In 1952 diende de Nederlandse kapitein Raymond Westerling degenen die verontwaardigd waren over zijn executie van vier Indonesische gevangenen tijdens de Nederlands-Indonesische Oorlog van een bijtende repliek. Hij vond zijn eigen strijdmethodes, gericht op het eigenhandig doden van mensen die hij schuldig achtte, zowel effectiever als ethischer dan wat Europese professionele militairen als ‘de normale gang van zaken’ beschouwden, namelijk ‘om een dorp, van waaruit terroristen opereerden, in brand te steken of vanuit de lucht te bombarderen’.1 Hoewel Westerling verantwoordelijk was voor het executeren van vele honderden Indonesische non-combattanten, klinkt zijn kritiek op de verkeerde toepassing van Westerse technologie bij de bestrijding van irregulier optredende tegenstanders (guerrilla’s) nog steeds door in analyses van wat in de Engelstalige literatuur vaak geduid wordt als ‘counter-insurgency’, de bestrijding van een opstand. Veel auteurs beargumenteren net als Westerling dat indirect vuur door zware wapens als artillerie en gevechtsvliegtuigen niet alleen ineffectief zijn tegen mobiele en verspreide guerrillatroepen, maar ook disproportioneel veel schade aanrichten en slachtoffers maken onder de burgerbevolking.2

In de geschiedschrijving over de Nederlands-Indonesische Oorlog van 1945-1949 staat bij discussie over het gebruik van zware wapens de term ‘technisch geweld’ centraal. Deze term werd in 1970 gemunt door Jacques van Doorn en Wim Hendrix in hun onderzoek naar de ‘ontsporing van geweld’ in het Nederlands-Indonesische conflict. Ze gaven geen strakke definitie van technisch geweld en gebruikten de term vooral om te verwijzen naar indirect vurende wapens zoals artillerie en gevechtsvliegtuigen.3 Latere auteurs suggereerden een sterk verband tussen het gebruik van technisch geweld en excessief geweld, waarbij bijna per definitie burgers het slachtoffer werden. Meermaals hebben Nederlandse historici geopperd dat technisch geweld, en dan met name de inzet van artillerie, debet was aan de meerderheid van de Indonesische burgerslachtoffers.4 Zoals Bart Luttikhuis recentelijk opmerkte, is het historici die over technisch geweld schrijven tot op heden echter niet gelukt om een duidelijke definitie van de term te formuleren, noch om een analytisch raamwerk op te stellen om onderscheid te kunnen maken tussen ‘extreem/excessief’ en ‘normaal/legitiem’ technisch geweld. Dit onderscheid is vaak lastiger te maken voor het gebruik van indirect vurende wapens dan voor directe vormen van geweld zoals executies, marteling en verkrachting. Bovendien is er tot nu toe weinig empirisch bewijs geleverd voor het gesuggereerde aandeel van technisch geweld in de slachtofferaantallen.

In dit artikel willen we een eerste reactie bieden op de observatie van Luttikhuis en ook Rémy Limpach dat het onderzoek naar technisch geweld in de Indonesische archipel tot nog toe ‘grote lacunes’ vertoont.5 Door het Nederlandse gebruik van zware wapens niet geïsoleerd te behandelen, maar in de context van de inzet van indirect geweld in contemporaine conflicten te plaatsen, kunnen we een beter inzicht krijgen in de relatieve schaal ervan, evenals – en dit is nog moeilijker vast te stellen – de impact die de Nederlandse inzet van technisch geweld had op de Indonesische tegenstander en de bevolking. Een methodologisch en empirisch scherpere comparatieve benadering is binnen de grenzen van deze forumbijdrage niet mogelijk. Er is namelijk nauwelijks onderzoek gedaan naar de inzet van artillerie en gevechtsvliegtuigen in koloniale ‘counter-insurgencies’ in bijvoorbeeld Algerije, Indochina, Maleisië en Kenia. Deze thematiek wordt hooguit als voorbeeld aangehaald in bredere studies naar dekolonisatieoorlogen. Vanwege de schaarste aan literatuur hebben we onze verkennende vergelijking uitgebreid naar andere, niet-koloniale irreguliere conflicten zoals de strijd van de Griekse regering tegen communistische opstandelingen (de Griekse Burgeroorlog, 1946-1949) en de operaties van de Filipijnse strijdkrachten tegen de eveneens communistische Hukbalahap-beweging (1946-1954).

