De Berg van Troje in het Zeeuwse Borssele, de vele verwijzingen naar Silvius Brabo en de reus Druon Antigoon in Antwerpen, of het feest van Priamus dat in 1347 in Brussel werd georganiseerd: het zijn voorbeelden van het ‘trojanisme’ in de Nederlanden. Trojanisme is de gedachte dat Europese dynastieën, sommige naties en steden gesticht waren door Trojaanse vluchtelingen en hun afstammelingen. Het idee, dat in zijn vroegste incarnaties al terug ging op de late oudheid, werd niet alleen in teksten, maar ook in opvoeringen, artefacten, en gebouwen vormgegeven. In haar uitputtende studie van de ‘ontwikkelingsgang’ van het trojanisme in de middeleeuwse en vroegmoderne Nederlanden betoogt Wilma Keesman dat dit idee in West-Europa naast het christendom een historiografische eenheid schiep. Het gaf de volkeren van middeleeuws en (tot ongeveer 1600) vroegmodern Europa – en vooral hun heersende families – een gezamenlijke genealogie waarin men claims over rang en reputatie kon funderen. Het leverde tegelijk een ‘Schriftuur’ op die, parallel aan de Heilige Schrift, kon dienen als typologisch interpretatiekader om de eigen status en ambities mee te boetseren.

In het streven die ‘Trojaanse’ traditie in het eigen leven van familie, stad of natie voort te zetten of juist te genereren ontstonden ‘afstammingssagen’. Vanuit een modern historiografisch perspectief bekeken, bevatten deze sagen een wonderlijke mengeling van ‘feit’ en ‘fictie’, maar eveneens van speculatie en kritiek, zoals dat ook bekend is uit de christelijke traditie in het leven van heiligen. In zekere zin bood de Trojaanse traditie de wereldlijke heerschappij in middeleeuws West-Europa een parallel model voor de christelijke traditie van de geestelijkheid. Volgens Keesman was dit een model dat de idee van translatio imperii (overdracht van macht) en translatio studii (overdracht van kennis) dieper wortelde in het Europese denken over het zelf. Dit Europa ontleende zijn eer, machtsaanspraken, en zijn beschavingsideaal dus aan een mythisch ‘Azië’, dat reikte van Troje tot in India (596).

Keesman ent haar onderzoek naar de rol van het trojanisme op een uitgebreide bespreking van de literatuur over de oorsprong en het functioneren van het Trojaanse verhaal, zijn klassieke en laat-antieke bronnen, de belangrijkste middeleeuwse bewerkers, en de Europese traditie buiten de Nederlanden: eerst in Rome, dan de Franken en de Karolingers, het Duitse Rijk, Frankrijk en tot slot Engeland. Vervolgens ontrafelt ze heel precies de ontwikkeling en onderlinge relaties van de Trojaanse oorsprongssagen in de Nederlanden. In afzonderlijke hoofdstukken bestudeert ze de trojanismen in Brabant, Vlaanderen, Henegouwen, Holland, Gelre, Friesland en tenslotte de bisdommen. De Trojaanse sagen groeiden deels uit pogingen de geschiedenis van een dynastie of een volk in te passen in een antiek verleden en deze zo een oude genealogie te geven. Daarnaast kwamen deze volksverhalen voort uit inspanningen om de oorsprong van fysieke restanten van Romeinse of andere zeer oude gebouwen of artefacten te verklaren, of uit etymologisch onderzoek naar namen van plaatsen waarvan werd aangenomen dat die meestal naar hun stichters waren genoemd.

De Trojaanse oorsprongssagen gaven andere Europese volken een gelijkwaardigheid aan de Romeinen en aan de Karolingers en Merovingers – die ook zouden afstammen van Trojaanse vluchtelingen. De verschillende varianten werden in onderlinge strijd om de eer tussen de verschillende adellijke geslachten ontwikkeld, en soms ook als uitwerking van tegenstrijdige claims op bepaalde gebieden en titels. Zo ontwikkelden die sagen een gezamenlijke kern, waardoor vanaf de dertiende eeuw de vorstendommen in de Nederlanden via hun regionale trojanismen al voor hun vereniging onder het Bourgondische en Habsburgse huis een eerste historiografische coherentie verwierven. Ook de vroege humanisten waren gefascineerd door de Trojaanse oorsprongsgedachte. Dat blijkt wel uit de populariteit van de trojanismen Belgica en Batavia: de locatie van de antieke ‘Trojaanse’ stad Belgis werd door vroege humanisten ergens in de zuidelijke Nederlanden gezocht en Batavia was vernoemd naar de Bataven, die volgens de vroeg-humanist Cornelis Aurelius afstamden van de Trojaan Battus.

