Het huwelijksrecht ten tijde van de Nederlandse Republiek werd gevormd door verschillende juridische tradities, had het stempel van de middeleeuwse katholieke kerk, maar onderging door de Reformatie een stevige verbouwing, vond in de overheid en de publieke kerk – en de spanning tussen deze twee – zijn voornaamste uitvoerders, liet per rechtsgebied tal van verschillen zien en ontwikkelde zich in de praktijk van de historische omstandigheden. Eind zestiende en begin zeventiende eeuw was er nog veel onzeker, moesten nieuwe vragen worden beantwoord en regels gesteld. Eind achttiende eeuw kwam het huwelijksrecht in een nieuwe context te staan. Discussie was er dus altijd en dat verklaart mede de omvangrijke juridische literatuur waarin tijdens de Republiek het huwelijksrecht aan de orde kwam, zoals in de algemene handboeken van De Groot, Van Leeuwen en Van der Linden, verschillende specialistische werken over het huwelijk, bijvoorbeeld van Brouwer en Cos, adviesreeksen (zoals de Hollandse Consultatiën) en verzamelingen jurisprudentie. Rechtshistorici, zoals Van Apeldoorn, hebben later het huwelijksrecht ontleed en historici hebben vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw de bestudering van de sociale en religieuze aspecten van huwelijk, gezin, opvoeding en alleenstaanden onder handen genomen. De overzeese praktijk is daarbij niet vergeten.

Het huwelijksrecht dat in het gewest Holland gold, was in principe ook het recht dat in overzeese vestigingen van kracht was. Maar onzekerheden over de toepassing van voorschriften, werden vanuit de Republiek overzee meegenomen en de omstandigheden daar waren anders. Carla van Wamelen, specialiste op het terrein van het hedendaagse familierecht, stelt de vraag hoe de VOC kwesties van familie- en gezinsleven (‘family life’ in het jargon van het familierecht) oploste. Daarbij gaat het haar vooral om de wetgeving en de toepassing daarvan ten aanzien van het uit de Republiek bekende huwelijk tussen Europeanen, het etnisch gemengde huwelijk en het concubinaat. De positie van alle betrokkenen, man, vrouw en de kinderen die uit relaties werden geboren, moest immers worden bepaald. De auteur bakende haar studie verder af met twee aandachtspunten, namelijk de vraag in hoeverre de VOC het concordantiebeginsel, dat de Compagnie verplichtte het recht van het moederland te volgen, toepaste en ten tweede hoe in het bijzonder de zorg voor kinderen werd geregeld. Het boek is breed opgezet. Het vangt na een inleiding aan met een uitvoerig overzicht van de VOC als organisatie waarvan de bespreking van de rechtspraak, de rechtspositie van de diverse bevolkingsgroepen en de plaats van de gereformeerde kerk het meest to the point is. Na een uiteenzetting over het huwelijksrecht in de Republiek, in het bijzonder van het gewest Holland, volgen hoofdstukken over de handhaving van het huwelijksrecht door de Compagnie, afstammingsrecht en kinderzorg, afgesloten met de opheffing van de VOC en de afwikkeling van een aantal familiale regelingen.

Van Wamelen heeft zich vooral gebaseerd op juridische bronnen, verzameld in het Nederlandsch-Indisch Plakkaatboek, resoluties van het gezag in Batavia over specifieke gevallen of personen en de notulen van de kerkenraad te Batavia, alle voor zover uitgegeven. Dat het gezag in Batavia greep op het huwelijk van de Europese bevolking wilde hebben, blijkt uit de eis dat een huwelijk de toestemming nodig had van de hoogste overheid. Deze volgde zoveel mogelijk de bepalingen van het huwelijksrecht in de Republiek, daartoe vanuit het moederland aangespoord. De verifiëring van bepaalde eisen die aan de huwelijkssluiting werden gesteld, vooral ten aanzien van de toestemming van ouders en het verbod op bigamie, bleek niet altijd eenvoudig. De meest interessante bevindingen betreffen echter de relaties van Europese mannen met niet-Europese vrouwen. Etnisch gemengde huwelijken waren toegestaan en werden bij tijd en wijle gestimuleerd als middel tot kolonisatie en ter beteugeling van concubinaat. Dit laatste was, zoals in de Republiek, verboden, maar in de praktijk was er in toenemende mate sprake van een gedoogbeleid. Ongewild werd het concubinaat overigens in de hand gewerkt, omdat de VOC de overkomst naar de Republiek van inlandse vrouwen tegenging. Over de doop van onwettige kinderen, vooral van een niet-christelijke moeder, was veel te doen geweest, maar uiteindelijk werd tegemoetgekomen aan de behoefte daaraan. Nieuw ten opzichte van de praktijk in de Republiek was het toestaan van adoptie van onwettig verwekte kinderen, die het onderhoud van en de zorg voor een kind ten goede kon komen. Daarmee werd inventief (naar inheems voorbeeld) een oplossing gevonden voor een meer dan incidenteel probleem.

Op grond van de verbijzondering en uitbreiding ten opzichte van het huwelijksrecht dat in de Republiek gold, spreekt Van Wamelen over ‘het huwelijksrecht van de VOC’. Is dat wel een gelukkige term? Zoals hierboven aangegeven was het oud-vaderlands huwelijksrecht als zodanig weinig homogeen. Zelfs binnen Holland bestonden lokale afwijkingen en uitzonderingen. Bovendien deden zich ook elders buiten de Republiek in bijzondere omstandigheden variaties op de Hollandse regels voor, zoals in West-Indië en de Kaap. Het gaat ook ver om van ‘het huwelijksrecht van de VOC’ te spreken als het onderzoek vooral op Batavia gericht is geweest en de rechtspraak en de kerkelijke tucht met betrekking tot huwelijks- en gezinszaken maar deels in kaart zijn gebracht. Toch is dit hier en daar wat encyclopedisch opgezette boek boeiend genoeg en is voor belangstellenden in het vroegere huwelijksrecht en in de geschiedenis van huwelijk en gezin beslist een aanwinst. Zij die in de sociale aspecten van huwelijk, gezin en opvoeding in de vestigingen buiten de Republiek zijn geïnteresseerd zullen aan dit boek niet voorbij kunnen gaan.