Eindelijk is er een volwaardige biografie van Jan de Quay (1901-1985), de katholieke politicus die vanaf de jaren dertig tot ver in de jaren zestig een vooraanstaande rol speelde in het Nederlandse maatschappelijke en politieke leven. In 1940-1941 kreeg De Quay nationale bekendheid als leider van de omstreden Nederlandse Unie. Na de Bevrijding was hij eerst twaalf jaar Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant voordat hij in 1959 minister-president werd van het eerste naoorlogse kabinet zonder de socialisten.

In zijn Jan de Quay heeft Cees Meijer, docent Recht aan de Hogeschool Utrecht, niet alleen aandacht voor de Nederlandse Unie en het kabinet-De Quay (1959-1963) maar ook voor het familieleven, voor de vooroorlogse tijd als hoogleraar in Tilburg, voor de jaren in Noord-Brabant en voor de periode na 1963 waarin De Quay actief was in het Nederlandse bedrijfsleven. De auteur valt te prijzen dat hij zijn ambities zo hoog stelt. Maar of hij erin slaagde de gecompliceerde levenswandel van zijn hoofdpersoon te ontwarren, is een andere zaak. De rommelige inleiding loopt uit op een wel erg algemene vraag: ‘wat was de betekenis van De Quay voor de geschiedenis van Nederland?’ Ook Meijers opvatting over hoe een biografie eruit moet zien, stelt de lezer voor vragen: ‘Omdat mensen zich tijdens hun leven ontwikkelen, en al dan niet door ingrijpende ervaringen en gebeurtenissen van gedachten kunnen veranderen, moet de biograaf ervoor waken een levensverhaal uit één stuk te vertellen’.

De complicaties beginnen al met De Quay’s rol in de discussie over politieke vernieuwing in de jaren dertig. Meijer heeft grote moeite de vage, autoritaire politieke opvattingen van zijn held samen te vatten. Het blijft daardoor onduidelijk hoe het mogelijk was dat iemand tegelijkertijd sympathiseerde met de felle critici van de katholieke politiek èn in 1937 op de nominatie stond om voor de RKSP minister te worden. Hoe kon het dat De Quay meende dat de katholieken moesten opgaan in de gehele Nederlandse gemeenschap en tevens banden onderhield met de regionale beweging ‘Brabantia Nostra’?

Meijer heeft niet veel bronnenonderzoek gedaan. Meestal baseert hij zich op secundaire studies, zoals de dissertatie van Wichert ten Have over de Nederlandse Unie en de publicaties van het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis over het kabinet-De Quay. Probleem daarbij is dat De Quay natuurlijk niet centraal staat in die studies. Had Meijer niet toch wat dieper in het bronnenmateriaal kunnen duiken? Zo schrijft hij dat in de studie van Robin te Slaa en Edwin Klijn over de NSB niets te vinden is over direct contact tussen De Quay en de NSB. Meijer vermeldt echter niet dat Ten Have aantoont dat contact in 1933 wel degelijk heeft plaatsgevonden; laat staan dat hij diens bronnen heeft nagetrokken. Ook over De Quay’s rol in de naoorlogse politiek had Meijer misschien nader onderzoek moeten verrichten. We wisten al dat Beel en Romme in 1959 een apolitieke bestuurder zochten die in staat was het vertrouwen te wekken van zowel de rechter- als de linkervleugel in de KVP na de breuk met de PvdA. Maar hoe de KVP-kopstukken nu precies over De Quay dachten, blijft onduidelijk. Bekend was ook dat de jonge katholieke politicus Norbert Schmelzer als staatssecretaris op Algemene Zaken werd aangesteld om de onervaren De Quay te ‘chaperonneren’. Veel nieuws komen we er niet over te weten. Waarom heeft Meijer geen gebruik gemaakt van Schmelzers dagboek dat sinds enkele jaren volledig toegankelijk is op het Nationaal Archief?

