De Fraters van Tilburg waren vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw de eerste pioniers die in Noord-Brabant het katholiek onderwijs aan jongens vormgaven. In een periode van 75 jaar bouwde deze congregatie in Noord-Brabant een uitgebreid en invloedrijk onderwijskundig bolwerk op en was hiermee een van de grootste actieve Nederlandse fratercongregaties.

Katholiek onderwijs was een cruciaal middel om de katholieke gemeenschap te beïnvloeden en binden. De heersende verlichtingsideeën werden door de katholieke kerk als zeer bedreigend ervaren. Dit antimodernisme vormde in de periode 1844-1916 de basis van katholiek onderwijs en vormingswerk, om zo de dreigende secularisering tegen te gaan.

De katholieke kerk wilde in deze periode op een gerichte, strategische wijze de alledaagse werkelijkheid beïnvloeden en modelleren, stelt Ton Kox in zijn studie (28). Zijn centrale vraag is: op welke manier probeerde de Congregatie van de Fraters van Tilburg tussen 1844 en 1916 de beleving van de alledaagse werkelijkheid te beïnvloeden en te modelleren, om zo te komen tot internalisering van het katholieke wereldbeeld en een afscherming van de buitenwereld? Welke strategie gebruikte de congregatie? En hoe ging de internalisering van katholieke ideeën precies in zijn werk binnen het onderwijs?

Aan de hand van de dagelijkse praktijk van de leerlingen, de onderwijsfraters en de leiding van de congregatie en de katholieke kerk wil Kox de onderlinge krachtverhoudingen analyseren. Om dit proces te onderzoeken gebruikt hij elementen uit de theorieën van Pierre Bourdieu, Michel de Certeau en Erving Goffman. Zo beschrijft hij de architectuur en inrichting van de kloosters en internaten van de Congregatie van de Fraters van Tilburg als ‘totale instituties’ en gebruikt hij Goffmans begrip ‘mortificatie’ om het uiteindelijke doel ervan te omschrijven, namelijk ‘het verlies van autonomie en identiteit’ (34-36). In zijn boek The Practice of Everyday Life (1980) benadrukt De Certeau de onbewuste dimensies, de onderstromen en de vanzelfsprekende dagelijkse routines. Kox wil onder meer proberen te achterhalen op welke manier de non-conformisten onder de leden van de congregatie en onder de leerlingen zich uitten en hoe er tegen hen werd opgetreden. Voor zover het de religieuzen betreft is dit vaak gelukt; zo wordt er in het boek opmerkelijk veel aandacht besteed aan hun meningsverschillen en conflicten. Maar de stem van de leerlingen kan niet meer worden achterhaald, en dit is niet anders voor bijvoorbeeld religieuzen die uittraden. Wel concludeert de auteur op grond van indirecte bronnen, zoals de talloze reglementen, dat leerlingen en religieuzen zich niet vanzelf aan de regels hielden en dat er behoorlijk wat tegenstand geweest moet zijn. Het is interessant dat uit het onderzoek blijkt dat de regels in de loop van de tijd steeds verder werden aangescherpt; na 1915 werden ze zelfs nog strenger, schrijft hij op de pagina’s 324-325. Blijkbaar was het steeds minder vanzelfsprekend voor leerlingen, fraters en paters om absoluut gehoorzaam te zijn en steeds moeilijker om de buitenwereld met zijn ‘moderne’ opvattingen buiten de muren van kloosters en internaten te houden.

De modellen van Bourdieu, De Certeau en Goffman bieden uiterst relevante invalshoeken om de geschiedenis van het katholiek onderwijs en de katholieke opvoeding te analyseren en duiden. Daarom is het wel wat jammer dat Kox ze ‘niet als kant en klaar verklaringsmodel (wil, M.H.) hanteren’, maar alleen ‘attenderend gebruiken’ (27 e.v.); hij licht die keuze ook niet toe.

Zes aspecten van het dagelijks leven stelt Kox in drie opeenvolgende perioden (pionieren, uitbouw en verdere professionalisering van het katholiek onderwijs) telkens chronologisch aan de orde. Het gaat om: de schoolorganisatie en reglementen; de katholieke pedagogiek; de schoolvakken en katholieke onderwijsmethoden; de katholieke buitenschoolse opvoeding; de schoolarchitectuur en inrichting en prominente docenten. Het boek biedt een uitvoerige en gedetailleerde geschiedschrijving van de onderwijsactiviteiten van de congregatie. De auteur analyseert zeer uitvoerig de eigen schoolboeken van de congregatie als normatieve bron. Alle vakken en methodes komen uitgebreid aan bod en hij laat telkens zien hoe de katholieke ideologie daarin expliciet zichtbaar gemaakt werd. Zelfs de rekensommen waren katholiek (‘Adam is 930 jaar oud geworden. Dat is ... eeuwen + ... jaren’, 307).