Als eerste stap in de richting van wat hopelijk een uitgebreider wetenschappelijk debat wordt, willen we drie vragen stellen. De eerste vraag is of de inzet van zware wapens door de Nederlandse strijdkrachten tussen 1945 en 1949 op enige wijze als uitzonderlijk kan worden beschouwd in de context van historische ontwikkelingen en in vergelijking met andere conflicten in dezelfde periode. Ten tweede gaan we in op de vraag hoe effectief zware wapens waren in irreguliere oorlogen zoals de Nederlands-Indonesische Oorlog. Ten slotte zullen we specifiek in de Nederlands-Indonesische context kritisch kijken naar de reeds genoemde aanname dat zware wapens daar veel meer (burger)slachtoffers hebben gemaakt dan ‘directe’ vormen van geweld.

Revolutie in vuurkracht

In de geschiedschrijving over de Nederlands-Indonesische Oorlog heeft de bredere historische context van de ontwikkeling en toepassing van indirecte wapens tot nog toe weinig aandacht gekregen. Deze wapens waren het product van een ‘militaire revolutie’ die tachtig jaar had geduurd. In 1850 vochten soldaten op vrijwel dezelfde manier als een eeuw eerder, met onnauwkeurige musketten en kanonnen die aan de voorzijde van de loop werden geladen. Tegenstanders beschoten elkaar vanaf honderd meter afstand en vuurden dus vooral ‘direct’. Echter, tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog kwamen militairen zelden nog oog in oog te staan met de vijand en geschiedde het doden vooral ‘indirect’. Met zware artillerie konden doelen op wel veertig kilometer afstand worden bereikt en vanuit vliegtuigen werden bommen afgeworpen. Zelfs zogenaamd ‘directe’ wapens – mitrailleurs, tanks, infanteriegeweren – vuurden meestal blindelings in de richting van de tegenstander. Schutters probeerden niet zozeer de vijand te doden als wel de vijandelijke vuurkracht te onderdrukken.

Om de dodelijkheid van hun bewapening nog verder te vergroten en zich tegen die van de vijand te verdedigen, leerden legers werken met een sterk geïntegreerd systeem van met elkaar verbonden wapens dat in de Tweede Wereldoorlog zijn climax vond – als we nucleaire wapens buiten beschouwing laten. Alles van wapens, technische specialismen, bevelvoering en controle tot logistiek, werving en opleiding werd volledig samengevoegd in wat Stephen Biddle het ‘moderne systeem’ noemt.6 Totale oorlog, oftewel de complete mobilisatie van de economische, menselijke en financiële hulpbronnen van een land, werd steeds meer beschouwd als een militaire noodzakelijkheid in de moderne oorlogvoering. Enorme hoeveelheden mankracht en materieel werden gegenereerd, ten koste van een duidelijk onderscheid tussen strijders en niet-strijders. Tijdens de Slag om Stalingrad vuurde de artillerie van het Sovjetleger op één dag meer dan 700.000 granaten af, en in de laatste aanval op Tunis zetten de Britten op een drie kilometer brede lijn 444 stukken geschut in en voerden zij ruim 2000 luchtaanvallen uit.7 Tijdens de campagne in Normandië van juni en juli 1944 lieten duizenden zware en middelzware geallieerde bommenwerpers meer dan 50.000 ton bommen vallen, waarbij een groot deel van het Franse transportsysteem werd verwoest en duizenden burgers omkwamen.8 In de Tweede Wereldoorlog was zelfs in meer geïsoleerde gebieden vuurkracht het devies: een Britse commandant in Birma schepte op dat een bergrug na een recente artilleriebeschieting drie meter hoogte was verloren en er ‘een halve meter dode Jappen’ voor terug had gekregen.9 Een paar jaar na het einde van de oorlog nam het Amerikaanse leger een 280 mm-kanon in gebruik dat kernkoppen met de kracht van de atoombom op Hiroshima kon afschieten.