Meijers belangrijkste primaire bron vormen de dagboeken die De Quay vanaf september 1944 tot aan zijn dood bijna elke dag bijhield. Sinds 1988 is een ingekorte, getranscribeerde versie toegankelijk voor historisch onderzoek. De originele aantekeningen bleven echter geheim. De manier waarop Meijer met de dagboeken omgaat, is om verschillende redenen problematisch. Allereerst maakt hij niet goed duidelijk wat het verschil is tussen de twee versies. Hij heeft de originele schriften kennelijk mogen inzien en kwam tot de conclusie dat ‘geen essentiële gegevens’ ontbraken. Eerder meldde hij evenwel dat in de transcriptie ‘alle gebeden van De Quay en zijn notities over echtgenote, kinderen en andere familiezaken’ waren weggelaten. Zijn dat geen ‘essentiële gegevens’ voor een biograaf? Vergeefs zoekt de lezer in het – overigens nogal chaotische – notenapparaat naar verwijzingen naar de originele dagboeken. Hinderlijk is tevens dat Meijer nogal slordig omgaat met de teksten (zoals hij ook andere bronnen vaak niet juist citeert).

Een ander probleem is de interpretatie van de dagboekaantekeningen. De afgelopen decennia hebben historici dankbaar van deze bron gebruik gemaakt: de rake typeringen van collega-politici (Luns!, Klompé!), de kritiek op de Haagse politiek en de grote aarzelingen over zijn eigen capaciteiten zijn immers bijzonder de moeite waard. Maar hoe moet een biograaf daarmee omgaan? Het is jammer dat Meijer geen aandacht besteedt aan wat anderen hierover hebben gezegd. Zo waarschuwde Jan Walravens (onder meer in het Biografie Bulletin in 1994) dat de dagboeken het zicht op De Quay – die zijn dagboek vooral als ‘biechtvader’ gebruikte en daarbij voortdurend op zoek was naar zijn eigen zwakke plekken – konden vertroebelen. Dat geldt vooral voor de talrijke momenten waarop De Quay zijn onzekerheden kenbaar maakte. Af en toe lijkt Meijer zich hiervan bewust te zijn als hij schrijft over de verhulde politieke ambities van zijn hoofdpersoon. In 1959 liet De Quay zich – ondanks alle in het dagboek geuite weerzin tegen het premierschap – ‘toch tamelijk snel’ overhalen zijn nieuwe ambt te aanvaarden. Maar dergelijke bespiegelingen zijn zeldzaam.

De auteur komt ook niet toe aan het beantwoorden van Walravens’ vraag of het dagboek het beeld van ‘amateur politicus tegen-wil-en-dank’ niet teveel heeft beklemtoond en daardoor een vertekend beeld van het premierschap geeft. Na een moeizaam begin ontpopte De Quay zich als een goed teamleider die het kabinet tot een eenheid wist te maken. Ministers waardeerden zijn warme persoonlijkheid en gevoel voor humor. Terecht wijst Meijer op de belangrijke rol die de premier speelde in de afronding van de Nieuw-Guineakwestie in 1962. Nederland stond onder zware internationale druk de laatste kolonie in de Oost over te dragen aan Indonesië. In de ministerraad stonden haviken en duiven tegenover elkaar. In tegenstelling tot wat Meijer stelt, had De Quay geen duidelijke opvattingen over de kwestie. Zo deelde hij lange tijd de opvatting dat gevolg gegeven moest worden aan de belofte van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s. Belangrijk was daarentegen de samenbindende persoonlijkheid van de premier. Hij was het die het sterk verdeelde kabinet uiteindelijk zo ver wist te krijgen de bittere pil van de overdracht te slikken.

De interessantste hoofdstukken in deze biografie gaan over de episodes waarvan we nog niet veel wisten, zoals de jaren waarin De Quay met veel succes leiding gaf aan de modernisering van Noord-Brabant en zijn activiteiten als topman in het bedrijfsleven. Lezenswaard is ook het hoofdstuk over het debat in de jaren 1960 en 1970 over het Unieverleden. De Quay meende dat hij wellicht te naïef was geweest ten aanzien van de Duitse bezetter, maar voelde zich vooral diep gegriefd en oneerlijk behandeld. Waarschijnlijk terecht oordeelt Meijer dat naast goedgelovigheid in 1940-1941 ook De Quay’s ambities en plichtsbesef een rol hebben gespeeld.

Al met al is Jan de Quay een integrale biografie waarvan de hoofdstukken over de politiek helaas weinig nieuws bieden.