De afgelopen jaren verschenen diverse studies over de relatie tussen stedelijke, regionale en nationale identificatie in de negentiende en twintigste eeuw.1 Het dwingende kader van de natiestaat werd daarin op verschillende manieren bevraagd. Tymen Peverelli onderzoekt in de handelseditie van zijn proefschrift De stad als vaderland de verhouding tussen lokale en nationale identiteit in de provinciesteden Brugge, Leeuwarden en Maastricht tussen 1815 en 1914. Centraal in zijn analyse staat de groep die hij aanduidt als ‘erudieten’: de geleerden, literatoren, kunstenaars, architecten, geestelijken en andere geletterde belanghebbenden die zich bezighielden met de vormgeving en promotie van de stedelijke cultuur. Een van Peverelli’s conclusies is dat ondanks de grote staatkundige veranderingen in de bestudeerde periode – waaronder de Belgische Revolutie van 1830 – de belangstelling voor het stedelijke verleden een grote continuïteit vertoonde.

Halverwege zijn boek merkt Peverelli op dat de identiteitsvorming die hij bestudeert onderhevig is aan een grote ‘begripsflexibiliteit’ die noopt tot zorgvuldig formuleren. Een grote verdienste van De stad als vaderland is dan ook het begrippenkader dat – zelfs gevisualiseerd in een kwadrant – in de inleiding wordt geïntroduceerd. Peverelli maakt een onderscheid tussen ‘gelokaliseerd nationalisme’ enerzijds en ‘stadsparticularisme’ anderzijds. Het eerste duidt op de manieren waarop stadsbewoners zich nationale symbolen en rituelen op lokaal niveau toe-eigenden of hun stad zelfs als pars pro toto voor de gehele natiestaat presenteerden. Het tweede behelst een verheerlijking van de lokale, stedelijke uniciteit. Hierbinnen waren vervolgens weer meerdere politieke of culturele zwaartepunten mogelijk. Aan de hand van dit spectrum brengt Peverelli de complexe gelaagdheid van identiteitspolitiek in de drie provinciesteden overtuigend in kaart, en met zijn kwadrant biedt hij aan toekomstige onderzoekers een bruikbaar handvat.

Hoofdstuk 1 en 3 richten zich op de geleerde en literaire netwerken van erudieten die zich bezighielden met het uitdragen van de stedelijke identiteit in de negentiende en vroeg-twintigste eeuw. Marita Mathijsen heeft in haar boek Historiezucht (2013) laten zien hoe daarbij voortdurend teruggegrepen werd op het verleden. In de provinciesteden bestudeerden tal van plaatselijke genootschappen en (amateur)historici de lokale geschiedenis, maar zij moesten zich daarbij in toenemende mate verhouden tot de ontwikkeling van de natiestaat. Opvallend is het beroep dat in alle drie de steden wordt gedaan op het middeleeuwse verleden, wat bij Leeuwarden en Maastricht dan vaak gecontrasteerd is met het dominante geschiedbeeld van de ‘Hollandse’ Gouden Eeuw. Peverelli duidt dit ook als reactie op het gevoelde verlies van stedelijke autonomie.

In hoofdstuk 2 en 4 staat de publieke verbeelding van identiteit in de vorm van gedenktekens en feestelijke optochten centraal. In de eerste helft van de negentiende eeuw concentreerden deze herdenkingen zich vooral op de eigen lokale gemeenschap, maar na 1860 zochten de organisatoren vaker aansluiting bij een nationaal kader. Dit leidde ertoe dat de nationale betekenis van lokale figuren en tradities juist meer werd onderstreept. Grenssteden als Maastricht plaatsten zich op sommige momenten zelfs in een internationaal (katholiek) verband. Zo organiseerde de lokale Vereniging voor Vreemdelingenverkeer bij de Heiligdomsvaart in 1909 een historische stoet die de geschiedenis van de stad in een Europese context plaatste. Naast lokale katholieke figuren als Servaas trokken West-Europese middeleeuwse vorsten als Karel Martel en Karel de Grote aan de toeschouwers voorbij, terwijl nationale helden ontbraken.

Het overzicht van lokale initiatieven en organisaties dat Peverelli de lezer biedt is ontzettend knap bijeengebracht. Hij baseert zich hierbij op een breed arsenaal aan genootschapsarchieven, overheidsdocumenten, reisverslagen en stadsgidsen, afbeeldingen, en periodieken (de lijst achterin telt ruim tachtig titels!). De veelheid aan gepresenteerde lokale instituties en activiteiten roept echter ook nieuwe vragen op. Niet altijd wordt duidelijk waarom lokale actoren de ene keer voor een gelokaliseerd nationalisme kozen en de andere keer juist het stedelijke particularisme wilden benadrukken. Welke rol was hier bijvoorbeeld weggelegd voor opdrachtgevers en financiers, en welke invloed had het (beoogde) publiek?

Hoofdstuk 5 en 6 – over respectievelijk de omgang met stedelijk erfgoed en de ontwikkeling van een modern stadstoerisme – tonen waartoe meer aandacht voor de motieven van de groep erudieten kan leiden. Peverelli laat zien hoe stedelijke bestuurders rond het midden van de negentiende eeuw het belang van monumentenzorg op landelijk niveau agendeerden. Pas vanaf dat moment gebruikten zij ook een nationale retoriek om het lokale erfgoedbeleid te legitimeren, en in veel gevallen via de staat te financieren. In Brugge werd de laatgotische architectuur zelfs ingezet voor het propageren van een Vlaams nationalisme. Binnen de toerisme-industrie kwam juist steeds vaker de nadruk te liggen op het bijzondere karakter van de stad. Juist het exotische, dat wat men niet kende, was voor toeristen interessant. De promotie van lokale architectuur, klederdracht en tradities moest bezoekers uit binnen- en buitenland naar de stad lokken. In plaats van de tegenstellingen tussen de verschillende steden en regio’s werd hier de meerwaarde van lokale diversiteit binnen een nationaal verband benadrukt.

Met De stad als vaderland laat Peverelli zien hoe in de eeuw van de natiestaat lokale en regionale identiteiten een centrale rol bleven spelen in het leven van burgers. Het ging hierbij niet om een contrast tussen ‘oud’ (stad) en ‘nieuw’ (natie) identiteitsbesef, maar om de zoektocht naar een geheel nieuw antwoord op de vraag wat het nu eigenlijk betekende om een inwoner van het negentiende-eeuws Brugge, Leeuwarden of Maastricht te zijn. De terugkerende constatering dat lokale en nationale claims elkaar afwisselden of versterkten, beperkt zich vermoedelijk niet tot deze provinciesteden en – zo blijkt uit de epiloog – ook niet tot de negentiende eeuw. Ook vandaag de dag, zo stelt de auteur, kan oog voor ‘rijke stedelijke tradities’ ons helpen om alternatieven te vinden voor ‘het benauwde nationalisme van onze eigen tijd’ (304).