Vanuit de jaren veertig bezien was het gebruik van ‘zware vuurkracht’ in de Nederlands-Indonesische Oorlog dus niet alleen beperkt in termen van de hoeveelheid beschikbare middelen. De bommenwerpers, artillerie en tanks die Nederlandse militairen gebruikten waren in zuiver militaire termen ‘middelzwaar’ of soms zelfs ‘licht’. Binnen de context van wat Peter Romijn ‘de lange Tweede Wereldoorlog’ heeft genoemd, was het toenemende gebruik van artillerie en luchtstrijdkrachten niet alleen het logische resultaat van technologische en tactische innovaties op de lange termijn.10 De toename was ook het gevolg van de ontwikkelingen die bewapening tijdens de allesomvattende Tweede Wereldoorlog had doorgemaakt. Deze oorlog drukte bovendien zijn stempel op alle aspecten van de direct naoorlogse conflicten, van de bredere politieke context tot de tactische besluiten aan beide zijden op het slagveld.

Een internationale vergelijking

Een beknopte inventarisatie van andere dekolonisatieconflicten en burgeroorlogen die in dezelfde periode als de Nederlands-Indonesische Oorlog plaatsvonden, laat zien dat in al deze conflicten op grote schaal gebruik werd gemaakt van ‘zware’, indirect vurende wapens. De Fransen maakten op grote schaal gebruik van artillerie, gevechtsvliegtuigen en scheepsgeschut in hun poging het verzet in Algerije (1954-1962) en Indochina (1945-1954) te breken. In de Griekse Burgeroorlog (1946-1949) gebruikten beide partijen tanks en artillerie, die de rivaliserende supermachten in de Koude Oorlog hen maar wat graag leverden. De Koreaanse Oorlog (1948-1953) escaleerde binnen drie jaar van een obscure guerrillaoorlog tot het dodelijkste reguliere conflict van het decennium. Zowel het geweldsniveau op het slagveld als het aantal burgerslachtoffers gingen de gebeurtenissen in Indonesië ver te boven. De Noord-Koreanen hadden veel meer zware wapens ter beschikking op het moment dat ze in 1950 het Zuiden binnenvielen, en alleen al in één maand in 1953 vuurde de artillerie van hun bondgenoot China ruim 220.000 granaten af op de strijdkrachten die onder de vlag van de Verenigde Naties optraden.11 Ter vergelijking: een typische Nederlandse artillerie-afdeling vuurde tijdens haar gehele verblijf in Indonesië gemiddeld slechts zo’n 5.000 granaten af.12

In tegenstelling tot de aanname dat technisch geweld bijna per definitie leidt tot excessief geweld tegen burgers, ging in de Hukbalahap-opstand (1946-1954) en de ‘Malayan Emergency’ (1948-1960) een toename in bewapening juist gepaard met een afname in het geweld tegen non-combattanten. Bij hun eerste operaties tijdens de Hukbalahap-opstand maakten de Filipijnse strijdkrachten royaal gebruik van artillerie en gevechtsvliegtuigen. Hierbij werd in eerste instantie weinig onderscheid gemaakt tussen rebellen en burgers. Naarmate het Filipijnse leger echter zowel qua bewapening als mankracht sterker werd, ging het zich restrictiever en selectiever richten op de rebellen en leverde het meer inspanningen om materiële schade en burgerslachtoffers te voorkomen.13 In de loop van de ‘Malayan Emergency’ beperkten de Britten ongerichte luchtaanvallen en artilleriebeschietingen op soortgelijke wijze.14

Historici die over deze thematiek schrijven, zijn vaak met name geïnteresseerd in specifieke wapensystemen, maar kijken daarbij niet altijd naar hoe deze wapens waren ingebed in het militaire beleid. Tijdens ons onderzoek naar irreguliere conflicten in dezelfde periode viel op dat het succes van het gebruik van zware wapens samenhing met de effectiviteit van beleid gericht op het controleren van de bevolking en het scheiden van rebellen en de burgerbevolking. Deze zeer disruptieve maatregelen – in Griekenland en Maleisië werd ongeveer tien procent van de bevolking onder dwang verplaatst15 – maakten zowel effectievere als beter gerichte artillerie-inzet en luchtaanvallen mogelijk. In de latere fases van de ‘Malayan Emergency’ droegen de storingsvuren van de Britse Royal Artillery-eenheden flink bij aan het neerslaan van geïsoleerde verzetskernen.16 De Nederlanders in Indonesië en de Fransen in Indochina waren niet in staat om een dergelijke scheiding tussen burgers en strijders te bewerkstelligen. Daardoor was hun gebruik van zware wapens waarschijnlijk minder onderscheidend of gericht. Dit geld echter ook voor ‘directe’ infanteriemethoden.

