De Nederlandse elite wordt in de tweede helft van de negentiende eeuw met ingrijpende maatschappelijke veranderingen geconfronteerd. Na de liberale grondwetsherziening van 1848 fungeren de ridderschappen niet langer als een bevoorrecht kiescollege voor de adel. Met de uitbreiding van het aantal censuskiezers zet de partijvorming zich door. Op economisch vlak leidt de agrarische crisis in de jaren tachtig tot een blijvende daling van de pachtinkomsten en de grondprijs. In dezelfde jaren bezorgt de industrialisatie rijkdom en aanzien aan een nieuwe groep zakenlui, terwijl de democratisering nieuwe politici op het voorplan brengt. En toch slaagt de oude elite er in om zich te handhaven. Ze blijft sterk vertegenwoordigd in de regering en in het parlement. Ook onder de hoogst aangeslagen belastingplichtigen blijft ze topposities innemen. Het meest opmerkelijke is dat vele vertegenwoordigers van de oude elite hierbij hun traditionele identiteit weten te bewaren.

Moes komt tot deze bevindingen in drie stappen. Hij bestudeert eerst de politieke machtspositie, vervolgens het financieel vermogen en tenslotte het sociaal prestige van de elite. Het onderzoek naar de politieke invloed wordt gevoed door de gedigitaliseerde databank van het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden. Op basis van deze gegevens toont Moes hoe de meerderheidspositie van de traditionele elite in regering en parlement tot 1870 goed stand houdt en zelfs nog sterker wordt. In de jaren zeventig zet de nieuwe elite een inhaalbeweging in en rond 1890 verwerft zij een meerderheidspositie die de volgende decennia steeds groter zal worden. Toch legt Moes de nadruk op de continuïteit. Hij spreekt over het ‘lange afscheid van het Haagse pluche’ en benadrukt de aanhoudende ‘oververtegenwoordiging’ van de oude elite tot 1914. Bijzonder opvallend is verder de politieke verdeeldheid onder de oude families. Zij zijn er dus niet in geslaagd een specifiek politiek beleid door te drukken.

Moes benadrukt graag het ‘disproportioneel’ aandeel van de oude elite, en meer bepaald van de adel, zowel in de bestuursfuncties als in de vermogenshiërarchie. Hij spreekt in dat verband ook over een ‘onevenredig’ aandeel en ‘oververtegenwoordiging’. Deze uitspraken steunen op een louter procentuele berekening en zijn bestemd om de continuïteit in het licht te stellen. De woordkeuze suggereert dat de uitkomst evenredig had moeten zijn en dat oude en nieuwe geslachten evenveel kans maakten op regeringsdeelname of op een zetel in het Hoger en het Lager Huis. Dit wordt echter niet aangetoond. Moes schijnt er zich over te verwonderen dat de oude elite tot de Eerste Wereldoorlog een sterke aanwezigheid in regering en parlement behield. In feite toont zijn studie aan dat de politieke oververtegenwoording van de adel niet kan toegeschreven worden aan de electorale bevoorrechting van de ridderschappen tot 1848, maar eerder aan de beperking van het Nederlandse kiezerskorps tot een minderheid van notabele burgers. De teruggang van de adellijke vertegenwoordiging valt immers samen met de invoering van het algemeen kiesrecht en de dominantie van het partijwezen. Dit is ongetwijfeld het beslissende keerpunt, zoals Moes zelf suggereert, maar spijtig genoeg laat de gekozen periodisering hem niet toe om dit aan te tonen.

Het onderzoek naar de vermogenspositie van de oude elite steunt op een aantal lijsten van de verkiesbaren voor de Eerste Kamer (tot 1893). Om de bias van de belastingheffing te corrigeren wordt aan deze gegevens een steekproef van erfenisaangiften toegevoegd. In beide gevallen wordt Moes eens te meer getroffen door het ‘onevenredig’ aandeel van de oude elite. De gegevens worden voorbeeldig besproken (omvang van de rijkdom, ongelijke verdeling, vererving, samenstelling van het vermogen en vermogensbeheer), maar spijtig genoeg vindt men geen globaal antwoord op de vraag naar de chronologische evolutie in het aandeel van de oude families. Wel wordt verduidelijkt dat de rijkste geslachten er het best in slaagden om hun vermogen intact te houden. Het valt te betreuren dat in dit verband geen gegevens beschikbaar zijn over het gemiddeld aantal gehuwde en ongehuwde kinderen in deze gezinnen. Het zou een aanwijzing geven van de opsplitsing van het familiaal patrimonium. Een opvallend resultaat van het onderzoek is alleszins de afkeer van de traditionele elite voor risicovolle industriële en financiële investeringen.

