Op 27 maart van dit jaar opende in Rotterdam het ingrijpend vernieuwde Oorlogsverzetsmuseum. Dit kleine museum is in de jaren tachtig voortgekomen uit de privéverzameling van een Rotterdammer die als kind het bombardement had meegemaakt, en die als therapie voor zijn oorlogstrauma begon met verzamelen. Van een ‘rommelzolder van de oorlog’ is dit museum inmiddels uitgegroeid tot een ‘bombardement experience’, opererend onder de nieuwe naam ‘Museum Rotterdam ’40-’45 Nu’. In een multimediapresentatie worden enkele objecten uit de collectie uitgelicht aan de hand van de persoonlijke verhalen die ermee verbonden zijn. Leerlingen kunnen met een tabletcomputer zelf presentaties maken over de museumcollectie, die andere bezoekers vervolgens op hun tablet tevoorschijn kunnen halen.

Dit Rotterdamse museum voldoet aan alle aspecten van een Nederlands oorlogsmuseum zoals die uit De oorlog in het museum van Erik Somers naar voren komen. Deze verrijkende studie is een analyse van ontwikkelingen in de geschiedenis van de musealisering van de Tweede Wereldoorlog in Nederland sinds 1945, tegen de achtergrond van de veranderende herinneringscultuur van de oorlog. Het boek is oorspronkelijk een proefschrift en komt voort uit een opdracht van het Fries Verzetsmuseum, dat voor zijn herinrichting een onderzoek wenste naar ‘de vraag hoe het verhaal van de oorlog en de betekenis van deze periode op een aansprekende wijze aan toekomstige generaties kan worden doorgegeven’ (22). Daarom wordt in het boek veelvuldig naar het Fries Verzetsmuseum verwezen. Het is tevens de reden dat de nadruk ligt op de huidige tendensen in het ‘toekomstbestendig maken’ van de oorlogsmusea, zoals ook in Rotterdam en op vele andere plekken is gebeurd of binnen afzienbare tijd gaat gebeuren. In die zin is dit een hoogst actueel boek.

Niet minder dan 83 oorlogsmusea werden voor dit onderzoek geanalyseerd (achterin het boek is een handzaam overzicht opgenomen, geordend per provincie. Tevens is er een uitgebreid fotokatern). Hierbij zijn de musea die wel substantieel aandacht besteden aan de Tweede Wereldoorlog, maar uitsluitend als onderdeel van een langere periode of een bredere thematiek, zoals het Rijksmuseum of gemeentelijke historische musea, nog niet eens meegerekend. Deze selectie wordt gemotiveerd vanuit het feit dat de oorlogsmusea in dit onderzoek worden beschouwd als onderdeel en uitdrukking van de herinneringscultuur van de Tweede Wereldoorlog. Om diezelfde reden was de grote, bonte verzameling van kleinschalige, lokaal georiënteerde musea, speciaal opgericht om de herinnering aan de oorlog levend te houden, wel onderwerp van onderzoek. Niettemin was het hoogst interessant geweest om ook de aard, de omvang en de ontwikkeling van de aandacht voor de oorlog in de reguliere historische musea onder de loep te nemen, die immers ook mede vormgeven aan de herinneringscultuur, juist ook om deze te kunnen afzetten tegen het in de oorlog gespecialiseerde museale veld.

Vooral vanwege de inventarisatie van de oorlogsmusea in Nederland is het boek een aanwinst, juist ook omdat Somers op dit punt wel een vergelijking maakt met de rest van de museumwereld. In het meest recente steekjaar 2012 ontvingen de 83 onderzochte oorlogsmusea bij elkaar naar schatting 1.190.000 bezoekers, waarbij voor het Anne Frank Huis enkel de Nederlandse bezoekers werden meegerekend (37). Dit aantal is sinds het herdenkingsjaar 1995 bijna verdubbeld, en steekt ook sterk af bij de bezoekersaantallen van de algemene historische musea, zoals uit de overzichtelijke tabellen duidelijk wordt. Waar het aantal historische musea in Nederland na 2000 licht is afgenomen, blijkt uit Somers’ inventarisatie dat het aantal museale oorlogsinstellingen sindsdien juist is gegroeid: ruim veertig procent van de 83 onderzochte oorlogsmusea is pas na 2000 opengesteld. Hieronder vallen vooral de kleinschalige, niet-officiële oorlogsmusea, die meestal niet meer dan duizend bezoekers per jaar ontvangen. Een derde van alle bezoekers van oorlogsmusea gaat naar een dergelijk kleinschalig oorlogsmuseum, en niet naar één van de veertien professionele en ‘beeldbepalende’ oorlogsmusea als Oorlogsmuseum Overloon, Verzetsmuseum Amsterdam, herinneringscentrum Kamp Westerbork of Indisch herinneringscentrum Bronbeek.