Bij een analyse van technisch geweld moeten we ons niet beperken tot de gevallen waarin de Westerse troepen in het voordeel waren, maar ook aandacht hebben voor de indirecte wapens van hun tegenstanders. Hoeveel Griekse burgers zijn er niet gewond geraakt of gedood door de duizenden ‘indirecte’ mijnen die de communisten overal op het platteland plaatsten? De trekbommen die Indonesische strijdkrachten in de Nederlands-Indonesische Oorlog op grote schaal gebruikten, bleken een van de effectiefste manieren om Nederlandse militairen te doden. Deze geïmproviseerde explosieven – vaak in elkaar geknutseld met Nederlandse of Japanse explosieven – kunnen worden beschouwd als de antikoloniale versie van technisch geweld.

De Nederlands-Indonesische Oorlog17

Net als in de meeste onafhankelijkheidsoorlogen tijdens deze periode heeft het Indonesische Nationale Leger (Tentara Nasional Indonesia; TNI) zich in termen van bewapening en goed opgeleid personeel nooit kunnen meten met de koloniale macht. In vrijwel alle reguliere gevechtssituaties waren de Nederlandse troepen de TNI tactisch gezien de baas.18 De guerrillastrategie waar de leiding van de TNI in 1947 volledig op overging was dan ook de enige manier om zonder gevaar voor eigen vernietiging de Nederlandse troepen te verdrijven. Dat deze mate van asymmetrie niet onvermijdelijk was, bewijst de Eerste Indochinese Oorlog (1946-1954). Met Chinese steun wist de Viet Minh na 1949 geleidelijk reguliere troepen op te zetten met een flink arsenaal aan ondersteunende wapens. De geconcentreerde artillerie en het niveau van opleiding en organisatie van de Viet Minh speelden in 1954 een doorslaggevende rol in hun overwinning tijdens de slag bij Dien Bien Phu.

In Indonesië leerde de bloedige Slag om Surabaya tussen nationalistische strijders en Britse bezettingstroepen in november 1945 alle partijen al vroeg in het conflict een belangrijke les die de weg vrij maakte voor een ander strijdverloop dan in Indochina. De Indonesiërs kwamen erachter dat reguliere gevechten de eigen troepen veel te veel slachtoffers kostten. De Britse bezettingstroepen, die koste wat kost nog een slag wilden voorkomen waarin licht bewapende Brits-Indische troepen onder de voet werden gelopen tijdens massale Indonesische aanvallen, besloten meer vuurkracht in te zetten. En de Nederlanders trokken de les dat ze hun troepen moesten uitrusten met meer ondersteuningswapens zoals artillerie en gepantserde eenheden om zo de Indonesische troepen in een grootschalige militaire operatie een ‘beslissende slag’ te kunnen toebrengen.19

Chinese artillerie wordt verplaatst voor de Slag bij Dien Bien Phu, 1954. © Collectie Jean-Claude LABBE/Gamma-Rapho via Getty Images, GA613051_07. http://www.gettyimages.nl/detail/113976996.

Hoewel de Nederlandse legercommandant generaal Simon Spoor een sterk voorstander was van een dergelijke strategie, was een grootschalig offensief pas halverwege 1947 mogelijk, toen de Nederlandse troepenopbouw het minimaal vereiste niveau had bereikt. Aan het begin van ‘Operatie Product’ (21 juli tot 4 augustus 1947), het reguliere offensief dat in Nederland bekend werd als de ‘eerste politionele actie’ en door de Indonesiërs Agresi Militer Belanda I (‘eerste Nederlandse militaire agressie’) werd genoemd, had generaal Spoor ongeveer 100.000 troepen ter beschikking. De strijdmacht beschikte over 22 afdelingen veldartillerie (met gemiddeld acht kanonnen per afdeling) en in totaal elf squadrons vliegtuigen – waarvan zeven squadrons bommenwerpers en/of jagers. Dit was ongeveer hetzelfde aantal als de Royal Air Force gebruikte om een veel kleinere opstand in Maleisië neer te slaan. In theorie konden in totaal 150 tot 175 vliegtuigen worden ingezet voor bombardementen en gevechtsmissies in Indonesië, maar in de praktijk kon slechts een derde van dat aantal aan de operaties deelnemen door gebrek aan bemanningen en onderdelen.20 Maar zelfs als de squadrons volledig inzetbaar waren geweest, was dit een nogal beperkt arsenaal in vergelijking met de Fransen in Algerije, die 300 à 400 aanvalsvliegtuigen ter beschikking hadden in een land dat een achtste van het aantal inwoners van Indonesië telde.21

