Maartje Draak (1907-1995) leeft voort als de enigszins excentrieke Kaatje Kater in Voskuils boeken Het Bureau. Draak was in het dagelijks leven echter een internationaal gerespecteerd keltologe met twee bijzonder hoogleraarschappen, in Amsterdam en in Utrecht. Ze werd halverwege de jaren vijftig van de vorige eeuw benoemd als lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW) en was jarenlang een van de weinige vrouwelijke Academieleden. Draak was ook een actief verzamelaar en kenner van Aziatische kunst en een toegewijd bestuurslid van de Vereeniging van Vrienden der Aziatische Kunst (VVAK). Ze was actief lid van de Vereniging van Vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO) en schreef vele artikelen over allerlei onderwerpen voor het verenigingsblad van de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers (UVV) ‘Raad en daad’. Kortom, Draak was een veelzijdig wetenschapper met een brede belangstelling. Hoewel zij in 1995 overleed, duurde het tot 2019 voordat Verhalen van de drakendochter. Leven en werk van Maartje Draak (1907-1995) verscheen, een biografie over haar leven en werk, geschreven door een van haar promovendi en haar latere collega-hoogleraar in Utrecht én vriend Willem Gerritsen (1935-2019).

Gerritsen schrijft dat een biografie ‘het aangewezen middel’ is om de lezer inzicht te geven in ‘de omstandigheden die het leven en het werk van Draak hebben beïnvloed en in de karaktereigenschappen die alles wat zij geschreven heeft een onverwisselbare eigen kleuring hebben gegeven’ (11). Gerritsen probeert Draaks publieke leven te begrijpen door meer inzicht te geven in haar persoonlijk leven, wat getuigt van een traditionele opvatting van de wetenschappelijke biografie. Hiermee gaat hij voorbij aan de recente theoretische ontwikkelingen in het genre van de biografie. Het gevolg daarvan is dat hij als biograaf in een aantal valkuilen trapt als het gaat om levensbeschrijvingen van vrouwen waarvoor theoretici van dit genre juist waarschuwen.1 Zo noemt hij Draak door het boek heen consequent ‘Maartje’ of ‘Maartje Draak’ terwijl de mannelijke actoren met hun achternaam aangeduid worden. Deze genderstereotypering wordt nog eens versterkt doordat Gerritsen een aantal maal haar bewoordingen als ‘snibbig’ betitelt, haar scherpe tong beschrijft en haar excentrieke gedrag benadrukt. Daarnaast psychologiseert hij er lustig op los doorwoorden als ‘trots’, ‘teleurstelling’, ‘bevrediging’ en ‘verrassing’ te gebruiken (zie bijvoorbeeld 45, 62, 67, 93, 99, 143). Bovendien heeft Gerritsen bijzondere aandacht voor haar achternaam. Hij schrijft dat zij er mogelijk zelfs mee geplaagd of gepest is (12, 21). Ook noemt hij een paar keer dat er in de ‘westerse cultuur’ een negatieve connotatie kleeft aan draken en dat Draak daar last van had, overigens zonder dit te onderbouwen. De vondst van een boek met Chinese sprookjes in 1921 daarentegen – Draak is dan veertien jaar oud – duidt Gerritsen aan als het moment waarop zij ‘zonder het te beseffen op het spoor is gezet van het wetenschappelijk onderzoek waarmee zij zich in haar latere leven zou bezighouden’ (21).

