Inleiding1

De wreedheden die Nederlandse troepen begingen tijdens de Nederlands-Indonesische Oorlog (1945-1949) zijn een van de heetste historische hangijzers van de afgelopen tien jaar. Onder invloed van het Rawagede-proces, de eerste van een reeks rechtszaken die het Comité Nederlandse Ereschulden tegen de Nederlandse staat aanspande, hebben de Nederlandse samenleving en de politiek deze zwarte bladzijden in onze geschiedenis weer opengeslagen.2 In het spoor van de herlevende publieke belangstelling hebben ook historici het op zich genomen om deze wandaden te bestuderen. De historicus Rémy Limpach liep hierbij voor de troepen uit en kwam in zijn baanbrekende boek De brandende kampongs van Generaal Spoor (2016) tot de conclusie dat de Nederlandse troepen ‘een spoor van brandende kampongs en stapels lijken’ door de Indonesische archipel hadden getrokken.3 Meerdere opeenvolgende Nederlandse kabinetten hadden de door Nederlanders gepleegde wandaden gebagatelliseerd als niet meer dan individuele ‘excessen’ in een verder correct uitgevoerde militaire operatie. Limpach toonde daarentegen aan dat het extreme geweld structureel van aard was.4 Na de toenemende druk van de (nog steeds lopende) rechtszaken en de publicatie van Limpachs boek besloot de Nederlandse overheid eind 2016 om eindelijk financiële ondersteuning te bieden aan een initiatief dat drie Nederlandse historische instituten in 2012 hadden opgezet voor een gezamenlijk, onafhankelijk onderzoeksprogramma.5

Tijdens de tijdelijke geallieerde bezetting van Indonesië verbrandden Brits-Indische troepen kamponghuizen in Bekasi op West-Java als represaillemaatregel (november 1945). Dit voorbeeld steunt de gedachte dat dit extreme geweld tijdens de dekolonisatie vanuit een internationaal en vergelijkend perspectief bestudeerd moet worden. Foto vervaardigd door Lemon A E (Sergeant), No. 9 Army Film and Photo Section, Army Film and Photographic Unit. (c) Imperial War Museum, Londen, SE 6050, War Office, Central Office of Information and American Second World War Official Collection. https://www.iwm.org.uk/collections/item/object/205208513.

Dit forum is het eerste gepubliceerde resultaat van een van de acht subprojecten binnen dit onderzoeksprogramma. Onder de titel Dekolonisatieoorlogen vergelijken: extreem geweld tijdens herbezetting en irreguliere oorlogvoering wordt het Nederlandse extreme geweld in Indonesië tijdens de periode 1945-1949 gecontextualiseerd en vergeleken met het gebruik van geweld door andere koloniale overheersers. Als de coördinatoren van dit subproject hebben wij in het voorjaar van 2019 vijf internationale onderzoekers, namelijk experts op het gebied van Britse en Franse koloniale oorlogvoering en van militaire geschiedenis in het algemeen, gedurende drie maanden uitgenodigd voor een gezamenlijk onderzoeksverblijf op het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS).6 Dit NIAS-themagroepproject had als doel het gebruik van extreem geweld door koloniale veiligheidstroepen in Nederlandse, Britse of Franse dienst tijdens de periode van dekolonisatie te vergelijken en te duiden.

Bij het kiezen van onze onderzoekspartners hebben we getracht een team te vormen waarin verschillende historische benaderingen samenkomen: van krijgswetenschap, koloniale en imperiale geschiedenis tot politicologie en gendergeschiedenis. In plaats van de internationale onderzoekers ieder hun eigen casestudy te laten uitvoeren en het echte vergelijken uit te stellen tot de conclusie, hebben we elke niet-Nederlandstalige NIAS-fellow gekoppeld aan een Nederlandse wetenschapper uit een van de andere subprojecten van het overkoepelende onderzoeksprogramma, zodat ze hun onderzoeksthema konden vergelijken met de Nederlands-Indonesische kwestie. In dit forum presenteren we de resultaten van deze intellectuele uitwisseling rond de centrale vraag waarom en hoe koloniale veiligheidstroepen in zoveel dekolonisatieoorlogen overgingen tot het gebruik van extreem geweld om de antikoloniale opstanden de kop in te drukken.

