Wie onderzoek doet naar De Sphinx heeft iets uit te leggen. De glas- en aardewerkfabriek in Maastricht, opgericht in 1829 door Petrus Regout senior, staat tenslotte niet erg goed bekend. Vaak wordt de naam van Regout gekoppeld aan de Arbeidsenquête van 1886-1887, de parlementaire enquête die onderzoek deed naar ‘de toestand van fabrieken en werkplaatsen’ om te controleren of de wetgeving rondom de inperking van kinderarbeid wel naar behoren functioneerde, of de arbeiders wel een veilige werkomgeving hadden en of er overheidsmaatregelen nodig waren. Vier leden van de familie Regout werden daarbij door de enquêtecommissie gehoord, alsmede een aantal werknemers van de fabriek. Hieruit kwam geen fraai beeld tevoorschijn: in de Maastrichtse fabriek bleken de arbeidstijden zeer lang, de arbeiders soms kinderen en de werkomstandigheden vies en gevaarlijk. Bovendien ging dit de werkgevers nauwelijks aan het hart. Vooral Petrus Regout junior bleek een keiharde patroon: zijn uitspraken, bijvoorbeeld dat nachtwerk voor kinderen zich ‘spelenderwijs’ zou afspelen, of zijn straf voor morrende arbeiders, die hij een maand lang ‘liet wandelen’, schokten de commissie.

Intussen bestaat er ook een ander beeld. Dan gaat het niet om het oppervlakkige imago dat de huidige Sphinx schetst op de website van het bedrijf, waar tussen de foto’s van zogeheten droombadkamers een tijdlijn van de bedrijfshistorie is te vinden. Daarin is in het deel over de negentiende eeuw sprake van de ‘gelukkige hand’ en het ‘goede inzicht’ van pionier Regout en vertelt het over de twintigste eeuw, buiten een ‘desastreuze verstoring van de goede gang van zaken’ tijdens de Eerste Wereldoorlog en een ‘ruwe verstoring van de ontwikkeling’ dankzij de Tweede Wereldoorlog, slechts een juichend verhaal van overnames en fusies. Het andere beeld gaat vooral over de buurt waarin de eerste fabriek was gesitueerd: het Boschstraatkwartier, waar in de negentiende eeuw veel van de werknemers verbleven, deels in de eerste cité ouvrière van Nederland, maar waar ook een deel van de leiding woonde.

Juist deze buurt en haar bewoners is het onderwerp van het proefschrift van Thijs van Vugt, die in februari 2015 aan de Universiteit Maastricht promoveerde op een onderzoek naar de negentiende-eeuwse sociaal-ruimtelijke geschiedenis van het Boschstraatkwartier. Daarin analyseert hij de gevolgen van de oprichting en ontwikkeling van de fabriek van Regout, die vanaf 1829 gaandeweg de economische hartslag van de buurt deed slaan en uitgroeide van een werkplaats met vier personeelsleden tot een fabriek met 3700 arbeiders, daarmee de economische hartslag van de buurt bepalend.

Eerder onderzoek naar deze buurt is in de jaren 1950 gedaan door Harry Litjens, die ‘onmaatschappelijke’ gezinnen onderzocht, en door Frans Maenen, als onderdeel van een sociaal-economische geschiedenis van Maastricht. Deze socioloog en historicus bezagen de buurt als een plaats waar, mede dankzij de fabriek van Regout, ‘onmaatschappelijk’ gedrag de boventoon voerde, veroorzaakt door de armoede waar de bewoners in leefden. Dit resulteerde in een sociale achterstandspositie en een grote verknochtheid aan de buurt. Het Boschstraatkwartier kwam uit hun analyses naar voren als een sociaal en geografisch zeer statisch geheel: wie er geboren werd, bleef arm en vertrok nooit.

Deze visie vormt het uitgangspunt van het onderzoek van Van Vugt: hij analyseert of het veronderstelde verband tussen industrialisatie, pauperisme en onmaatschappelijkheid door middel van uitgebreid historisch onderzoek is aan te tonen. Daarvoor presenteert hij een bewonderenswaardige hoeveelheid data, gegoten in hoofdstukken over de fabriek, de bewoners, de bebouwing en de interne geleding van de buurt gedurende de laatste driekwart van de negentiende eeuw. Door zaken als de migratie naar en vanuit de buurt, het huwelijkspatroon, woningprijzen en bevolkingsdichtheid nauwgezet in kaart te brengen, creëert hij een doorwrocht beeld van de ontwikkelingen van de bewoners en de buurt en hun relatie met de fabriek van Regout. De conclusies van Litjens en Maenen blijken dankzij Van Vugts nauwgezette blik niet te kloppen: zijn grondige, historische onderzoek laat zien dat het leven van de bewoners veel dynamischer was en dat er aanzienlijk meer variatie in de buurt te ontdekken viel dan het traditionele beeld van een verpauperde, passieve massa.

Welke invloed de fabriek op de bewoners had, of de opeenhoping van arbeiders tot desintegratie van families en tot isolement leidde, of er sprake was van toenemende verpaupering in de negentiende eeuw, of het een gesloten buurt was: Van Vugt weet hierop een antwoord te geven door de gegevens die hij verzameld en geanalyseerd heeft. Ondanks dat hij in het laatste hoofdstuk de levenslopen van twee families schetst om de gegevens te toetsen en te illustreren, komen, door de overdaad aan gegevens, buurt, fabriek noch bewoners echt tot leven. En dat is te betreuren, want wie zou niet meer willen weten van het leven van een man als Jean Baden, de glasblazer die maar liefst 83 jaar in dienst was van de Sphinx – van 1862, toen hij als tienjarige jongen in dienst kwam, tot zijn overlijden in 1945 – en daarmee dubbel en dwars de barse uitroep van Petrus Regout jr. – ‘pensionneeren doen we ze niet’ – bevestigde. Die wetenschap is echter niet het doel van de studie. Het onderzoek van Van Vugt levert geen erg leesbaar boek op – door de overdaad aan data raakt de menselijke draad kwijt in het verhaal –, maar het zorgt wel voor een analyse die na lezing een nieuwe blik werpt op de sociaal-economische geschiedenis van een industrialiserende buurt in negentiende-eeuws Nederland.