De meeste van de Nederlandse artillerie-afdelingen waren uitgerust met Brits QF 25-ponder veldgeschut. Volgens een van de artillerie-instructeurs in de Verenigde Staten was dit lichte kanon ‘one of the miracles of the war’; het was veel beter dan de 105 mm houwitsers gemonteerd op Sherman tanks waarmee de 5.000 man sterke Mariniersbrigade naar Oost-Java was gestuurd.22 Toen de Shermans in het Indonesische landschap te groot en te zwaar bleken, werd een apart artilleriebataljon opgezet voor de Mariniersbrigade. Tijdens Operatie Product werden de artillerie-afdelingen ingezet in aanvalscolonnes waar de infanteriebrigades voor de aanval in waren onderverdeeld.23 Al met al hadden de Nederlanders zeker de middelen om op enige schaal ‘technisch geweld’ toe te passen. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat, net als de Fransen in Indochina, de Nederlandse strijdkrachten – met name de militaire luchtvaart – met slechts een klein budget in enorme gebieden moesten opereren. Reserveonderdelen, munitie en vakkundig personeel waren altijd lastig te vinden, wat de daadwerkelijke gevechtskracht aanzienlijk beperkte. Dit werd in de loop der tijd een groter probleem voor de Nederlanders dan voor de Fransen. Vanaf 1949 vond meer zwaar Amerikaans materieel zijn weg naar Indochina, terwijl na het Nederlandse militaire offensief van 1947 zowel de Amerikaanse als de Britse regering steeds sterkere beperkingen oplegden aan de verkoop van wapens aan Nederland.

Een aantal stukken 25-ponder veldgeschut staat dicht naast elkaar in stelling en vuurt projectielen af, 1948. Foto door de Dienst voor Legercontacten (DLC). © Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnummer 2155_007516. https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/6818110c-eb18-11df-a391-13966e870614/media/ea8eea85-94ec-71f5-db03-e7cb51d54158.

Tijdens Operatie Product voerden enkele Nederlandse artillerie-eenheden eerst een ‘vuurwals’ uit om eventueel Indonesisch verzet uit de weg te ruimen op delen van de route die de gevechtscolonnes op ‘Dag D’ (dag één van de operatie) zouden volgen. In de daaropvolgende dagen bood de artillerie vuursteun aan de infanterie-eenheden die steden bezetten en in de omgeving zuiveringsacties uitvoerden. De belangrijkste taak van de Militaire Luchtvaart van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (ML-KNIL) tijdens Operatie Product was het vernietigen van de Luchtstrijdkrachten van de Republiek Indonesië (Angkatan Udara Republik Indonesia; AURI), die met name bestonden uit Japanse oorlogsvliegtuigen. Deze operatie slaagde, waarna de AURI gedurende de rest van het conflict op een paar kleine aanvallen na geen rol van betekenis meer kon spelen. In een aanval op de stad Semarang tijdens Operatie Product wierp de AURI vanuit een Japanse Nate twee of drie bommen af, waarbij zeven Indonesiërs gedood werden. Op zoek naar dit vliegtuig schoten Nederlandse vliegers later die dag een Indiase DC-3 Dakota neer die met medicijnen en andere voorraden op weg was naar Yogyakarta. Hierbij kwamen meerdere grondleggers van de Indonesische luchtvaart om het leven.24

