Europa in alle staten is een ambitieus, collectief werkstuk van enkele docenten Europese integratiegeschiedenis uit Nijmegen en Amsterdam. Dit politiek-historisch overzicht, bedoeld voor gebruik aan de universiteit door bachelor- en masterstudenten, wil meer zijn dan het doorsnee, doorgaans Engelstalig inleidend handboek. Tegelijk legt het voor de lezer de lat minder hoog dan bijvoorbeeld in de bestseller De passage naar Europa. Geschiedenis van een begin (2009) van Luuk van Middelaar [zie het uitgebreide discussiedossier in BMGN-Low Countries Historical Review 125:4 (2010)] dat ‘een aanzienlijke historische en institutionele voorkennis’ veronderstelt, zoals in de inleiding terecht wordt opgemerkt. Dat Van Middelaars concept van de ‘tussensfeer’ geregeld opduikt, wijst er overigens op dat Europa in alle staten geenszins louter ontspannende lectuur is.

Hoewel historisch van opzet heeft het boek een stevige politicologische inslag. Dat blijkt niet alleen uit de aandacht voor concepten uit de veeleer politicologische EU-studies, zoals bijvoorbeeld ‘gedifferentieerde integratie’ (250). Het blijkt ook en vooral uit de aandacht die besteed wordt aan de spanning tussen supranationalisme en intergouvernementalisme, de aandacht voor andere wetenschapsdisciplines dan geschiedenis, met name de politicologie maar ook de rechtsleer. De auteurs onderstrepen voorts ‘het open karakter van historische processen, de contingente invloed van personen en context’ (15) dat zich afzet tegen een al te eenzijdig teleologische, deterministische benadering van het Europese integratieproces. De naar eigen zeggen beknoptheid van het historische overzichtswerk (nou ja, 351 pagina’s) staat uitgebreid stil bij ‘de complexiteit, gelaagdheid, vervlechting en de veelheid van nationale posities en Europese beleidsterreinen’ (15). Omwille van die reden zijn in elk hoofdstuk ‘verdiepende casestudies, bronanalyses en korte schetsen van de theorievorming’ opgenomen. Europa in alle staten is met andere woorden stevig ingebed in het onderzoek naar het waarom en het hoe van meer dan zestig jaar integratiegeschiedenis.

Het boek is opgedeeld in vijf chronologische hoofdstukken waarbinnen de grote thema’s en episodes uit de diverse periodes aan bod komen. Telkens wordt naast de historische ontwikkeling en de instellingen aandacht besteed aan de theorie, de historiografie en de bronnen, alsook aan wat de auteurs omschrijven als ‘het andere Europa: capita selecta over politieke actoren en aspecten van het integratieproces die in het klassieke verhaal tekortkomen’ (16). Dit alles resulteert in een soort matrixstructuur waarbij binnen elk van de vijf hoofdstukken een thema wordt uitgediept. In het eerste gedeelte ‘Vele wegen naar Europa’ (van het ontstaan van het Europese integratieproces tot aan de Verdragen van Rome) wordt ‘de omgang van politici en burgers met de grootse idealen van de federalisten’ (17) belicht. In het tweede deel – ‘De Europese Gemeenschappen in opbouw’ (van de Verdragen van Rome tot aan de uitbreiding van 1973 – staat ‘de krachtmeting tussen de (grote en kleine) lidstaten en tussen lidstaten en Europese instituties’ centraal. In het derde deel – ‘Waartoe dient Europa?’ (van 1973 tot aan de Eenheidsakte) onderstreept de voorrang van de economie op de politiek. In ‘Van Gemeenschap naar Unie’ – het vierde deel dat loopt van 1985 tot aan de milleniumwissel – keert Europa zich naar binnen: de zogenaamde governance staat bovenaan de agenda. In het laatste deel – ‘Een Grondwet voor een groot Europa’ – worstelt ‘de Europese democratie’ met ‘haar deficiënties’. In elk van de vijf hoofdstukken komen in mindere of in meerdere mate vijf strategische dilemma’s aan bod: uitbreiding versus verdieping, Europeanisering versus mondialisering, politisering versus depolitisering, exclusiviteit versus inclusiviteit en burgers versus staten. Deze dillema’s beklemtonen de grote mate van continuïteit van zestig jaar Europese integratiegeschiedenis alsook de inherente en dus onvermijdelijke complexiteit en gelaagdheid van dat proces.

De lezer wordt verwend met een gebruiksvriendelijke aanpak. Na een overigens overbodig voorwoord door Tom de Bruijn (Nederlands ambassadeur bij de EU van 2003 tot 2011) biedt de inleiding al meteen houvast. Het is zonneklaar dat over het opzet van het boek alsook de communicatie met de lezer grondig is nagedacht. Al ontbreekt een besluit, het boek sluit af met een overzichtelijke chronologie, een uitgebreide bibliografie en personen- en zakenregister. Handig zijn voorts de richtlijnen in het boek, zoals enkele praktische aanwijzingen in verband met het gebruik van jaartallen (27) en hoe het best gebruik wordt gemaakt van beleidsdocumenten (301-302). De tabel over economische, monetaire en fiscale integratie op pagina 35 toont meteen waar het met Europa naartoe gaat maar de viervoudige loutere herhaling (op 83, 157, 195, en 273) biedt nauwelijks meerwaarde. De figuur met het groeiende amalgaan aan instellingen en onderlinge verbanden duikt in verschillende stadia op (47, 85, 159, 199 en 246) en illustreert daarentegen de in de tijd steeds toenemende complexiteit van wat vandaag de EU heet. Wellicht bedoeld om de leesbaarheid te vergroten ontbreken helaas alle referenties in de tekst en is het aantal voetnoten tot een minimum beperkt. Toch vreemd voor een historisch overzichtswerk, niet? Niemand betwist bijvoorbeeld de stelling van ‘de lage vertegenwoordiging van vrouwen in hogere beleidsfuncties’ (69) maar een eenvoudige bronvermelding had hier niet misstaan. Net zoals de vermelding van de memoires van Wilfried Martens (162) voldoende lijkt te zijn om het op te nemen in de bibliografie. Ook het ontbreken van de auteursnamen in de inhoudstafel oogt vreemd, of bezitten de redacteurs expertise over alle tijdsperiodes en hebben ze aan alle hoofdstukken evenveel geschreven?

Europa in alle staten verdient het echter om gelezen te worden. Het gaat zeer breed en diep tegelijk. Er wordt de lezer een veelheid aan diverse soorten informatie en inzichten aangeboden – niet alleen bijvoorbeeld over de rol van politieke partijen (171 e.v.) maar ook die van denktanks (226 e.v.) wordt voor het voetlicht geplaatst – en ook enkele minder bekende episodes uit de Europese integratiegeschiedenis worden niet vergeten, zoals de door de latere Benelux-landen in 1932 afgesloten ‘Overeenkomst van Ouchy’ (34) of meer recentelijk het ‘Partnership for Peace’ uit 1994, de wachtkamer voor de NAVO-uitbreiding van 1999 (203). Ook personen, feiten en documenten die niet tot de Europese canon behoren, zoals de ‘Verklaring over de Europese identiteit’ van Europese Raad van Kopenhagen van 1973 (235), krijgen ruimschoots aandacht. Ze worden allemaal opgenomen in een lange geschiedenis, van vlak na de Tweede Wereldoorlog tot aan de eurocrisis, en ingebed in de brede stroom van politieke en economische ontwikkelingen van het Europese continent. Hiermee bewijzen de auteurs dat ze in staat zijn de hoge verwachtingen ruimschoots in te lossen.