Tijdens een doorzoekingsactie van een kampong, vermoedelijk op Sumatra, ondervragen Nederlandse militairen op 6 juli 1949 een Indonesische gevangene. Het onderschrift verwijst naar ‘peloppers’ (ook wel ‘ploppers’), dit was de denigrerende term die zij vaak voor vijandelijke strijders gebruikten. Deze foto maakt deel uit van een album, eigenaar onbekend © Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Losse Fotografische Objecten 221 Album A141 nr 286, collectienummer 2185-002-2860.

In deze inleiding op het forum geven we eerst een meer gedetailleerde definitie van extreem geweld (‘wat vergelijken we’). Vervolgens gaan we in op de toegevoegde waarde van deze vergelijkende benadering (‘waarom vergelijken we’). Daarna laten we kort zien hoe tijdgenoten, journalisten en historici in het verleden vergelijkingen vaak vrij ad hoc als hulpmiddel hebben ingezet, en wat historici hebben geschreven over de aard en oorzaken van extreem geweld in dekolonisatieoorlogen. Ook leiden we de andere vier bijdragen kort in en geven we aan hoe daarin vergeleken wordt, en ten slotte trekken we een aantal conclusies.

Aangezien de empirische basis van dit forum slechts vier casestudy’s betreft, zijn de resultaten van dit forum verkennend van aard.7 Door tijds- en financiële beperkingen hebben we in ons project keuzes moeten maken in termen van zowel onze focus als de onderzoekers die we konden uitnodigen om deel te nemen. Zo richt ons project zich op escalaties van geweld, maar daarbij richt het zich primair op het vergelijken en verklaren van het geweld dat de Nederlandse, Britse en Franse koloniale mogendheden in de verschillende conflicten pleegden. Hoewel Roel Frakking en Martin Thomas in hun forumbijdrage wel ingaan op de lokale geweldsdynamiek, valt het perspectief van de slachtoffers van dit geweld grotendeels buiten beschouwing en ligt hier dus ruimte voor toekomstig vergelijkend onderzoek. Door onze focus op koloniale wreedheden hebben we ook geen vergelijkingen kunnen trekken met vreedzamer verlopen dekolonisatieprocessen of bijvoorbeeld de haastige terugtrekking door de Britse en Belgische troepen uit respectievelijk India en Congo, die wel in extreem gewelddadige burgeroorlogen uitmondden.

Wat vergelijken we? Definities en vormen van wangedrag

Het centrale thema van dit forum is dus ‘extreem geweld in dekolonisatieoorlogen’. Maar wat onderzoeken we nu precies? Wij richten ons specifiek op buitensporig geweld: de momenten waarop geweld bepaalde grenzen overschrijdt. Dit kunnen wettelijke grenzen zijn, maar ook normatieve of politieke. Het is echter uiterst complex om in detail af te bakenen welke situaties precies vallen onder wat eerdere auteurs in hun werken over het Nederlands-Indonesische conflict hebben gedefinieerd als ‘excessief geweld’, ‘ontsporing van geweld’, ‘extreem geweld’, ‘massageweld’ of ‘oorlogsmisdaden’. Vaak is het analytisch problematisch om deze transgressies te onderscheiden van geweld in het algemeen, juist in een koloniale context waarin het rechtsstelsel zelf vaak een wapen was in handen van de koloniale mogendheden die zich al voor de Tweede Wereldoorlog veelal als een politiestaat manifesteerden. Extreem geweld kan ook niet los worden gezien van de bredere context van oorlogsvoering – het type oorlog en de intensiteit ervan – waarin het plaatsvindt.