Het ligt voor de hand om te denken dat de Nederlandse artillerie en luchtstrijdkrachten het waardevolst waren in dit grootschalige offensief en in het tweede, Operatie Kraai genaamd, in december 1948. Volgens Van Doorn en Hendrix boden de gewelddadige guerrillafases die daarna oplaaiden ‘voor deze wapens veel minder mogelijkheden; de voortdurende zuiveringsacties in het bezet gebied waren een minder dankbaar project’. De auteurs concluderen dat ‘de betrekkelijke waarde van deze wapens in de contra-guerrilla [...] overigens niet [heeft] belet dat zij veel zijn gebruikt’.25 Maar hoewel artillerie tijdens de twee ‘politionele acties’ belangrijk was, was het nooit een beslissende factor. De belangrijkste bijdrage die artillerie leverde, was in de vorm van steun voor zuiverings- en patrouilleacties van de infanterie in de veel gewelddadigere maanden na de twee grootschalige offensieven.26

Artillerie was een ondersteunend wapen dat de infanterie hielp met zo weinig mogelijk risico’s de haar toegewezen gebieden te beheersen, en diende dus als compensatie voor de voortdurende tekorten aan grondtroepen. Zoals de Nederlandse commandant van een artillerieregiment het in het officiële oorlogsdagboek verwoordde:

Door 3-6 R.V.A. werd verschillende malen deelgenomen aan ondersteuningsacties van Infanterie V [...] Deze acties met artillerie-beschietingen hadden ten doel het moreel van de tegenpartij te breken en daardoor het voor de eigen infanterie mogelijk te maken om met zo weinig mogelijk verliezen de gestelde doelen te bereiken!27

Met name in gebieden met een zeer lage troependichtheid ging deze werkwijze niet altijd op. In 1949 waarschuwden twee hooggeplaatste artillerieofficieren tegen de praktijk van het aanvragen van vuur op doelen ‘zonder dat dit vergezeld ging van een infanterie-actie’. Als gevolg daarvan, zo concludeerden de officieren, zou de vijand zijn post verlaten zodra de eerste kogels insloegen, om zich vervolgens na afloop van de aanval vrijwel ongedeerd te hergroeperen:

De aldus gevolgde foutieve methode had uitsluitend tot resultaat, dat de vijand gewend geraakte aan artvuur en leerde om dit met succes te ontwijken en daarna zijn activiteit elders voort te zetten. Bovendien leidde dit tot een zinloze munitieverspilling.28

Dit onderstreept het punt van de algehele centrale positie die de infanterie innam in de in dit artikel besproken irreguliere conflicten. In al deze oorlogen stonden alle andere wapens ten dienste van, en waren ze het meest effectief in combinatie met, de infanterie. In Indonesië werd dit feit zowel in het veld als in de officierskamers algemeen geaccepteerd. Zo verboden Nederlandse militaire leiders bijvoorbeeld expliciet de offensieve inzet van het luchtwapen als dit niet werd vergezeld of gevolgd door een actie van grondtroepen. Hoewel deze richtlijn niet altijd werd opgevolgd, laat hij wel duidelijk zien dat het leger op de hoogte was van de beperkte toepassing van de luchtstrijdkrachten op zichzelf in het conflict waarin zij betrokken waren. Beperkende regels voor de offensieve inzet van het luchtwapen bestonden al vanaf het moment dat de eerste Nederlandse troepen onder Brits bevel op Java aankwamen en bleven gedurende een groot deel van de Nederlands-Indonesische oorlog van kracht.29 De centrale positie van de infanterie in operaties leidde ook tot een veelvuldig gebruik van mortieren, met name de lichte 2 inch-mortier, die troepen in het veld gemakkelijk met zich konden meedragen. Ondanks hun dodelijke effect kunnen dergelijke explosieven van niet meer dan een kilo echter nauwelijks tot de ‘zware’ wapens worden gerekend.

De ‘operette’ van Wonosari

Zoals we in de inleiding aangaven, is de aanname van Nederlandse historici dat de meerderheid van de Indonesische (burger)slachtoffers te wijten is aan zware wapens tot nog toe niet onderbouwd of kritisch onderzocht. Historici verwijzen naar de werken van de Republikeinse militaire leiders T.B. Simatupang en A.H. Nasution om deze stelling te staven, maar de voorbeelden in deze twee standaardwerken ondersteunen de bewering niet echt. Beide officieren maken weliswaar geregeld gewag van Indonesische slachtoffers van Nederlandse luchtaanvallen of artilleriebeschietingen, maar de aantallen die Nasution noemt van slachtoffers als gevolg van infanterie-acties en standrechtelijke executies zijn minstens even hoog.30 In zijn boek Het laatste jaar van de Indonesische vrijheidsstrijd 1948-1949 schrijft Simatupang dat bij de Nederlandse luchtaanvallen, zoals die op Wonosari, ‘het met name de gewone mensen waren die te lijden hadden’.31