Na het onderzoek naar macht en welstand bestudeert Moes in een laatste deel de sociale verhoudingen binnen de elite. Hij stelt vast dat alleen de hogere geledingen van de oude elite hun exclusieve levensstijl konden behouden en ook onder elkaar bleven huwen. Bij de minder gegoede families is er sprake van een verburgerlijking zowel van de levensstijl als van de allianties: het renteniersbestaan wordt opgegeven voor een beroepsactiviteit in de privésector, het buitenverblijf wordt verlaten, het huispersoneel wordt beperkt, niet alleen dochters, maar ook zonen sluiten huwelijken buiten de eigen stand. De verburgerlijking van de aristocratie begon dus onderaan de ladder.

Om het eigen onderzoek in een internationaal perspectief te plaatsen verwijst Moes herhaaldelijk naar de doctorale dissertatie van Anthony Cardoza (Aristocrats in Bourgeois Italy: The Piedmontese Nobility, 1861-1930) en naar de synthesewerken van Ellis Wasson (Aristocracy and the Modern World) en Dominic Lieven (The Aristocracy in Europe, 1815-1914), al zijn deze laatste twee werken niet altijd statistisch onderbouwd. De dissertatie van Alice Bravard, die nauw verwant is met het onderzoek van Moes, verscheen spijtig genoeg te laat (Le Grand Monde parisien. 1900-1939: La persistance du modèle aristocratique, 2013). Bij de bespreking van de gevolgde methodologie komt er ook een obligate verwijzing naar de theorie. Hier worden de namen genoemd van Max Weber, Pierre Bourdieu en Erving Goffman. De bespreking van deze theoretici beslaat nauwelijks vijf bladzijden en uit het register blijkt dat ze ook verder in het boek weinig aan bod komen. Andere bekende theoretici zoals Pareto of Veblen worden niet of nauwelijks genoemd. Moes verkiest blijkbaar uit te gaan van een eigen vraagstelling en hypothesevorming. Waarom ook niet?

Een grote verdienste van deze studie is de verbreding van het onderzoek tot niet-adellijke deelgroepen van de Nederlandse elite. Hierbij neemt Moes naast de jaarboeken van de adel (de rode boekjes) ook de blauwe boekjes van het patriciaat als uitgangspunt. Opmerkelijk is zijn opsplitsing van het patriciaat in oude en nieuwe families. Moes rekent alle families die voor 1848 al tot de groep behoorden tot het oud patriciaat. Naar zijn mening is de afstand tussen de adel en het oud patriciaat kleiner dan de afstand tussen deze beide groepen en de nieuwkomers, ongeacht of deze in het blauwe boekje werden opgenomen of niet. In de opeenvolgende hoofdstukken worden de vier groepen soms tegen elkaar afgezet, maar meestal worden de oudere families tegenover de nieuwkomers geplaatst. De term ‘aristocraten’ moet duidelijk maken dat alleen de top van de elite (minder dan 20 percent van alle families uit de rode en blauwe boekjes) in het onderzoek betrokken wordt.

Deze bijzonder goed gedocumenteerde en heldere studie roept onvermijdelijk verdere vragen op over het voor- en naspel. Van wanneer dateert het aristocratisch overwicht in de Nederlandse samenleving? Blijkbaar verscheen het boek van Paul Brusse en Wijnand Mijnhardt (Towards a New Template for Dutch History: De-urbanization and the Balance between City and Countryside (Zwolle, Utrecht 2011)) te laat om door Moes nog besproken te worden. De huidige positie van de Nederlandse adel is al uitvoerig bestudeerd door Jaap Dronkers, maar de tussenoorlogse periode blijft voorlopig nog een blinde vlek.