Dus waar trekken we de grens? In essentie zijn we uitgegaan van wat we binnen onze internationale onderzoeksgroep een ‘commonsensical approach’ noemden, een benadering die is geïnspireerd op (maar niet uitsluitend beperkt blijft tot) de brede kaders voor onder meer geweldsgebruik en omgang met gevangenen zoals uiteengezet in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die in december 1948 door de VN is aangenomen, de Derde en Vierde Geneefse Conventies van het daaropvolgende jaar en het in 1950 ondertekende Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.8 Juist omdat dergelijke wettelijke kaders ten tijde van de Nederlands-Indonesische Oorlog nog volop in ontwikkeling waren en de koloniale machten het in de meeste gevallen niet van toepassing beschouwden op wat zij presenteerden als ‘interne conflicten’ binnen hun koloniale rijk, willen we hier niet te diep ingaan op de vraag naar de geldigheid van dat wettelijke kader tijdens deze dekolonisatieconflicten. Andere auteurs hebben dat al veel gedetailleerder gedaan dan hier voor ons mogelijk is.9 In plaats daarvan benadrukken we bij onze benadering dat in de meeste gevallen van extreem geweld iedereen, van opperbevelhebber tot dienstplichtige, zich er heel goed van bewust was als hij of een collega een grens overschreed, bijvoorbeeld in gevallen van marteling, executies van non-combattanten, verkrachting, plundering of het platbranden van hele dorpen. Dit idee wordt bevestigd door dagboeken van bijvoorbeeld Nederlandse soldaten die in sommige gevallen zelfs expliciet vergelijkingen trokken met de praktijken van de nazi’s tijdens de bezetting van Nederland.10 Net als politici, militairen of ambtenaren in officiële bronnen deden, interpreteerden of legitimeerden de auteurs van deze dagboeken dergelijke daden vaak als ‘een noodzakelijk kwaad’, wat impliciet laat zien dat ze maar al te goed wisten dat ze een ethische of wettelijke grens hadden overschreden.

In onze benadering is een specifiek aspect dat geweld extreem maakt van speciaal belang, namelijk het gegeven dat het bewust tegen non-combattanten is gericht. Non-combattanten kunnen zowel burgers zijn die niet bij gevechtshandelingen zijn betrokken als gevangengenomen strijders of verdachten. Met name in irreguliere oorlogen is de eerste groep – is het een burger of is het een guerrilla? – lastiger te definiëren dan de tweede. Een complicerende factor bij het maken van het onderscheid tussen burgers en guerrilla’s is de logistieke en andersoortige steun die guerrilla’s regelmatig van delen van de civiele bevolking ontvingen. Bij wandaden die in gevangenschap werden gepleegd, zoals marteling, het executeren van arrestanten, verkrachting en willekeurige sadistische handelingen, is het over het algemeen wel glashelder dat er een grens is overschreden.

Extreem geweld had in dekolonisatieoorlogen verschillende uitingsvormen. Naast de bekende voorbeelden van fysiek geweld werd non-combattanten ook op andere manieren schade berokkend, bijvoorbeeld door hun bezittingen en bestaansmiddelen te vernielen voor niet-militaire doeleinden zoals (collectieve) wraak, intimidatie en straf. Ook gedwongen migratie en massa-internering en daarmee de ontworteling van hele gemeenschappen kwamen vaak voor, bijvoorbeeld in Kenia, Algerije en Maleisië.11 Vaak hadden honderdduizenden mensen zwaar te lijden onder dergelijke maatregelen die gericht waren op het controleren van de bevolking zodat de guerrilla’s voedsel en andere steun ontzegd werden. De Nederlanders maakten in Indonesië geen georganiseerd gebruik van wat in Engelstalige militaire doctrines over de bestrijding van opstanden (‘counter-insurgency’) bekend staat als ‘population and resources control’. Een vergelijking van de Nederlandse strategische motieven met die van andere koloniale machten doet echter vermoeden dat het massaal platbranden van hele dorpen – een gewelddaad die Nederlandse troepen in Indonesië wel met regelmaat toepasten – naast collectieve bestraffing mogelijk ook op het controleren van de Indonesische bevolking en voedsel gericht was. Als dit inderdaad zo is, dan was de ‘klassieke’ koloniale methode van het op grote schaal platbranden van dorpen uiteindelijk contraproductief, omdat het de burgerbevolking door het verdere gebrek aan Nederlandse controlemaatregelen juist in handen van de guerrilla’s dreef.12