Het blijft echter discutabel of de meeste slachtoffers in dit specifieke geval het gevolg waren van luchtaanvallen. Op 10 maart 1949 voerden de Nederlanders een grootscheepse aanval uit op de stad Wonosari in Midden-Java in reactie op de Republikeinse ‘Serangan Umum’ (‘algemene aanval’) van negen dagen eerder op het door de Nederlanders bezette Yogyakarta.32 De Nederlanders stuurden meer dan dertig vliegtuigen naar Wonosari omdat ze vermoedden dat de opperbevelhebber van de TNI, generaal Sudirman, hier verbleef.33 De luchtstrijdkrachten bombardeerden en mitrailleerden Wonosari en omgeving, waarna luchtlandingstroepen op het vliegveld ten noordwesten van de stad landden. In reguliere oorlogen zou dit worden beschouwd als een kleinschalige actie, maar voor de Nederlanders in Indonesië was het een van de grootste gecombineerde operaties buiten de twee zogenaamde politionele acties. Net als zoveel van de grotere ‘zuiveringsacties’ van de Nederlanders, liep ook deze operatie uit op een fiasco. De Republikeinse troepen hadden het gebied al verlaten, mogelijk in reactie op een luchtaanval van ongeveer twee weken eerder die niet werd gevolgd door een infanterie-actie.34 Volgens een Nederlandse veteraan had de operatie ‘een tamelijk “operette karakter”’, wat ‘een typisch kenmerk van grote acties’ was.35

Een formatie North American B-25 J Mitchell middelzware bommenwerpers van het in 1946 geformeerde 16 Squadron van de Militaire Luchtvaart van het KNIL. © Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, objectnummer 2158_027241. https://nimh-beeldbank.defensie.nl/foto-s/detail/d7de25d2-3ecf-64ef-50f2-3590c1c32036/media/958c61e5-d296-e9e0-36f0-0e5d3d2b4666.

Tien dagen later kwam het nieuws over de Nederlandse aanval de Indonesische delegatie bij de Verenigde Naties ter ore, die daarop een officieel onderzoek aanvroeg bij de VN-Commissie voor Indonesië (UNCI). In een communiqué dat werd uitgevaardigd door Nico Palar, het hoofd van de Indonesische vertegenwoordiging in de Veiligheidsraad, werd gesteld dat de Nederlandse aanval had geleid tot ‘honderd doden’ en het afbranden van ‘vijfhonderd huizen’.36 Het plaatselijke team van UNCI-waarnemers dat de kwestie vervolgens onderzocht, vond echter nauwelijks bewijs voor de Indonesische beweringen – volgens plaatselijke bewoners was er bij de luchtaanval één burger omgekomen en waren er tien gewond geraakt. De UNCI concludeerde daarop dat ‘het belang van het incident door Republikeinse kringen is overdreven’.37

Kortom, hoewel het ‘Wonosari-incident’ in Nederlandse literatuur naar voren komt als een schoolvoorbeeld van disproportioneel technisch geweld38, is het verre van zeker dat er grote aantallen burgerslachtoffers vielen door dit gebruik van indirect vurende wapens. De Nederlandse bronnen laten een wisselend beeld zien. In Wonosari zelf lijkt de aanval niet veel slachtoffers te hebben gemaakt. Het is mogelijk dat in een aantal afgelegen dorpen in het gebied, die op dezelfde dag ook werden aangevallen door de ML-KNIL en niet zijn bezocht door de UNCI-waarnemers, meer slachtoffers zijn gevallen. De handelingen van de Nederlandse paratroepen bieden een duidelijker beeld: deze maakten melding van veertig vijandelijke slachtoffers als gevolg van hun infanterieoptreden in en rond Wonosari.39 Daarentegen lijkt een veldartillerie-eenheid die in de regio in zes dagen tijd 974 granaten afvuurde vooral materiële schade te hebben aangericht, aangezien zij het gebied grotendeels verlaten aantroffen.40 Ten slotte werd – hoewel dit ook Republikeinse propaganda zou kunnen zijn – in een radiobericht van het hoofdkwartier van het TNI op Java gemeld dat in een gerelateerde Nederlandse vergeldingsactie voor de Indonesische Serangan Umum van 1 maart tweehonderd inwoners van dorpen rondom Yogyakarta door de Nederlanders waren opgepakt en geëxecuteerd als straf voor het bieden van onderdak aan guerrilla’s.41

