Er is iets merkwaardigs aan de hand met de Nederlandse Verlichting, zo stelt Wiep van Bunge in de heldere en nuttige inleiding tot zijn bundel essays over filosofie in de Nederlandse Republiek tijdens de lange achttiende eeuw. Ook al geldt de Verlichting internationaal als het beginpunt van de westerse moderniteit, en ook al heeft de recente stroom aan publicaties van met name Jonathan Israel benadrukt dat de Republiek de bakermat was van de meest radicale Verlichtingstendens, toch blijft de achttiende eeuw stiefmoederlijk bedeeld in discussies over de Nederlandse identiteit en in de aanhoudende zoektocht naar ijkpunten van de nationale geschiedenis. De Verlichting wordt weliswaar als ideologische kapstok steeds weer ingezet om politieke punten te scoren in het publieke debat over bijvoorbeeld Europa en de Islam, maar er is weinig belangstelling voor de specifieke invulling en uitwerking van die Verlichting tijdens de Nederlandse achttiende eeuw. Deze is gemangeld tussen de constante aandacht voor de al dan niet ‘gouden’ zeventiende eeuw, en de negentiende eeuw, toen het moderne Nederland als constitutionele monarchie vorm kreeg.

Van Bunge, die vooral naam maakte met zijn studies naar filosofen in de zeventiende-eeuwse Republiek, kijkt met de frisse blik van een betrekkelijke buitenstaander naar de rijke historiografie over de Nederlandse Verlichting en concludeert dat die lijdt onder een drieledige paradox. Ten eerste kan de Verlichting nauwelijks een factor van betekenis worden genoemd in het politieke moderniseringsproces in Nederland, dat welbeschouwd omgekeerd evenredig verliep aan dat van andere landen: waar het revolutionaire tijdperk elders een overgang van monarchieën naar republieken inluidde, gebeurde in Nederland precies het tegenovergestelde. Dit betekende ook, ten tweede, dat verlichte denkers in de Republiek zich niet zozeer richtten op progressieve hervormingsplannen voor de toekomst, maar juist mistroostig keken naar het eigen glorieuze verleden. De Nederlandse Verlichting was geobsedeerd met het thema ‘verval’, treffend geïllustreerd door de plundering van Bergen op Zoom in 1747, die de cover siert van Van Bunges bundel. En hoewel er, ten derde, in de Republiek gedurende de achttiende eeuw lustig op los werd geschreven en gepubliceerd, was er toch geen enkele auteur die, zoals Descartes en Spinoza eerder, vanuit de Republiek internationaal de boventoon voerde. De Nederlandse Verlichting was vooral naar binnen gekeerd en zodoende van ondergeschikt belang voor de Verlichting als algemeen Westers fenomeen.

Van Bunge laat zien dat dit echter niet betekent dat er op filosofisch gebied niets gebeurde in de Republiek tijdens de achttiende eeuw. In deze bundel essays, waarvan het merendeel al eerder afzonderlijk verscheen, wisselt Van Bunge soepel tussen verschillende registers om zowel belangrijke individuele denkers als filosofische stromingen binnen én buiten de academische wereld voor het voetlicht te brengen. Daarbij gaat hij niet uit van een centrale these die duidelijk richting geeft aan het narratief, maar door telkens in te zoomen op sleutelfiguren komt Van Bunge wel tot belangrijke kenschetsen van de intellectuele en filosofische ontwikkelingen in de achttiende-eeuwse Republiek. Hij besteedt om te beginnen ruime aandacht aan Pierre Bayle, die als ‘opvolger van Erasmus’ veel bepalender blijkt voor de Nederlandse Verlichting dan lange tijd werd gedacht. Aan de hand van Justus van Effen betoogt Van Bunge vervolgens dat de Nederlandse Verlichting, pace Jonathan Israel, niet moet worden gezien als een strijd tussen radicalen en gematigden, maar als een in essentie protestants-rationalistische beweging die zowel gematigd als radicaal kon zijn. Voorbeelden daarvan zijn de Leidse hoogleraar Willem Jacob ’s Gravesande, die Newtons fysica mobiliseerde als tegenwicht tegen de ‘goddeloze’ filosofie van Spinoza, en Bernard Nieuwentijt, wiens Het regt gebruik der wereltbeschouwingen (1715, treffend vertaald in het Engels als The Religious Philosopher) de aanzet vormde van zijn pleidooi voor ‘sakelyke overnatuurkunde’, een realistische metafysica gestoeld op newtoniaanse principes en gekant tegen spinozistisch atheïsme. Het doel daarvan had echter veel gemeen met het oogmerk van radicale volgelingen van Spinoza: het creëren van een breed overkoepelend religieus besef dat de verdeeldheid in de Republiek een halt toe kon roepen.