Waar het aantal oorlogsmusea dus gelijke tred houdt met de nog steeds toenemende aandacht voor de oorlog, geeft Somers’ analyse van de presentaties in deze tentoonstellingen een ander beeld. Het overgrote deel van de oorlogsmusea (54 van de 83) heeft namelijk de militaire strijd en de bevrijding als onderwerp. Daaronder zijn vooral de kleinere musea, gevestigd in plaatsen die vanaf najaar 1944 frontgebied waren, maar ook vijf (van de veertien) beeldbepalende oorlogsmusea. Een belangrijke conclusie van dit boek is dan ook dat het museale landschap een inhoudelijke aanvulling vormt op het discours over de oorlog zoals dat in algemene herdenkingen en in de academische geschiedschrijving naar voren komt, waarin verzet en vervolging belangrijke themagebieden zijn.

Dat werpt de vraag op of de lokale, gemusealiseerde oorlogsherinnering en de officiële, nationale herinneringscultuur al dan niet uit elkaar groeien. In het hoofdstuk dat aan deze (iets anders geformuleerde) vraag is gewijd, laat Somers zien hoe de oorlogsmusea steeds meer een herdenkingsfunctie hebben gekregen (228). Als intermediair bieden musea daarnaast, schrijft Somers, noodzakelijke historische context en duiding, waaraan met de toenemende afstand in de tijd meer behoefte is gekomen (228). Een oplettende lezer ziet hier een spanningsveld, dat in het boek echter niet wordt geproblematiseerd. De toegenomen herdenkingsfunctie van musea, waarbij er morele en politieke lessen voor het heden uit het verleden worden getrokken, suggereert dat de musea zich in die zin meer hebben gevormd naar de eveneens zeer moreel gekleurde nationale oorlogsherinnering. Maar uiteindelijk lijkt er vooral sprake van fragmentering. Anders dan de grote, beeldbepalende oorlogsmusea houden de vele lokale oorlogsmusea ‘lang niet altijd gelijke tred met heersende geschiedopvattingen, noch lopen ze in de pas met het nationale discours van de politieke herinnering, waaraan veelal morele boodschappen zijn verbonden’ (316-317). Somers betreurt deze ontwikkeling.

De andere drie inhoudelijke hoofdstukken hebben eveneens een ‘onderscheidend thema van de musealisering van de oorlog’ als onderwerp: de betekenis van het materiële erfgoed, zoals aanwezig in de oorlogsmusea; de politieke herinnering van de oorlog, ofwel de boodschap die de musea uitdragen; en de veranderende verbeelding van de oorlog in museale presentaties. In de praktijk echter zijn deze thema’s niet altijd even gemakkelijk te (onder)scheiden. Somers schetst verschillende scenario’s van de totstandkoming van de diverse museumcollecties en de motieven die daaraan ten grondslag lagen. Duidelijk is dat er (pas) sinds de jaren negentig grote stappen zijn gemaakt in de professionalisering van de oorlogsmusea, in de zin van collectiebeleid en -beheer, management, en de scholing van personeel. Ook is evident dat de (persoonlijke) verhalen bij de objecten de laatste jaren steeds meer nadruk hebben gekregen, en dat de trend van visualisering en beleving onomkeerbaar is. Er is bovendien sprake van ‘glocalisering’: meer aandacht voor het plaatselijke oorlogsverleden, dat verbonden wordt met universele waarden. Maar dat heeft alles te maken met de politiek van de herinnering, die in het derde hoofdstuk wordt uitgelicht.

Somers maakt duidelijk dat de talrijke oorlogsmusea veelal zijn ontstaan op initiatief van direct betrokkenen. Anders dan in veel andere landen kent ons land (nog) geen centraal, nationaal oorlogsmuseum. Niettemin heeft de nationale overheid vanaf de jaren tachtig indirect een zeer grote, sturende rol gespeeld, tot op heden. Deze belangrijke, maar decentrale rol van de overheid heeft volgens Somers de weg vrijgemaakt voor popularisering en marktwerking (316-317). Een vraag die overblijft is wat hiervan de effecten zouden kunnen zijn, en in hoeverre dat in dit (moreel geladen) geval eigenlijk wel gewenst is, bijvoorbeeld in vergelijking tot reguliere (historische) musea.