Opvallend is dat in de Excessennota van 1969 geen enkel geval van technisch geweld wordt genoemd. Limpach heeft overtuigend aangetoond dat er meerdere gevallen hadden kunnen worden besproken. Toch betreft het overgrote deel van de gedocumenteerde gevallen van wreedheden begaan door Nederlanders het ‘directe’ doden van non-combattanten door infanterie-eenheden of inlichtingendiensten. Hetzelfde gebeurde waarschijnlijk ook in andere dekolonisatieconflicten. Het is lastig te bepalen of dit een weergave is van de daadwerkelijke situatie of meer het gevolg is van de beperkte beschikbaarheid van bronnen over slachtoffers doordat het geweld op afstand plaatsvond. Als we echter bedenken dat de Nederlandse troepen streden tegen een vijand die vaak werd beschreven als ‘onzichtbaar’, en dat vele onofficiële verslagen melden dat infanteriepatrouilles werd opgedragen om ‘op alles te schieten dat beweegt’, dan vervaagt het onderscheid. Het wordt op deze manier lastig om algemene beweringen te doen over de aantallen slachtoffers en de oorzaken ervan – zoals het voorbeeld van Wonosari aantoont. Maar het is juist de willekeur van veel van dit infanteriegeweld die ons vraagtekens doet plaatsen bij de bewering dat met ‘directe methoden’ minder onschuldige slachtoffers werden gemaakt.

Conclusie

Uit deze asymmetrische en verkennende vergelijking kunnen we de volgende, met elkaar verweven conclusies trekken. Ten eerste toont het onderzoek naar de historische context van zware wapens aan dat het Nederlandse gebruik van dergelijke geweldsmiddelen nauwelijks afweek van dat van andere Westerse mogendheden in contemporaine conflicten. En wanneer we het gebruik van zware wapens in Indonesië vergelijken met de toepassing daarvan in reguliere oorlogen, dan zien we dat in die laatstgenoemde conflicten zowel de artillerie als het luchtwapen met veel meer vernietigend effect en beduidend willekeuriger werden ingezet.

Ten tweede hebben we gezien dat artillerie en gevechtsvliegtuigen, anders dan wat regelmatig is gesuggereerd, in de loop van irreguliere conflicten vaak in toenemende mate effectief zijn ingezet. Maar net als de Fransen in Indochina lukte het de Nederlanders niet om de hiervoor noodzakelijke scheiding van guerrilla’s van de bevolking te bewerkstelligen. Daardoor bleven zij waarschijnlijk ineffectiever en willekeuriger in het gebruik van zware wapens dan tijdens de ‘counter-insurgency’-operaties in bijvoorbeeld Maleisië en op de Filippijnen. Ten derde heeft eerder Nederlands onderzoek naar de Nederlands-Indonesische Oorlog geleid tot de suggestie dat de inzet van zware wapens verantwoordelijk was voor het grootste deel van de slachtoffers onder non-combattanten. Nadere bestudering van de veel aangehaalde Nederlandse aanval op Wonosari laat echter zien dat onderzoek naar specifieke gevallen een ander beeld kan opleveren dan men op het eerste gezicht zou verwachten. Meer onderzoek, op zowel het micro- als macroniveau en zowel naar specifieke geweldsacties als in vergelijkend perspectief, kan inzicht bieden in de destructieve rol die indirect vurende wapens hebben gespeeld in de Nederlands-Indonesische Oorlog en in andere irreguliere conflicten. Tenslotte is het van belang te benadrukken dat de neiging om technisch geweld per definitie te verwerpen vanwege de ‘indirecte’ vernietiging die het aanricht, de aanhangers van het opportunistische argument dat ‘directe methoden’ zoals toegepast door Westerling ethischer zijn in de kaart speelt.