Onlangs verscheen van de Amerikaanse schrijver James Patterson de thriller Private Vegas. Zijn uitgever bedacht een bijzondere stunt ter promotie van het boek. Duizenden lezers ontvingen de digitale versie vijf dagen vóór de reguliere uitgave, maar waren bij het lezen gebonden aan een tijdslimiet. Wie het 384 pagina’s tellende e-boek niet binnen 24 uur voltooide, zag het voor zijn neus ontploffen door een in beeld verschijnende C4-bom. De limiet beoogde de nieuwsgierigheid te wekken en wie niet op tijd was, zou alsnog het boek moeten kopen. De kunstgreep doet denken aan een epistolair gebruik uit vroegere tijden. De vroegmoderne brief had een vertrouwelijk karakter. Deze was gericht aan bepaalde lezers, aangezien het de gewoonte was deze te laten circuleren in nabije vrienden- en/of familiekring. Ondanks de confidentiële aard van de brief moest de afzender voorzichtig zijn met het oog op onderschepping en oneigenlijk gebruik door al te nieuwsgierigen. Hij kon de boodschap verhullen door geheimschrift, codes en schuilnamen. Verder kon de auteur melden dat het schrijven vernietigd moest worden na afloop. Met andere woorden: de brief had een vertrouwelijk karakter, maar de auteur moest ook kunnen vertrouwen op de geadresseerde.

Het belang van precies deze confidentiële gesteldheid als onderzoeksobject heeft prof. dr. Henk Nellen in zijn bijna veertigjarige loopbaan, als een van de weinige historici, aan de orde gesteld. Dit deed hij aan de hand van de geleerdencorrespondentie van Hugo de Groot, waarin het thema veelvuldig terugkeert. In november 2014 nam de Grotius-kenner bij uitstek afscheid van het Huygens ING en de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar hij respectievelijk werkzaam was als senior onderzoeker en bijzonder hoogleraar in de Ideeëngeschiedenis. Geïnspireerd door genoemde confidentialiteit stelden collega’s van het Huygens ING de huldebundel In vriendschap en vertrouwen samen, die Nellen ontving bij zijn afscheid.

De verzameling bestaat uit een twintigtal bijdragen van uiteenlopende aard. Naast een voorwoord en een inleidend stuk over confidentialiteit, gaat een biografie van de gelauwerde vooraf aan de artikelen en vormt een bibliografisch overzicht van diens wetenschappelijke loopbaan het sluitstuk. De bijdragen worden ‘enigszins tegendraads’ in retrogade volgorde gepresenteerd, bij wijze van ‘tijdreis van het heden naar de klassieke Oudheid’ om zo de lezer mee te nemen op een ‘historische verkenningstocht naar allerlei voorbeelden van vertrouwen, vertrouwelijkheid en intimiteit’. Wordt er teruggegaan in de tijd omdat de lezer wellicht het meest vertrouwd is met het hedendaagse? Of wil dit verhullen dat de schakeling met het centrale thema voor wat betreft de Oudheid ietwat moeizaam is? Hoe het ook zij, het doel van de bundel is aspecten toe te voegen aan de reeds door Nellen vergaarde inzichten over confidentialiteit, en wel aan de hand van andere bronnen, tijdvakken en milieus dan diens geleerdenbrieven uit de vroegmoderne tijd. Tegelijkertijd wil de bundel voorbeelden aanreiken van het veelzijdige, historisch-analytische onderzoek dat aan het Huygens ING wordt verricht, waarin Nellen een onschatbaar aandeel heeft gehad.

De tijdreis begint met de schijnbare vertrouwelijkheid van internetfora en het daardoor gevormde Dagboek van een kindermeisje (2007) en eindigt met confidentialiteit in het dierkundig werk van Aristoteles (384-322 v. Chr.). Alleen al deze afbakening geeft een idee van de rijkheid van deze bundel. Aan de hand van uiteenlopend bronnenmateriaal komt steeds naar voren hoe veranderlijk en daarom ook hoe lastig te bepalen de concepten confidentie, vertrouwelijkheid en intimiteit kunnen zijn. De onderzoekers hebben zich bediend van klassieke egodocumenten uit verscheidene eeuwen als brieven, het meest gebruikt, en ook dagboeken en memoires. Herhaaldelijk zoeken zij de spanning tussen het publieke en het private op en stellen zij zich de vraag of bronnen al dan niet het stempel ‘egodocument’ verdienen, aangezien karakteristiek voor dit soort documenten is dat deze voor een zeer gelimiteerd lezerspubliek bestemd zijn en dus een (zeer) vertrouwelijk karakter hebben. Niet geheel verrassend pakt dat positief uit, bijvoorbeeld in het geval van liefdesgedichten van de Leidse geleerde Dominicus Baudius (1611), een onlangs ontdekt Vlaams familieboekje dat de zeventiende tot en met de negentiende eeuw bestrijkt en een epideiktisch vertoog inclusief lofspraak, vervat in een typische humanistenbrief, aan het adres van Desiderius Erasmus.

Zo verschillend als de bronnen zijn, zo uiteenlopend zijn ook de bijdragen als het gaat om benaderingswijze. Verscheidene verhandelingen dragen bij aan het wetenschappelijke debat. De grotendeels nog ongepubliceerde brieven van Albert Verwey uit de periode 1889-1894 doen een ander, nieuw licht schijnen op wat hij zelf zijn ‘vyf jaar eenzaamheid’ noemde. Het onderzoek naar de sleutel tot de grote lijst namen van personen die figureren in Het Bureau is eveneens vernieuwend. Innovatief is ook de originele, methodologische bijdrage over de door een betrouwbare wetenschappelijke biograaf na te leven integriteitscodes, gedemonstreerd aan de hand van Willem Frederik Hermans’ biografie. Hieruit blijkt dat de lezer gemakkelijk, nietsvermoedend op het verkeerde been gezet kan worden. Hier tegenover staan bijdragen die met name een beschrijvend karakter hebben en waarvan niet altijd direct duidelijk is hoe deze te koppelen zijn aan het overkoepelende thema. Het stuk over de speciale gevoelens die luitenant-generaal Jan Willem Janssens voor de echtgenote van Napoleon, keizerin Joséphine, koesterde, lijkt genoeg interessante aanknopingspunten te bieden. Hierin komt echter bijvoorbeeld niet naar voren hoe bijzonder hetgeen is dat en wat een adjudant van de genoemde generaal in zijn memoires over dit onderwerp allemaal schreef. Hetzelfde geldt voor de brieven van de negentiende-eeuwse predikant Anton Gerard van Hamel, waaruit zijn persoonlijke leven wordt opgetekend. Hoe verhouden diens ervaringen met de liefde zich tot andere tijd- en ambtgenoten?

Rest de vraag hoe storend het is dat niet alle verhandelingen even kritisch zijn. We moeten deze toch vooral zien als verkenningen naar een variëteit aan voorbeelden van vertrouwen, vertrouwelijkheid en intimiteit, waaruit wetenschappers genoeg inspiratie kunnen halen voor verder onderzoek. Maar bovenal is de lofbundel een liber amicorum, die met recht eveneens tot het genre egodocumenten gerekend kan worden. De verzameling werd met het ter perse gaan openbaar gemaakt, maar draagt de titel In vriendschap en vertrouwen. Waar bemoeien we ons eigenlijk mee?