Belgische Zwangsarbeiter im Kriegsgefangenenlager Meschede im Ersten Weltkrieg is gebaseerd op een gelukkige vondst: in het parochie-archief van Meschede bevinden zich drie delen van handgeschreven notities door de katholieke kamppastoor Ferdinand Wagener uit de jaren 1914 tot 1919, die pas enkele jaren geleden zijn ontdekt. Deze bron is ontcijferd door Werner Neuhaus, een historicus en gepensioneerd gymnastiekleraar uit het dorp Sundern, niet ver van Meschede. Hij publiceerde al enkele opmerkelijke werken over de regionale geschiedenis van het Sauerland en schreef in 2016 voor het eerst over Wageners dagboeken. Voor Neuhaus zijn de dagboeken de belangrijkste bron over de geschiedenis van het krijgsgevangenkamp Meschede, waarover tot nu toe weinig literatuur verscheen. Ook het aantal archiefbronnen en persartikelen over het kamp, dat in 1915-1916 werd gebouwd, is zeer klein.

Met een capaciteit voor maximaal 11.000 krijgsgevangenen was kamp Meschede een van de grootste van de 175 krijgsgevangenenkampen in het Duitse Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Aanvankelijk werden er vooral Franse krijgsgevangenen geïnterneerd. Van oktober 1916 tot het voorjaar van 1917 huisvestte het bijna uitsluitend duizenden gedeporteerde Belgische dwangarbeiders. Terwijl de geschiedenis van de ongeveer 60.000 gedeporteerde Belgische dwangarbeiders sinds 2007 in de context van het Duitse oorlogsbeleid kan worden geplaatst dankzij Jens Thiels fundamentele werk Menschenbassin Belgien (‘Menselijk bassin België’), blijft de geschiedenis van de meeste kampen tot op de dag van vandaag bijna onbegrijpelijk door een gebrek aan bronnen. Het dagelijks leven van de gevangenen en hun gevoelens zijn daarentegen inzichtelijk gemaakt door talrijke herinneringen die later werden vastgelegd.

De publicatie richt zich op de aantekeningen van Wagener (66-108) voor de periode van 16 november 1916 tot 16 november 1917, die Neuhaus in talrijke voetnoten kritisch becommentarieert of toelicht. Uit de lezing blijkt dat de pastoor in dit egodocument vooral zijn visie op de pastorale zorg in het krijgsgevangenkamp Meschede wilde vastleggen. In zijn aantekeningen noteerde hij onder meer de hoeveelheid kerkdiensten en hun bezoekers, en het aantal overledenen met soms informatie over de overledenen. Ook legde hij gegevens vast over het geloof van de gevangenen en hun aanvankelijke houding ten opzichte van de pastorale zorg van het vijandelijke Duitsland. Deze beschrijvingen domineren de opgeschreven herinneringen van de pastoor.

In de dagboeken noemde de pastoor echter ook geregeld belangrijke details van het kampleven, zoals cijfers over de aankomst of het vertrek van de gedeporteerden, gegevens over het aantal dwangarbeiders in het kamp, de tekortschietende huisvestingsomstandigheden, en de gevolgen van de ijzige kou en de ontoereikende voorziening in basisbehoeften voor de kampbewoners maar ook voor de lokale bevolking in het Sauerland tijdens de zogenaamde ‘Steckrübenwinter’ van 1916-1917. Daarnaast beschreef Wagener in zijn notities de Duitse strafmaatregelen tegen de gedeporteerden, zoals het korten op voedsel en dwangarbeid, de behandeling van de dwangarbeiders in de verschillende fabrieken in de regio, uitingen van ongenoegen door de gedeporteerden, en de reacties van de gedeporteerden op anti-Duitse activiteiten van de Belgische geestelijkheid in België. Ondanks dat Wagener schreef dat hij vrij goed Frans sprak en bijna geen Nederlands, lijkt hij veel beter contact te hebben gehad met de Vlamingen. Hoewel het Meschedekamp nooit een centrum van de Duitse ‘Flamenpolitik’ is geweest, ging de pastoor herhaaldelijk in op de ‘verschillende houdingen van Walen en Vlamingen – niet alleen in religieuze, maar ook in taalkundig-culturele en politieke termen’ (20) en toonde hij zich zeer gevoelig voor de Vlamingen en de Vlaamse kwestie.