Die in essentie godsdienstige benadering – Van Bunge citeert instemmend The Religious Enlightenment van de Amerikaanse historicus David Sorkin – bleef gedurende de gehele achttiende eeuw de filosofische cultuur van de Republiek domineren. Zelfs de meest uitgesproken rationalisten, volgelingen van wat een criticus de ‘snoode en sinistere doolingen der Wolf en Leibnitisanery’ noemde (doelend op de invloed van Christian Wolff en Gottfried Leibniz), konden niet worden beticht van uitgesproken atheïsme. Uiteindelijk bleek die rationalistisch-protestantse denktrant zo breed gedeeld en diep in de samenleving verankerd, bijvoorbeeld in het werk van Betje Wolff en Aagje Deken, dat belangrijke internationale ontwikkelingen aan het eind van de achttiende eeuw die filosofie als academische wetenschap op de kaart zetten, weinig tot geen navolging kregen in de Republiek. Volgens de Leidse hoogleraar Dionysius van de Wijnpersse bijvoorbeeld, was de kantiaanse moraalfilosofie ontoereikend omdat deze geen ruimte liet voor de goddelijke openbaring en daarom de menselijke verplichtingen jegens de Schepper veronachtzaamde.

Van Bunge eindigt zijn bundel essays met een analyse van de manier waarop Spinoza in de achttiende eeuw de status verwierf van een voorbeeldig en deugdzaam filosoof – een reputatie die vooral te danken was aan Bayles beschrijving van Spinoza’s leven. Daarmee is de cirkel van de bundel rond, van Bayle terug naar Bayle. Toch is het jammer en wellicht wat gemakzuchtig dat Van Bunge geen poging heeft gedaan om deze serie essays te voorzien van een algemene conclusie, die de in de inleiding opgeworpen paradoxen van de Nederlandse Verlichting in een nieuw licht kan plaatsen. Zo valt het op dat Spinoza tegen het eind van de achttiende eeuw niet alleen als een voorbeeldige filosoof maar ook als een voorbeeldige ‘Nederlander’ werd betiteld, bijvoorbeeld door de Friese historicus Simon Stijl en later door de conservatieve orangist Hendrik baron Collot d’Escury, die Spinoza’s gematigdheid prees als een bij uitstek Nederlandse deugd. Die karakterisering raakt weer aan de tendens, te zien bij de Utrechtse hoogleraar Wilhelmus van Heusde, om de Nederlandse filosofische traditie als een in essentie christelijke traditie te positioneren, gestoeld op ‘gezond menschenverstand, met zuivere Godsvrucht vereenigd’. Wat betekent die nadruk op christelijk rationalisme voor het bredere begrip en belang van de Nederlandse Verlichting?

Bij ontstentenis van een algemene conclusie tot de bundel blijft het gissen wat Van Bunge hierop zou antwoorden, maar de informatie die hij in verschillende essays aandraagt, suggereert dat de filosofische cultuur in de Republiek tijdens de achttiende eeuw een niet te veronachtzamen rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van een nationale Nederlandse identiteit. Op de universiteiten voerden weliswaar buitenlandse invloeden vaak de boventoon, van het newtonianisme tot de vele Duitse hoogleraren natuurrecht, terwijl in meer literair getinte filosofie, bijvoorbeeld in het werk van Frans Hemsterhuis en Belle van Zuylen, het Frans dominant bleef. Maar de aanhoudende nadruk op protestants rationalisme en ‘gezond verstand’ als anti-academische lekenfilosofie, en de ontwikkeling van een anti-kosmopolitisch (dus anti-Frans) Verlichtingsdiscours dat patriotisme koppelde aan godsvrucht, laten zien dat de filosofische cultuur van de achttiende-eeuwse Republiek een belangrijke bouwsteen vormde van het Nederlandse nationale zelfbeeld zoals dat in de negentiende eeuw vorm heeft gekregen. Ook dat is de paradox van de Nederlandse Verlichting: juist die aspecten ervan die het minst goed passen in de algemene mal van de westerse Verlichting, zouden het meest bijdragen aan de totstandkoming van het moderne Nederland.