Herinneringen aan de Opstand in de Nederlanden hebben zich in de zeventiende en achttiende eeuw ver en divers verspreid. In 1627 publiceerde de uit de Nederlanden afkomstige drukker Pedro Craesbeeck in Lissabon een Spaans verslag door de katholieke clarisse Cathalina del Spiritu Sancto van de vlucht van enkele van haar medezusters uit Alkmaar in 1572, van het roerige decennium van steeds weer vluchten dat er op volgde en van hun uiteindelijke veilige landing in een door de Spaanse koning Filips II gepatroneerd Lissabons klooster. Twee eeuwen later, van 1780 tot 1786, werd het klooster herbouwd in rococostijl. Bij die gelegenheid werd de kerk opgesmukt met een reeks medaillons van blauwwitte tegels (azulejos) waarop verschillende fases van de migratie van de Nederlandse nonnen uitgebeeld zijn op basis van de kroniek van Cathalina. Beide, de kroniek en de tegels, zijn het onderwerp van dit boek. Ze tonen hoe in Portugal de fallout van de Nederlandse Opstand lang in het collectieve katholieke geheugen verankerd bleef.

Het boek brengt voor het eerst een uitstekende Nederlandse vertaling van het origineel. De vertaling is zorgvuldig geannoteerd met zowel verwijzingen naar Bijbelcitaten als naar soms moeilijk toegankelijke informatie over de Iberische wereld waar deze kroniek voluit in past. Na de vertaling volgen twee essays van de initiatiefnemers van dit project. Joke Spaans belicht de geringe vrouwelijke sporen en bronnen in de herinneringscultuur van de Opstand. Het opmerkelijke aan de kroniek van Cathalina is niet dat het geweld tegen de religieuzen niet verzwegen wordt, maar dat het perspectief van de nonnen gehanteerd wordt om erover te spreken. Dit perspectief is er een van vrouwen die zich ondanks alle ellende gesteund weten door God. Zo wordt op pagina 49 een bijna-aanranding verteld vanuit het oogpunt van een goed van de tongriem gesneden, assertieve non. Het relaas suggereert hoe de herinneringscultuur haar werk heeft gedaan en hoe de gevluchte nonnen de herinneringen aan het geweld hebben omgewerkt tot een boodschap van vertrouwen in God:

Toen in 1581 de calvinisten Antwerpen overnamen en de kloosters binnendrongen, daagde ‘een hele mooie en jonge non’ hen al grappend uit: wie wil met mij trouwen? Toen een Antwerpse kolonel haar antwoordde dat als hij niet getrouwd was hij het had gedaan, repliceerde zij dat zij al gehuwd was met haar eeuwige, hemelse bruidegom en het bijgevolg totaal ongepast was dat zij haar vroegen die belofte aan God te verbreken, waarop, aldus de kroniek, ‘de ketter verward achter bleef’.

Spaans analyseert helder hoe Cathalina’s kroniek past in een brede religieuze cultuur van franciscanen en clarissen die met vervolging geplaagd zaten. Zij benadrukt met aandrang en terecht hoe het profiel van vrouwelijke pelgrims gestuurd door de goddelijke voorzienigheid een vrouwelijke variant biedt van het mannelijke martelaarschap dat in alle martyrologia primeert.

De volle betekenis van dat inzicht volgt in het tweede essay, van Raymond Fagel, over de Iberische tentakels van het clarissenverhaal. Cathalina was de natuurlijke dochter van een Spaanse edelman die gouverneur van Hoogstraten was. Die hoge connectie bracht haar en haar vluchtende medezusters in het blikveld en onder het patronage van de hoogste adellijke en hofkringen in Madrid en Lissabon. De spiritualiteit van de clarissen had voor de Habsburgers een bijzondere betekenis als de perfecte afspiegeling van hun politieke verdediging van de katholieke zaak. Bovendien waren vanaf 1580 de kronen van Spanje en Portugal in één hand, zodat na hun vlucht naar het Iberische schiereiland in 1581 de Alkmaarse nonnen rechtstreeks onder bescherming van de kroon kwamen. Het nieuwe klooster van Onze-Lieve-Vrouwe van de Sereniteit dat voor hen en anderen werd gebouwd in Lissabon hield hun redding in levende herinnering. Het derde en laatste opstel in dit boek geeft een beschrijving van het klooster, zijn architectuur en interieurversieringen, met een bijzondere aandacht voor het tegeltableau. Er is een katern met fraaie kleurenillustraties van prima kwaliteit, al hadden de blauwwitte tegels met het vluchtverhaal misschien net iets groter mogen weergegeven zijn om werkelijk alle details goed te kunnen zien.

Dit boek vult de groeiende literatuur aan over de Opstand in de Nederlanden als een vormingsperiode van langlopende, vaak traumatische herinneringen. Kronieken nemen daarin een centrale plaats in, zoals bestudeerd in de projecten van Judith Pollmann en Erik Kuijpers, ‘The practice of memory, narrating the Revolt’ (2008-2013) en ‘Chronicling Novelty. New knowledge in the Netherlands, 1500-1850’ (sinds 2018). Deze uitgave sluit daar perfect bij aan. Tegelijk suggereren Fagel en Spaans dat een zekere correctie nodig is op de richting die het herinneringsonderzoek over de Opstand uitgegaan is. Een specifiek vrouwelijk martelaarstraject, dat bovendien de veelvoudige Iberische connecties van de Nederlanden sterk in de verf zet, laat zien dat er van katholieke zijde nog steeds weinig ontgonnen is en er zelfs tot voor kort onbekend terrein open ligt voor verder onderzoek. Zo benadrukt Fagel bijvoorbeeld dat kooplieden uit de Republiek in het begin van de zeventiende eeuw zich in het katholieke Lissabon nog steeds thuis voelden. Daarmee relativeert hij de sterke tegenstellingen tussen Spanje en de Republiek en hun elkaar spiegelende vijandbeelden, zoals die in veel onderzoek nog steeds op de achtergrond doorklinken. Het pleidooi van dit boek om het Iberische Nachleben van de Opstandstrauma’s meer aandacht te geven, is zeker verfrissend. Tegelijk nodigt de kroniek van Cathalina uit tot nader comparatief onderzoek met andere kronieken: er zijn bijvoorbeeld nog Nederlandse kloosterzusters die hun woelige wedervaren op schrift zetten. Een aanzet tot een vergelijking van die geschriften geeft Spaans door te wijzen op een kroniek uit 1594 van Engelse birgittinessen, waarmee Cathalina’s relaas gelijkenissen vertoont. Het genre van haar geschrift was heel specifiek en had evenveel te maken met haar hoge politieke connecties als met het verlies van Nederlandse kloosters voor de clarissen en de vervanging daarvan door nieuwe Iberische stichtingen. Die transregionale, landsgrensoverschrijdende aspecten van de Opstand verdienen nog meer aandacht in het historische onderzoek. Dit boek geeft een documentaire aanzet daartoe die aanspoort om de Iberische erfenissen van de langdurige relaties tussen de Nederlanden, Spanje en Portugal in hun veelzijdigheid te erkennen en de oppositionele propaganda te overstijgen.