De onderwijsstrategie van de congregatie was in de periode 1844-1916 zeer succesvol in de beïnvloeding en vorming van het dagelijks leven, concludeert de auteur. Niet alleen op school, maar ook via buitenschoolse activiteiten en opvoeding. Op alle scholen kwamen leerlingen veelvuldig in aanraking met de ‘katholieke devotionaliteit’. Het dagelijks leven van internaatsleerlingen was een kopie van het kloosterleven van de fraters en had de ‘Bijzondere Regelen’ van stichter bisschop Zwijssen als uitgangspunt. Een katholieke pedagogiek bestond in de eerste helft van de negentiende eeuw in Nederland niet; de congregatie ging deze daarom in de loop van de jaren zelf ontwikkelen. ‘Het Mandement van de Bisschoppen’ was vanaf 1868 leidraad voor het katholiek onderwijs in Nederland, maar bevatte geen didactische aanwijzingen. Het ideaal was een volledig door het katholieke geloof bepaald leven.

Het is goed dat het onderwerp seksueel misbruik in het onderzoek ook aan de orde komt. Over de Congregatie van de Fraters van Tilburg kwamen bij de commissie Deetman – die seksueel misbruik in de katholieke kerk vanaf de jaren 1940 onderzocht – de meeste klachten binnen. Met name over jongensinternaat De Ruwenberg in Sint Michielsgestel dat bekend stond om de strenge tucht, inclusief lichamelijk geweld. Ook in de onderzoeksperiode 1844-1916 stuitte de auteur op enkele gevallen van seksueel misbruik in de fraterscholen. Waar mogelijk gaat hij daar ook concreet op in. Hij noemt ook een circulaire uit 1917 waarin een ‘vergrijp tegen de zedelijkheid’ wordt aangehaald en in dat verband verwezen wordt naar de ‘vele betreurenswaardige gevallen de afgelopen vijfentwintig jaren’ (187). Ook ‘het voortdurend waarschuwen door de leiding duidt op onoirbare praktijken’, schrijft hij. Maar toch: door de enorme aandacht voor seksueel misbruik dreigt volgens hem de grote verdienste van de congregatie voor het katholiek onderwijs buiten beeld te raken (38-39). Dat moge waar zijn, maar het een valt niet weg te strepen tegen het ander en met zo’n relativering begeeft de auteur zich op glad ijs.

Ton Kox werd opgeleid aan de Katholieke leergangen in Tilburg en was docent in het katholiek Noord-Brabants onderwijs. Hij spreekt vooral vanuit deze achtergrond wanneer hij in zijn conclusie een relatie impliceert tussen de hoge onderwijskwaliteit en de werkwijze van de congregatie. ‘De veronderstelling dat de Fraters een onderwijscultuur hebben gevestigd die ervoor gezorgd heeft dat het onderwijs in Noord-Brabant nog steeds tot het beste van Nederland behoort, zou wel eens juist kunnen zijn’, schrijft hij op pagina 364. Bedoelt hij dat de onderwijskwaliteit hoog was juist doordat er sprake was van totale instituties, inclusief de kille opvoedingssstijl, de verregaande isolatie van de buitenwereld en de strenge tucht die daarvan deel uitmaakten? Dat is een best verregaande bewering, die echter niet wordt onderbouwd in het onderzoek, omdat de kwaliteit van het onderwijs van de congregatie niet wordt vergeleken met dat van andere richtingen. Uit het onderzoek blijkt juist dat er in het onderwijs vaak een spanning bestond tussen professionaliteit en katholiciteit. Dus zo vanzelfsprekend was de relatie tussen beide blijkbaar niet. Wat ook niet helpt is het feit dat de Congregatie van de Fraters van Tilburg het onderzoek van Kox mede heeft gefinancierd. Dan moet je extra voorzichtig zijn met beweringen die de schijn van subjectiviteit kunnen wekken.

Door zijn focus op het alledaagse leven levert Ton Kox met zijn onderzoek echter zonder meer een erg boeiende bijdrage aan de geschiedschrijving van katholiek onderwijs en katholieke opvoeding in de negentiende en begin twintigste eeuw.