Nieuw nabuurschap noemt de Utrechtse historicus Jacco Pekelder zijn kleine geschiedenis van de jongste Nederlandse-Duitse betrekkingen. Sinds halverwege de jaren negentig hebben beleidsmakers en overheden een reeks van opvallende initiatieven ontplooid om Duitsland in Nederland positiever in beeld te brengen en de relaties tussen beide landen te intensiveren. Dit leidde vanaf 1995 onder meer tot enkele staatsbezoeken over en weer, tot de oprichting van het Duitsland Instituut Amsterdam en tot het doelbewust creëren van grensoverschrijdende netwerken. Hoewel nauwelijks centraal gecoördineerd, namen deze maatregelen samen de gestalte aan van een ware ‘campagne’, zo analyseert Pekelder terecht (14).

Dit alles was de reactie op de roemruchte crisis in de betrekkingen in de jaren direct na de val van de Berlijnse muur. Het ging om een ijstijd die enerzijds veel verder reikte dan de veelbesproken ‘Clingendael-enquête’ uit 1993 alleen, die het negatieve Duitslandbeeld van Nederlandse jongeren blootlegde, maar anderzijds toch ook weer niet zo diep was als de opgeklopte berichtgeving destijds suggereerde. Dat is althans het beeld dat Pekelder schildert van de opeenstapeling van akkefietjes rondom enkele diplomatieke mislukkingen, de overname van Fokker door het Duitse Dasa en de meesterlijke Der Spiegel-parodie ‘Frau Antje in de overgang’ over het irritante Nederland. Over de gerichte actie die volgde lezen we zeven hoofdstukken, van ‘Crisis’ via ‘Omslag’ tot de ‘Partners’ van tegenwoordig. Pekelder componeert kortom een klassiek succesverhaal, met een geslaagd hoofdstuk ‘Grensregio’ als toegift.

Inderdaad is in deze periode het Nederlandse Duitslandbeeld behoorlijk veranderd, zowel publiek als politiek. Pekelder schetst hoe het eerste Paarse kabinet vanaf 1994 overging tot een expliciete ‘herijking’ van het Nederlandse Europa-beleid, om met name de relaties met Duitsland een nieuwe basis te geven. In de Haagse wereld van Atlantische eenheid en Europese supranationaliteit betekende dat een behoorlijke koerswisseling. Pekelder heeft veel aandacht voor de minister-presidenten en kanseliers – van Kohl en Kok tot Gauck – en waardeert met name de persoonlijke rol van Helmut Kohl, die met veel gevoel voor psychologie tegemoet kwam aan de Nederlandse Calimero-complexen. Goed getroffen is Pekelders observatie dat de Duitsers met betrekking tot het erkennen van historische schuld intussen roomser zijn dan de paus: ze hebben hun lesje in omgang met de op dit punt ‘gevoelige’ Nederlanders intussen zo goed geleerd dat officiële Duitse bezoekers tegenwoordig vaak langer en nadrukkelijker bij het verleden stilstaan dan veel Nederlandse partners nodig vinden.

Het originele van Pekelders verslag is dat hij breder kijkt dan de gebruikelijke diplomatieke kanalen alleen, met zeer bruikbare hoofdstukken over de uitwisseling van journalisten, over onderwijsprogramma’s en wederzijdse regeringsconsultaties. Het werkelijke effect van al deze maatregelen blijft echter moeilijk meetbaar, erkent Pekelder. Zelf ziet hij als de diepste oorzaak achter het in deze jaren volkomen omgeslagen Duitslandbeeld niet zozeer de doelbewuste campagne zelf, maar de sluipende verandering in het Nederlandse zelfbeeld: Duitsland is niet meer de betekenisvolle ander die het in pakweg de jaren tachtig nog wel was. Tot een vergelijkbare slotsom kwam ook Hanco Jürgens in zijn Na de Val. Nederland na 1989, dat eveneens vorig jaar verscheen. Het blijft een tikkeltje onbevredigend dat Pekelder hier geen hardere uitspraken over de reikwijdte van de campagne zelf aandurft.

Pekelders laatste hoofdstuk is het meest verrassend, over de steeds meer zelfstandige rol van de naburige Duitse deelstaten in de bilaterale betrekkingen. Met name het optreden van Noordrijn-Westfalen (NRW) is interessant. Voor 1990 was NRW het onomstreden machtigste bondsland van West-Duitsland, waar ook het kleine hoofdstadje Bonn lag. Maar door de Wiedervereinigung is het relatieve gewicht van NRW afgenomen (er zijn nu meer bondslanden) en door de verhuizing van regering en parlement naar Berlijn is het ook nog in de periferie terechtgekomen. Na een korte identiteitscrisis reageerde NRW op de nieuwe situatie door zelf de banden met de westelijke buren aan te halen. In Düsseldorf kwam zelfs het gewaagde idee op dat NRW zou kunnen toetreden tot de Benelux om zo het eigen internationale prestige te verhogen.

