Frederik van Eeden (1860-1932) behoeft geen introductie. Onder meer zijn roman De kleine Johannes (1887) verzekert de Tachtiger een prominente plaats in het Nederlandse collectief geheugen. Dat is veel minder het geval voor zijn vader en naamgenoot (roepnaam Frits), een plantkundige die tijdens zijn leven nochtans heel wat erkenning genoot. Aan deze Van Eeden senior (1829-1901) wijdde biologe Marga Coesèl een beknopte biografie, het vierde deel in de Heimans en Thijsse Reeks van de naar beide natuurbeschermers vernoemde stichting. Zonder dat ze Van Eeden als een sleutelfiguur van zijn tijd opvoert, schetst Coesèl aan de hand van deze enigszins vergeten intellectueel een treffend portret van de negentiende-eeuwse Nederlandse samenleving.

Hoewel deze rijkelijk geïllustreerde uitgave niet aan Van Eedens privéleven voorbijgaat – het wankele huwelijksgeluk met Neeltje komt enkele malen ter sprake, onder meer middels een blijspel van hun bekende jongste zoon – gaat de meeste aandacht uit naar het maatschappelijk milieu waarin de man werkte en leefde. Zo was hij actief tegen de dubbele achtergrond van de Romantiek en de Verlichting: worden zijn natuuromzwervingen in het licht van escapisme en ook door Rousseau geïnspireerd primitivisme gekaderd, dan getuigt zijn nauwe betrokkenheid in uiteenlopende genootschappen, vooral in thuisstad Haarlem, van een uitgesproken vooruitgangsgedachte. Omhuld door ‘een waas van gouden eeuwen’, zoals hij het zelf uitdrukte, hoopte Van Eeden niet alleen zichzelf ‘te verheffen, om grooter te worden dan anderen’, maar streefde hij er ook naar om de Nederlandse kunsten en wetenschappen naar een hoger niveau te tillen. Als secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid en directeur van onder meer het Koloniaal Museum wilde hij bijdragen aan deze vaderlandse relance. Het waren functies die hem behalve een hoog aanzien ook menige onderscheiding opleverden.

De verdiensten van Van Eeden die Coesèl het meeste naar voren brengt, situeren zich echter op een ander terrein: de botanica. Vandaag betreft het een behoorlijk afgebakende en gevestigde wetenschap, maar in de negentiende eeuw was de studie van planten een bezigheid die in belangrijke mate door liefhebbers werd voortgestuwd. Frits, zelf de zoon van een vermaard planten- en bloemenkweker, zou met zijn vele publicaties een stevige impuls aan het in kaart brengen van de Nederlandse plantenvariatie geven. Met negen van de achtentwintig delen van de Flora Batava (1800-1934) onder zijn hoede, werd Van Eeden zelfs de meest ijverige redacteur van dit omvattende overzicht. Coesèl slaagt er goed in om de spanningen tussen deze descriptieve en andere, meer experimentele tendensen in de opkomende botanica te schetsen. Het is slechts een van de verscheidene intellectuele debatten die ze aan de lezer signaleert. Zo laat ze niet na om te wijzen op de opkomst van een discours van monumentalisering van het Nederlandse landschap, een wezenlijke stap in de prille geschiedenis van de natuurbescherming. Erg diepgaand of vernieuwend zijn deze analyses niet, maar dat kan gezien het opzet van deze publieksgerichte reeks ook moeilijk worden verwacht.

Hoewel Van Eeden niet vrij was van minachting voor de gewone man – in een van zijn bijdragen vergeleek hij de wildgroei van onkruid met ‘een soort van democratisch-socialistische republiek’ – was een zeker pedagogisch streven onmiskenbaar. Zijn uitgebreide populairwetenschappelijk oeuvre, met onder meer kleurrijke verslagen van ‘botanische wandelingen’ in het tijdschrift Album der Natuur (1851-1909), weerspiegelt een veelzijdig en gelaagd mens- en wereldbeeld. Holistische opvattingen in de lijn van Alexander von Humboldt, waarin fauna en flora in een groot verband met onder meer lokale geschiedenis en zelfs toponymie werden gepresenteerd, combineerde Van Eeden moeiteloos met veeleer utilitaristische stellingnames: vanuit de trots over de Nederlandse strijd tegen de zee had hij geen principiële bezwaren tegen menselijk ingrijpen in het landschap. De verhoging van de welvaart was immers een taak van nationaal belang. Niettemin – en dit verklaart de opname van deze biografie in de Heimans en Thijsse Reeks – was Van Eeden een van de eersten om ook voor de kwalijke gevolgen van ongebreidelde exploitatie te waarschuwen: wanneer ontginning tot het uiterste werd doorgevoerd, was ‘een eentonige alledaagschheid’ niet veraf, zo noteerde Van Eeden in de Volks-almanak voor het jaar 1879.

De vraag mag evenwel worden gesteld in hoeverre Van Eeden werkelijk een pionier van natuurbescherming mag worden genoemd, zoals Coesèl dit in de titel van haar boekje poneert. Van Eedens gevoeligheid voor landschappelijke pracht en voor plantenrijkdom staat buiten kijf. Minder duidelijk is het gewicht van een uitroep als ‘Natuur! Voor u wil ik strijden, U wil ik behouden’, woorden die Frits in 1855 in zijn dagboek noteerde. Tegenover het Nederlandse publiek kwam hij namelijk amper verder dan weinig concrete frasen over ‘het redden van zulke merkwaardige plekjes’ als het Beekbergerwoud, tien jaar nadat dit in 1870 was gerooid. Een man van de barricaden was hij uitdrukkelijk niet, zoals ook Coesèl erkent: de eerste grote campagne voor natuurbehoud, rond het Naardermeer vanaf 1905, situeert zich na Van Eedens overlijden. En waar hij wel expliciet om maatregelen opriep, zoals met zijn pleidooien voor vogelbescherming in de jaren 1870, stonden landbouwbelangen en niet dierenwelzijn centraal.

Meer dan zijn biografe aangeeft, zou het kunnen dat Van Eedens reputatie inzake natuurbescherming in de eerste plaats het gevolg is van de lof die Eli Heimans en Jac. P. Thijsse hem betuigden. Hun befaamde Wandelboekje voor natuurvrienden uit 1900 opende niet toevallig met een citaat van ‘de oude Van Eeden’. Het spreekt voor zich dat Van Eedens geschriften voor inspiratie zorgden en sporen nalieten in het taalgebruik waarmee zij over natuurbehoud schreven; of Heimans en Thijsse hem ook persoonlijk kenden, is minder zeker. Om dan, zoals Coesèl, de verhuizing van Thijsse naar Texel en later naar Bloemendaal aan Frits’ voorbeeld toe te schrijven, is een hele stap, en meer nog geldt dat voor haar stelling dat de Nederlandse natuurbescherming door de opvattingen van Van Eeden ‘in de praktijk vorm kreeg’ (80). Is het geen mogelijkheid dat de eerste Nederlandse natuurbeschermers vooral op zoek waren naar een mate van wetenschappelijke en maatschappelijke autoriteit en die liever bij een voorganger uit eigen land dan bij een buitenlander vonden? Misschien was de (wederzijdse) impact van tijdgenoten zoals de Belgische botanicus-natuurbeschermer Jean Massart (1865-1925) in de praktische realisatie van hun streven wel groter dan die van Van Eeden. Die bedenking doet verder echter weinig afbreuk aan het interessante en vlot leesbare portret dat Coesèl tegelijkertijd van een individu en een tijdperk schetst.