Mijn tweede bezwaar betreft het bronnengebruik. Naast literatuur over het vakgebied en in het bijzonder biografieën van vooral mannelijke wetenschappers, citeert Gerritsen veelvuldig uit brieven van Draak. Deze brieven bevinden zich nu nog in een niet-toegankelijk archief dat door een van Draaks oud-studenten ontsloten wordt. De citaten voorziet hij niet van noten zodat het voor de lezer niet duidelijk is uit welke brief hij citeert en wanneer de brief is geschreven. Andere belangrijke bronnen voor Gerritsen zijn twee autobiografische teksten, een bijdrage in een bundel uit 1988 getiteld ‘De levensloop van de draak’ en een interview met Draak uit 1993. Noch de brieven noch de bijdrage of het interview worden door Gerritsen geproblematiseerd en voorzien van een kritische beschouwing. Hij neemt deze bronnen voor ‘waar’ aan en zet ze als zodanig in. Ook de rol van de biograaf is niet eenduidig. Soms is hij nadrukkelijk aanwezig in de tekst (‘mijn herinneringen aan Maartje Draak’, 229) maar hij refereert ook in derde persoon aan zichzelf (‘het op 5 juli 1963 verdedigde proefschrift van de Utrechtse neerlandicus W.P. Gerritsen’, 172).

Tot slot is het jammer dat Gerritsen niet op de hoogte lijkt te zijn geweest van het concept scholarly persona, waarin de wisselwerking tussen veranderende collectieve normen en individuele strategieën centraal staat.2 De toepassing van dit concept op het leven en werk van Draak had een interessante biografie op kunnen leveren en Gerritsens boek biedt wel een aantal mogelijke aanknopingspunten voor het gebruik ervan. Als voorbeeld geef ik Draaks lidmaatschap van de KNAW en haar optreden binnen dit orgaan. Niet alleen bezocht ze maandelijks de vergaderingen van de afdeling Letterkunde, maar ook die van de afdeling Natuurkunde. Gerritsen verklaart dit met een citaat waarin Draak stelt ‘het boeiend te vinden om de ontwikkelingen in de verschillende vakgebieden bij te houden’ terwijl ze er ‘nooit iets van begrepen had’ (163). Volgens Gerritsen maakten deze contacten het lidmaatschap van de Academie waardevol voor haar. (164).

Gerritsen schrijft in de inleiding van zijn biografie dat ‘de tijd gekomen lijkt om te onderzoeken welke plaats Maartje Draak toekomt in de geschiedenis van vrouwen in de Nederlandse wetenschap en in de geschiedenis van de geesteswetenschappen in Nederland’ (11). Dit boek doet dat echter slechts ten dele en hinkt op meerdere gedachten. Allereerst wil het, zoals de ondertitel doet vermoeden, een biografie zijn van de wetenschapper Draak. Op dat biografische gedeelte valt, zoals ik hierboven beschreven heb, veel af te dingen. Ten tweede laat Gerritsen de rol van Draak als vrouw in de wetenschap links liggen. Hij verwijst weliswaar kort naar het proefschrift van Mineke Bosch (1994) in relatie tot Draaks tijd als meisjesstudent halverwege de jaren twintig en refereert aan het feit dat Draak als eerste vrouw benoemd werd binnen de afdeling Letterkunde van de KNAW, maar hij besteedt verder nauwelijks tot geen aandacht aan dit aspect. Deze biografie is vooral een geschiedenis van het vak waarin zowel Draak als haar biograaf Gerritsen actief waren, de Middeleeuwse letterkunde in het algemeen en de keltologie in het bijzonder. Negen van de twaalf hoofdstukken beschrijven haar wetenschappelijke ontwikkeling, van student aan de gemeentelijke universiteit in Amsterdam halverwege de jaren twintig tot en met, wat Gerritsen noemt, haar ‘oogsttijd’. De andere hoofdstukken behandelen haar jeugd, Kaatje Kater en haar betrokkenheid bij organisaties zoals de VVAO en UVV. Tot slot is er een hoofdstuk gewijd aan haar rol als verzamelaar van Aziatische kunst en bestuurslidmaatschap van de VVAK. Kortom, Verhalen van de drakendochter is een biografie met nogal wat haken en ogen, en komt beter tot zijn recht als gedetailleerde geschiedenis van een specialistisch vakgebied, met bijzondere aandacht voor de rol van de wetenschapper Draak binnen dat vakgebied.