Op dit veld van onderzoek zijn de grenzen tussen subject en object vaag. Want deels is Pekelder – net als de recensent trouwens – vervlochten met de campagne die hij beschrijft. Hij werkte jarenlang beeldbepalend aan het DIA en schrijft nu het succesverhaal van onder meer dit instituut. Zelf presenteert hij Nieuw nabuurschap als een voortzetting van Friso Wielenga’s standaardwerk Van vijand tot bondgenoot (1997), dat ook een soort Aufstiegsgeschichte vertelde en dat de toestand van normalisering destijds al halverwege de jaren negentig dateerde – ondanks de ijstijd in de betrekkingen aan het eind van het boek. Ook bij Wielenga gaf het heden dus richting aan de geschiedenis. Maar hij vertrok tenminste bij een duidelijk dieptepunt – oorlog en bezetting – en kon daarvandaan de blijvende Duits-Nederlandse misverstanden treffend in kaart brengen. Dat zorgde voor een zekere spanning in het verhaal.

Die spanning ontbreekt grotendeels in het tijdvak en in de aanpak van Pekelder. Dat zit hem direct al in het begin: was het dieptepunt van 1993 wel een echt dieptepunt? Pekelder betwijfelt dat en relativeert bijvoorbeeld de Clingendael-enquête nadrukkelijk. De ophef kwam bij de media vandaan: er werd ‘zoveel over gesproken en geschreven dat vrijwel meteen werd geconstateerd dat er van een crisis sprake was’ (18). Ook later richt het ‘weerwerk’ zich steeds tegen ‘de notie van problematische verhoudingen tussen beide buurstaten’ (35). Dit methodisch verder niet uitgewerkte onderscheid tussen de reputatie van de relaties en de relaties zelf roept bij de lezer na een tijdje vele vragen op. Waren de betrekkingen nou wel of niet slecht? Waar lokaliseer je ‘de betrekkingen’? Hoe verhouden regeringsbeleid en brede beeldvorming zich tot elkaar? In dit opzicht blijft het jammer dat Pekelder het voetbal vrij consequent mijdt – terwijl dat qua beeldvorming voor enkele generaties vermoedelijk nauwelijks te overschatten is (en dat de Duitsers tegenwoordig ook nog het betere èn leukere voetbal spelen is een nauwelijks te missen pointe in het hele verhaal).

Nu leidt de analyse geregeld tot wat sussende halfvol/halfleeg-redeneringen. Als bijvoorbeeld in 1993 bij een peiling 31 percent van de ondervraagde Nederlanders aangeeft dat het herenigde Duitsland een gevaar voor de vrede in Europa zou kunnen zijn, noemt Pekelder die groep in vergelijking met andere landen ‘niet bijzonder groot’. En: ‘Op zichzelf lijkt het beeld van de Duitsers ook op dat moment positief te zijn gebleven’ (21-22). Niets aan de hand dus? Eén op de drie Nederlanders vreest een nieuw conflict rondom Duitsland, je zou het ook veel kunnen noemen.

Met dergelijke enerzijds-anderzijds afwegingen maakt Pekelder de bilaterale betrekkingen retorisch bijna immuun voor tegenslagen. Er ontstaat een onverstoorbaar stijgende verhaallijn, waarbij vrijwel elke latere ontwikkeling vooruitgang betekent en waaraan iedereen harmonieus zijn steentje bijdraagt. Dat is een wel erg gepacificeerde blik op de overheidscampagnes, lobbykringen, subsidiegelden en concurrentieverhoudingen, waarbij behoorlijk wat conflictpotentieel onder het tapijt verdwijnt. Voor de jongste paar jaren wordt elke werkgroep, elke commissie, elke bilaterale conferentie uitvoerig besproken zonder dat er verder heel veel opvallends gebeurt. Deze quasi asymptotische benadering van de ultieme eindtoestand – het goede nabuurschap – wekt uiteindelijk wat onbehagen en verliest urgentie. Er gebeuren geen ongelukken en er zijn geen bad guys meer – behalve dan de brede volksmassa die maar geen Duits gaat studeren.

Misschien ontbreekt aan het einde toch de bredere context van de andere Duitse burenrelaties. Natuurlijk is dat op zichzelf een heel ander thema, maar iets meer uitzoomen was wellicht een manier geweest om de afnemende controverse van het onderwerp te compenseren. Aan de andere kant is dit deels de prijs die de historicus betaalt wanneer hij zijn verhaal tot aan het heden toe durft door te vertellen: er is geen logisch eindpunt en de trefzekerheid van de interpretatie neemt daardoor geleidelijk af. Het is te prijzen dat Pekelder deze stappen toch zet, het verhoogt zondermeer de bruikbaarheid van dit mooi vormgegeven en terecht vlug vertaalde boek.