Het onderwerp van het proefschrift waarop Laurien Hansma in 2018 aan de Rijksuniversiteit Groningen promoveerde, is wat zij zelf het ‘oranjevertoog’ noemt: de bijdragen van orangisten aan het debat over het constitutionele denken in de periode 1780-1813. De studie omspant het hele revolutionaire tijdvak, waarbij in het eerste hoofdstuk ook nog de aanloop daartoe aan de orde komt.

Na de inleiding volgen zeven hoofdstukken over de perioden 1747-1780, 1780-1787, 1787-1794, 1795-1798, 1799-1805, 1805-1810 en 1810-1813. Elk hoofdstuk opent met een inleiding op de politieke situatie in de desbetreffende periode, met een nadruk op de positie van de Oranjes daarin. Vervolgens gaat de auteur in op de bijdragen van orangisten aan het debat over de meest wenselijke staatsinrichting van het vaderland. Hansma heeft daartoe veel pamfletten, periodieken en andere eigentijdse geschriften doorgenomen en daarin ligt de grootste verdienste van dit werk.

De moeilijkheid waarvoor Hansma zich zag gesteld, is het feit dat het orangisme als politieke theorie flinterdun is en intellectuele diepgang ontbeert. De orangisten waren in de pennenstrijd met de patriotten in de jaren 1780 dan ook kansloos. Hansma noteert nuchter: ‘er bestond geen theoretisch gefundeerde verdediging van het stadhouderschap waar Oranjegezinden op konden terugvallen’ (45). De orangisten slaagden er evenmin in om zo’n theorie op te stellen. Tegenover nieuwe patriottische concepten van volkssoevereiniteit en scheiding der machten, konden zij slechts aanvoeren dat het oude bestel superieur was, omdat het zich al had bewezen. Ze slaagden er niet in om duidelijk te maken wat de stadhouder precies bijdroeg aan dat oude bestel, en konden evenmin een grondslag aanvoeren voor het ‘recht’ van de Oranjes om de positie van stadhouder te bekleden. In de Bataafse periode won het orangistische discours niet aan argumentatiekracht: ‘[h]et belangrijkste onuitgesproken argument bleef hierbij dat alles moest blijven zoals het was, omdat het nu eenmaal altijd zo was geweest’ (129).

Na de mislukte Engels-Russische invasie in het noorden van Holland in 1799, de gematigde constitutie van oktober 1801 en de verklaring van Willem V in december 1801, waarin hij de regenten ontsloeg van hun eed van trouw aan hem, normaliseerden de betrekkingen tussen orangisten en hun politieke tegenstanders. Orangisten erkenden voortaan de volkssoevereiniteit en in 1806 zelfs het koningschap van Lodewijk Napoleon. Orangisme verschoot van kleur en ging over in monarchisme. In het najaar van 1813, toen de val van Napoleons keizerrijk aanstaande was, kreeg orangisme een nog neutralere betekenis, als de Nederlandse variant van nationalisme. Omdat orangisme inmiddels ontdaan was van elke brisante politieke lading, kon het door iedereen worden omarmd die hunkerde naar het einde van de Franse overheersing en het herstel van de onafhankelijkheid van het vaderland.

