Er zijn weinig fenomenen die zo een prominente rol hebben gespeeld in de politieke geschiedenis van Nederland, waarover tegelijkertijd zo weinig systematisch is geschreven als over het populaire orangisme. Het orangisme vormde het overkoepelende mobilisatiekader voor oproeren tijdens het Twaalfjarig Bestand, na de instelling van het eerste Stadhouderloze bewind in 1650, in het Rampjaar 1672 en bij de tumultueuze terugkeer van Willem IV in de rol van stadhouder in 1747-1748. Het vervulde een meer betwiste rol als verzetsthema naast en tegenover alternatieve legitimaties voor oproer in de Patriottentijd en de Bataafse Revolutie. De vorming van een koninkrijk in 1813 was de laatste gelegenheid waarbij dit traditionele oppositionele orangisme een rol van betekenis speelde, maar claims over de liefde voor de Oranjes onder het gewone volk keerden in nieuwe gedaanten terug. Over al deze momenten afzonderlijk is veel geschreven, maar studies naar het populaire orangisme als terugkerend fenomeen ontbreken vrijwel. De publicatie van deze bundel is dan ook zeer welkom, ook al zal ik betogen waarom ze in mijn ogen inhoudelijk op een aantal belangrijke punten tekort schiet.

De kracht van Oranje onder ligt in de poging die door alle hier verzamelde essays heenloopt om de gelaagdheid van het orangisme als fenomeen duidelijk te maken. Daarbij is de expliciete intentie om voorbij de officiële propagandisten van Oranje te kijken en in plaats daarvan de receptie van het orangisme in de onderlagen van de bevolking centraal te stellen. Helaas blijft vaak onduidelijk wie precies tot die onderlagen behoren. Voor sommige auteurs gaat het om de groepen die in de vroegmoderne tijd minachtend werden aangeduid als het grauw. Op andere momenten lijkt het wel alsof de titel Oranje onder zou kunnen slaan op iedereen onder Oranje. ‘Populair’ is dan ook een rekbaar begrip. Maar de meeste auteurs tonen zich hiervan bewust, en zijn juist daardoor in staat het populistische beroep op het volk dat de kern vormde van het populaire orangisme te problematiseren. Daarmee krijgen we meer zicht op zowel constanten als belangrijke verschillen tussen bijvoorbeeld het schutters-orangisme van 1672, het bijltjes-, matrozen- en officiersorangisme van de late achttiende eeuw, het onfatsoenlijk rebelse orangisme van Kaat Mossel en het juist uiterst conservatieve en fatsoenlijke orangisme van de Belgische adel rond de afscheiding van 1830.

De bundel is evenwichtig verdeeld tussen zes essays over het orangisme van voor 1813 en vijf essays over het orangisme daarna. De samenhang tussen de eerste zes is duidelijk groter dan die tussen de laatste groep artikelen. Het blijft de vraag of het gerechtvaardigd is om populair orangisme over deze hele periode als eenzelfde verschijnsel te behandelen. Henk te Velde stelt dit probleem in zijn inleiding aan de orde. Daar zegt hij onder andere: ‘Vanaf eind 1813 had het officiële orangisme de overhand, een orangisme van de staat [...] Dat was nogal wat anders dan het volkse orangisme van november 1813’. Ook met het heruitvinden van orangistisch volksvermaak aan het einde van de negentiende eeuw blijft het gegeven dat het vroegmoderne orangisme zich het sterkst deed gelden als oppositiebeweging, terwijl met uitzondering van de periode 1940-1945 de Oranjes daarna altijd de gevestigde macht vertegenwoordigden. De slotopmerking in de inleiding dat de constante gevonden kan worden in het feit dat orangisme ‘sinds de zeventiende eeuw altijd meer geweest (is, P.B.) dan alleen een product van de Oranjes’ is niet bevredigend. Processen van toe-eigening en aanpassing naar de eigen behoefte zijn eigen aan elke vorm van culturele en politieke overdracht, en dus vanzelfsprekend zowel aanwezig in vroegmoderne rellen als in het zwaaien met Oranje wimpeltjes tijdens een voetbalwedstrijd. Ook het feit dat het moderne orangisme gebruik maakt van de symboliek van het orangisme van de stadhouders en zich richt op dezelfde familie is maar zwak bewijs van continuïteit. Eerder is daarbij sprake van een ‘invented tradition’ bij uitstek, waarin bestaande elementen en symbolen uit de Nederlandse geschiedenis worden ingezet om de wezenlijk nieuwe rol van de monarchie een glans van authenticiteit te geven.