In de dagboeken verborg Wagener zijn eigen rol in het kamp niet: ‘[i]k moet de Belgen een gevoel van orde en gehoorzaamheid aanbevelen’ (23 november 1916), ‘[d]e commandant vroeg me om het volk te kalmeren en eventueel in alle drie de missen te preken’ (25 november 1916). Hoewel hij deel uitmaakte van het kampregime, oordeelde de kampkapelaan altijd gedifferentieerd en ook empathisch over de gedeporteerden. Als directeur van de Höhere Stadtschule in Meschede werd hem herhaaldelijk door zijn Duitse medeburgers verweten dat hij zich teveel bekommerde om de krijgsgevangenen en gedeporteerden. Wagener was de enige priester in het bisdom Paderborn die de zorg voor Vlaamse en Waalse dwangarbeiders en burgerarbeiders op zich nam.

Neuhaus onderzocht voor dit boek de weinige bronnen over krijgsgevangenkamp Meschede uit de literatuur, de parochie- en gemeentearchieven van de regio Sauerland, de archieven van de aartsbisdommen van Keulen en Paderborn, en het Federaal Archief in Berlijn. Ook bestudeerde hij de opgetekende herinneringen van Vlaamse gevangenen. Neuhaus reproduceert dit materiaal echter niet alleen in het uitgebreide documentgedeelte (50-147). Ook slaagt hij in een zeer gedetailleerde evaluatie en succesvolle contextualisering van de bronnen (9-49), waaruit hij de geschiedenis van het kamp volgt en het lot van de Belgische dwangarbeiders van november 1916 tot november 1917 reconstrueert. Neuhaus plaatst de geschiedenis van het krijgsgevangenkamp in de context van de Duitse oorlogspolitiek en de Belgische bezettingspolitiek. Hij voert een dialogisch herinneringswerk uit, omdat hij herhaaldelijk egodocumenten van Vlaamse krijgsgevangenen uit gepubliceerde herinneringen opneemt en zo een veelzijdig Duits-Belgisch geschiedkundig werk schrijft.

Thematisch gezien had Neuhaus zijn onderzoek kunnen verdiepen door de betekenis van de ontvoeringen van Belgen in het communicatieve en culturele geheugen van de Belgen en de Duitsers te vergroten. Terecht schrijft hij dat de honderdste verjaardag van het begin van de Eerste Wereldoorlog in 2014 in heel Europa veel aandacht heeft gekregen. In het najaar van 2016 was de situatie echter heel anders: ‘[i]k heb geen enkel artikel gezien in een nationale Duitse krant die dit trieste jubileum herdenkt’ (9). Van de ongeveer 61.000 naar Duitsland gedeporteerde Belgische dwangarbeiders zijn er bij benadering 12.000 gestorven, en in België vormen ze tot op de dag van vandaag een belangrijk onderdeel van het culturele geheugen van de ‘Grote Oorlog’.

Toch is dit grondig onderbouwde en aangenaam leesbare werk een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van de Belgische dwangarbeiders, omdat het essentiële en goed gecontextualiseerde informatie verschaft over zowel de dagelijkse ervaringen van de gedeporteerden als over de organisatie en het functioneren van de kampen in het algemeen. Tegelijkertijd geeft het boek belangrijke, voorbeeldige informatie over een krijgsgevangenkamp. Hiermee wordt weer een gat gedicht in de geschiedenis van de Duitse krijgsgevangenkampen van de Eerste en Tweede Wereldoorlog, waarvan de individuele verhalen tot op de dag van vandaag vaak slechts fragmentarisch bekend zijn door een gebrek aan bronmateriaal.