Volledig vergeten is dan weer Battus’ broer Salandus die, zoals Keesman opmerkt, volgens Aurelius de naamgever van Zeeland was en die Mitelburch (Middelburg) stichtte, genoemd naar zijn vader Mitellus. Vreemd genoeg worden de Trojaanse oorsprongssagen van Zeeland zelf niet behandeld door Keesman, terwijl Zierikzee toch een Trojaanse stad was, gesticht door Ziringius, de uit zijn vaderland Pannonië verdreven zoon van Salandus. Uit Keesmans genealogie van de Trojanensagen blijkt dat Pannonië, gelegen in het huidige Hongarije, het gebied was waar een deel van de gevluchte Trojanen zich vestigde voordat ze als Franken verder naar het westen trokken. De kroniekschrijver Jan Jansz Reygersberch van Cortgene beweerde in zijn Cronijcke van Zeelandt (1551) dat de stichters van Zeeland van Griekse Trojanen afstamden. Volgens Reygersberch was de eerste graaf van Zeeland, Dirk I, als neef van de Karolinger Karel de Kale een afstammeling van de Trojanen. Ondanks dat de resten van hun stamslot in Borssele nu bekend staan als Berg van Troje, ontleenden de Heren van Borselen volgens Reygersberch hun oorsprong niet aan de Trojanen, maar aan later verdreven Grieken. Deze ontstaansmythes die het graafschap Zeeland verbonden met de Henegouwse, Vlaamse, Bataafse en Brabantse Trojanensagen zijn door Keesman helaas (nog) niet verder onderzocht.

Keesmans duizelingwekkende belezenheid in de middeleeuwse en vroegmoderne literaire en historiografische tradities staat haar toe om de verschillende Trojaanse tradities in de Nederlanden te ontrafelen, te dateren, en onderling met elkaar te verbinden. Ze toont daarbij aan dat deze tradities het product waren van een geletterde en geleerde cultuur, en dus tot rond 1600 zeker geen volksverhalen waren. Dit boek is een mer à boire voor wie die verschillende varianten verder wil bestuderen, en ook een eindeloze bron voor inzicht in de historiografie. De eindeloosheid van het boek is tegelijk ook een van zijn zwaktes. Het is een geweldig naslagwerk, maar het doorlezen ervan om het betoog te ontrafelen is geen sinecure. Enerzijds is dit het gevolg van de encyclopedische opzet van het werk, anderzijds komt dit doordat Keesman een aantal belangrijke vragen laat liggen. Ik noem er twee. Allereerst roept De eindeloze stad ondanks uitgebreide verwijzingen naar de oudere literatuur vragen op over de historiografische inbedding van de analyses. Hoe passen de bevindingen van haar onderzoek naar de Trojanensagen in het onderzoek naar middeleeuwse en vroegmoderne historiografische en kosmografische literatuur meer in het algemeen? Ondanks haar polemische aanpak, die jammer genoeg vaak verborgen blijft in de voetnoten, maakt Keesman bovendien onvoldoende duidelijk hoe haar werk zich verhoudt tot de inzichten van oudere autoriteiten, zoals de graalromandeskundige Jan Frederik Blöte (1853-1935). Zoals uit talloze voetnoten blijkt wijdde hij rond 1900 al enkele fundamentele bijdragen aan de Brabantse Trojanensagen.

In de tweede plaats omzeilt Keesmans studie een antwoord op de meer fundamentele vraag naar de functie van de trojanismen. Een afzonderlijke evaluatie van de opvattingen in de literatuur hierover in het licht van Keesmans eigen bevindingen had het boek meer scherpte gegeven. Door het ontbreken van zo’n discussie blijft onduidelijk hoe we de vele trojanismen moeten kwalificeren. Vormen de sagen inderdaad een grote pan-Europese afstammingsmythe voor aristocraten en stedelingen? Maar wat betekent dat dan voor onze interpretatie van het zelfbeeld van middeleeuwse en vroegmoderne Europeanen? Die vraag had zich wellicht sterker opgedrongen als Keesman de ontwikkelingen in de humanistische omgang met het Trojaanse materiaal vanaf de vijftiende eeuw apart had geanalyseerd. Het was dan mogelijk geweest preciezer vast te stellen hoe rond 1500 het trojanisme vanuit klassieke bronnen en door gebruik van nieuwe methoden werd vernieuwd. In de loop van de zestiende eeuw ontstond door receptie van klassieke bronnen over Troje een fundamentele kritiek op de ‘ontmaskerde’ middeleeuwse traditie. Daarmee kwamen de geleerde en aristocratische trojanismen ten einde als serieuze geschiedschrijving en bron van legitimiteit. Dat gebeurde precies op het moment dat steeds meer Europeanen ‘opnieuw’ Aziaat werden. De fundamentele vraag die Keesmans doorwrochte studie oproept lijkt me daarom hoe we moeten omgaan met deze ironie van de geschiedenis. Europeanen die rond 1500 via de Afrikaanse Kaap de Indische Oceaan begonnen te bevaren waren afkomstig uit een gebied waar men Troje – en daarmee Azië, in het geval van de Friezen zelfs India – als oorsprongsgebied en beschavingsmodel beschouwde. Maar toen zij zich eenmaal in het rijke Azië vestigden werd dat oorsprongsverhaal juist verlaten.