Natuurlijk was het uitvinden en heruitvinden van de rol van de Oranjes ook al een belangrijk onderdeel van het vroegmoderne, oppositionele populaire orangisme. Dat werpt de belangrijke vervolgvraag op wat de verschillende verschijningsvormen van deze politieke stroming onderling verbindt. Het verklaren van het populaire orangisme vormt voor Nederlandse historici zo een lastig probleem, omdat hier het raakvlak ligt van drie mythes. Als eerste is er de mythe van de liefde tussen stadhouder of vorst en het gewone volk, die de Oranjes en hun partijgangers zelf (van bovenaf) cultiveerden. Hierin trad Oranje op als de kampioen van de dankbare maar altijd ondergeschikte bevolking tegen de corrupte regentenkliek. Deze mythe resoneerde én botste met een tweede mythe, die naar voren kwam in populaire mobilisatie van onderaf: het idee van Oranje als aanvoerder en werktuig in een strijd die de lagere klassen zelf tegen de regenten voerden. De twee mythes – een Oranje voor het volk en een Oranje van het volk – leken dusdanig op elkaar, dat ze in het heetst van de strijd gemakkelijk verward konden worden. Aan die gelijkenis ontleenden zij zelfs in belangrijke mate hun geldingskracht. Maar de verwarring die hieruit voortkwam leidde in elke orangistische opstand ook tot conflicten tussen de boven- en onderlagen van de beweging. Het ultieme terrein waar deze spanningen imaginair konden worden opgelost was het verleden. Dit was het werkingsveld van de derde, ultiem kneedbare mythe: die van de historische continuïteit van de band tussen Oranje en het volk als een van de verbindende thema’s in de geschiedenis van de natie.

Om het populaire orangisme goed te begrijpen, is het nodig om deze drie niveaus zorgvuldig uit elkaar te halen. Dat is niet eenvoudig, want zowel in de beschreven momenten zelf, als in de historiografie lopen zij permanent door elkaar heen. De hier verzamelde essays zijn op hun best, waar ze zich concentreren op een van de mythes afzonderlijk en die kritisch ontleden. Maar de bundel als geheel is teleurstellend, omdat op zoveel momenten de net zorgvuldig uit elkaar gehaalde draden achteloos weer aan elkaar worden geknoopt. Te vaak zijn het de aanvoerders van lokale comités, de kapiteins van de schutterijen en marineofficieren, de schrijvers, dichters en intellectuelen – kortom, het middenkader van het orangisme ‘van boven’ – die opgevoerd worden als de vertolkers van het orangisme van onderaf. Over het algemeen bevat de bundel voor een boek met de titel Oranje onder verrassend weinig serieuze geschiedenis van onderaf. Die benadering zou vereisen om de claims die mensen uit de lagere klassen naar voren brachten in de vorm van populair orangisme te plaatsen in de context van hun alledaagse levensomstandigheden, bredere aspecten van de populaire cultuur en de overige, niet-orangistische elementen van hun verzetsrepertoires. In plaats daarvan blijven de beschrijvingen van de steun voor Oranje vanuit de lagere klassen anekdotisch. Daarmee houden zij het beeld van een ongrijpbaar en irrationeel oranjegevoel grotendeels in stand.

De bundel biedt ons een aantal mooie en lezenswaardige doorkijkjes naar verschillende momenten waarop en vormen waarin het populaire orangisme naar voren kwam. Maar om dieper door te dringen tot het raadsel van het populaire orangisme, is het in de bundel gebruikte conceptuele instrumentarium onvoldoende verfijnd.