Hansma schotelt de lezer een braaf overzicht voor en daarin schuilt een groot bezwaar tegen deze studie. Veel van wat zij behandelt is handboekstof – en zelfs dat lijkt af en toe een lemen basis te hebben, want de auteur is alleen enigszins thuis in de vaderlandse geschiedenis. Wanneer Hansma de ontwikkelingen buiten de landsgrenzen behandelt, zoals die in het ‘Heilige Roomsche Rijk [sic]’ (48) en in revolutionair en napoleontisch Frankrijk, doet ze dat zonder veel kennis van zaken. Zo schrijft ze dat Frankrijk in 1797 voorstelt om het Huis van Oranje-Nassau schadeloos te stellen met ‘de bisdommen Bamberg en Würzberg’. ‘Dat werd echter tegengehouden door het katholieke Oostenrijk dat niet wilde dat deze gebieden werden geseculariseerd’ (95). Het lijkt zo een religieus conflict over bisdommen. Onbelicht blijft dat het om prinsbisdommen gaat: kerkelijke vorstendommen in het Duitse Rijk die vanouds in de politieke invloedssfeer van de Habsburgse keizer lagen. Het spreekt in dit verband boekdelen dat Hansma uitsluitend Nederlandse en Engelse literatuur heeft geraadpleegd. Maar ook op het eigenlijke terrein van haar studie laat ze de lezer met veel vragen achter. Ze hakt nergens knopen door in een debat, maar zet alleen de verschillende opvattingen op een rijtje. Bart Verheijen heeft in Nederland onder Napoleon. Partijstrijd en natievorming 1801-1813 het orangisme in de periode 1801-1813 grondiger behandeld dan Hansma dat doet.1 Toch treedt Hansma niet in debat met Verheijen, maar gebruikt ze zijn werk uitsluitend als bron (183, 190, 192-193).

De geschiedschrijving van het orangisme biedt voldoende leemtes om een proefschrift te rechtvaardigen. Zo is het restauratietijdperk (1787-1794) nauwelijks onderwerp van onderzoek geweest. Hoe opereerden orangistische regenten bij de zogenaamde ‘wetsverzetting’ na de Pruisische inval van 1787? Welke ideeën over de inrichting van de staat probeerden ze uit te voeren, nu ze in de comfortabele positie verkeerden dat niemand hun macht kon betwisten? Historicus Erik Halbe de Jong heeft een aanzet tot dergelijk onderzoek gegeven in zijn dissertatie over de strijd tussen patriotten en prinsgezinden in Leiden, maar Hansma pakt het onderwerp niet op.2 Het boek van De Jong staat niet eens op haar literatuurlijst.

Het orangisme ontleende zijn kracht niet zozeer aan intellectuele argumenten als wel aan de trouw van een aanzienlijk deel van het gewone volk aan de Oranjes. Deze aanhankelijkheid had een politieke dimensie, omdat de orangisten onder het gewone volk – de beruchte ‘bijltjes’ voorop – bereid waren om de straat op te gaan en geweld te gebruiken om hun eisen kracht bij te zetten. Bij het verschijnen van de bundel Oranje onder: populair orangisme van Willem van Oranje tot nu werd terecht geconstateerd dat het in kaart brengen van het orangisme van de straat het belangrijkste desideratum is in het onderzoek naar orangisme.3

Hansma reduceert orangisme evenwel tot politiek denken. Orangisme als politiek handelen blijft zo buiten beschouwing. Weliswaar geeft Hansma aan dat ze oog wil hebben voor uitingen van orangisme buiten een traditionele politieke context – bijvoorbeeld in de vorm van liedjes en materiële objecten (17) – maar in het boek blijven ze faits divers die nauwelijks verband houden met haar eigenlijke betoog. De ‘oranje driften’ waarvan de titel van het boek rept, blijven zo buiten beeld. Dat is jammer, want er loopt een rode lijn tussen de orangistische rellen in 1783-1784 in Rotterdam, die voor altijd verbonden zullen blijven met de mosselkeurvrouw Kaat Mossel, en het optreden van Anton Falck, de latere staatsman, die in november 1813 met zijn compagnie Nationale Garde het marinearsenaal op Kattenburgereiland in Amsterdam bewaakte tegen orangistische bijltjes. Ook de machteloosheid van de Bataafse marine kan voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan orangistische sentimenten van het marinepersoneel. Zelfs in Engelse krijgsgevangenschap gingen prinsgezinde en patriotse marinemensen elkaar in het najaar van 1799 nog groepsgewijs te lijf.4 Maar dat ligt allemaal buiten het bestek van deze magere en fletse studie, die eerder leest als een zeer uitgebreide masterthesis dan als een dissertatie.