je dan bepalen dat de verbindingen minder intensief of juist intensiever zijn geworden? Welke betekenis had 1795? Welke effecten hadden de jaartallen 1588, 1604 en 1645 toen het noorden van Vlaanderen onder het gezag van Zeeland en de Republiek kwam? Misschien is 1830 (of 1839) wel een beter jaar om de effecten te meten, toen de lijn tussen Zeeuws-Vlaanderen en België staatsgrens werd. Komt nog bij dat 1814 niet op alle terreinen (economie, politiek, cultuur, religie) dezelfde effecten heeft gesorteerd. Kortom, 1814 is uiterst problematisch als startjaar voor een onderzoek naar de effecten van de vorming van de grens op de ontwikkelingen van Zeeuws-Vlaanderen. Mijns inziens moet men in de zestiende eeuw beginnen voor zo’n onderzoek. Dan ben ik ervan overtuigd dat uit de goudmijn, weliswaar pas na intensieve arbeid, veel goud zal worden gedolven.

Dat neemt niet weg dat de brede aanpak bewonderingswaardig is. Wat de bijdragen goed laten zien is dat er verbindingen te over waren. André Bauwens vertelt een boeiend verhaal over bijzondere staaltjes van smokkelhandel. Hij heeft echter geen aandacht voor de smokkel vóór 1814, toen die waarschijnlijk veel omvangrijker en structureler was. Veronique De Tier ziet duidelijke invloeden vanuit zowel het zuiden als het noorden op de ontwikkeling van het Zeeuws-Vlaamse dialect. Helaas kan De Tier geen uitsluitsel geven over hoe Vlaams of Zeeuws het Zeeuws-Vlaams is, laat staan dat zij een verschuiving kan constateren. Lo van Driel beschrijft op een heel mooie wijze vele gevallen van culturele uitwisseling en samenwerking in de negentiende en begin twintigste eeuw, maar zegt niets over de periode daarvoor. Volgens Willem van den Broeke nam de rol van Zeeuws-Vlaanderen als verbinding tussen het zuiden en Zeeland toe na 1814, maar hij negeert de literatuur die laat zien dat die rol vóór 1795 uiterst belangrijk was. Van den Broeke staat, zoals wel vaker, wat lang stil bij de infrastructurele ontwikkelingen – van belang is overigens dat de spoorwegen in Zeeuws-Vlaanderen een Belgische zaak waren – en verzuimt mogelijk daardoor te vermelden dat ook de industriële ontwikkelingen in de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw voor een groot deel te danken waren aan het bestaan van de grens. Aan het einde van zijn betoog draaft hij een beetje door op de in dit geval nauwelijks relevante centrum-periferie discussie in te gaan.

Een aantal auteurs kijkt wel verder terug dan 1814. Opvallend is daarbij dat dat jaar geen echte cesuur is. Jeanine Dekker schrijft in haar bijdrage over bestuurlijke ontwikkelingen terecht dat de bestuurlijke banden tussen Zeeland en regio al van ver vóór 1814 stammen. Piet van Cruyningen toont aan dat de Nederlands-Belgische grens geen negatieve gevolgen heeft gehad voor de ontwikkeling van de landbouw van de streek op lange termijn. De aandacht voor de vroegmoderne tijd is in deze bijdragen overigens zeer summier. In het artikel over de positie van de katholieken in Zeeuws-Vlaanderen geven Jan de Kort en Willy Verschraegen geen betekenis aan 1814, maar aan 1830, toen de verhoudingen tussen de denominaties verscherpten. Piet de Blaeij laat zien dat de protestanten in Zeeuws-Vlaanderen geen geïsoleerde groep waren, niet vóór 1814 en niet daarna. Marc de Vleesschauwer die over de financiering van de inpolderingen en de invloeden op de inrichting van de polderbesturen in Zeeuws-Vlaanderen vanaf de zeventiende eeuw schrijft, ziet geen radicale veranderingen tussen de achttiende en negentiende eeuw.

Kortom, voor een jubileumboek over 200 Jaar Zeeuws-Vlaanderen is de gekozen benadering niet zo geschikt, maar als smaakmaker voor nieuw onderzoek naar de effecten van grenzen op een samenleving is het boek zeker geslaagd.