Bij het vergelijken van de historische literatuur over vormen van geweld werd ons al snel duidelijk dat nationale obsessies vaak een drijvende factor zijn geweest achter de wetenschappelijke interesses voor wat wij ‘iconische vormen van extreem geweld’ noemen. Voor de Fransen is dat ‘La Torture’, het systematische gebruik van marteling in Algerije, terwijl het Britse icoon de gedwongen herplaatsing en massa-internering in ‘Britain’s Gulag’ in Kenia betreft. In het Nederlandse collectieve geheugen spelen de zogeheten ‘standrechtelijke executies’ van non-combattanten in Indonesië een dergelijke iconische rol. Centraal daarbij staat de golf van executies op Zuid-Sulawesi door het Depot Speciale Troepen onder leiding van Raymond Westerling (december 1946-februari 1947).13 Een meer diepgaande vergelijking laat echter zien – in dit forum vooral in de bijdrage van Stef Scagliola en Natalya Vince – dat deze ‘iconen van het collectieve geheugen’ ook kunnen werken als ‘zwarte gaten’, die het leeuwendeel van de wetenschappelijke aandacht opslokken en zo ook bij onderzoekers blinde vlekken creëren voor andere vormen van geweld.

Waarom vergelijken we? Voorbij ‘de ranglijst van wreedheid’

Net als in Nederland hebben deze extreme vormen van geweld, zoals marteling, executies en massale gedwongen verhuizing, ook in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk en zowel in wetenschappelijke als maatschappelijke en soms juridische kringen recent voor opschudding gezorgd. Dit betreft vooral de conflicten in Algerije (1954-1962) en Kenia (1952-1956) en in mindere mate Indochina (1945-1954) en Maleisië (1948-1960). Het wetenschappelijke en publieke debat ontstijgt echter zelden het nationale niveau, waardoor we in Nederland kansen hebben laten liggen om beter inzicht te krijgen in de escalatie van geweld. Dit wil niet zeggen dat er nooit vergelijkingen zijn getrokken. Het domein van koloniale en imperiale geschiedenis kent over het algemeen een rijke traditie van vergelijkend onderzoek.14 Ook processen van dekolonisatie zijn met elkaar vergeleken, maar dan vooral op het niveau van beleid, diplomatie en strategie voor de Franse en Britse gevallen, bijvoorbeeld door wetenschappers als Martin Thomas die ook deel uitmaakt van dit project en dit forum.15 Maar naar de toepassing van extreem geweld is verrassend genoeg tot nog toe nauwelijks vergelijkend onderzoek gedaan.

Deze wetenschappelijke leemte heeft diverse actoren in de publieke ruimte er niet van weerhouden om meer oppervlakkige vergelijkingen te trekken, vaak met opportunistische redenen. De Nederlandse legercommandant generaal Simon Spoor deed dit bijvoorbeeld al in 1946. Hij vergeleek – nogal selectief en uiteraard in het voordeel van zijn eigen troepen – de ‘directe methoden’ van zijn eigen koloniale leger met de willekeurige Britse inzet van zware wapens tijdens de slag om Surabaya in november dat jaar en elders tijdens hun bezetting van delen van Java en Sumatra. De Nederlandse procureur-generaal Henk Felderhof, een sleutelfiguur in de vervolging en legitimering van extreem geweld in Indonesië, trok in 1948 een soortgelijke vergelijking toen de Britse Royal Air Force aan het begin van de communistische opstand in buurland Maleisië bombardementen uitvoerde op communistische rebellen. Uit eigenbelang legitimeerde Felderhof zo de golf van executies van Indonesiërs eind 1946 en begin 1947 op Zuid-Sulawesi onder leiding van de beruchte kapitein Westerling. Deze kapitein zou de terreurcampagne enkele jaren later in zijn memoires op exact dezelfde wijze rechtvaardigen, zie hiervoor de forumbijdrage van Azarja Harmanny en Brian McAllister Linn.

Recentere vergelijkingen van buitensporig geweld tijdens Franse, Britse, Nederlandse en andere koloniale ‘counter-insurgencies’ zijn eveneens vaak gericht op soortgelijke vormen van ‘classificatie van schuld’. Een belangrijke doelstelling was er vaak in gelegen om vast te stellen of ‘wij’ Nederlanders slechter of – zoals meestal werd geopperd – nog niet zo slecht waren als andere koloniale machten. In dergelijke vergelijkingen werden vaak de Fransen in Algerije of de Portugezen in Mozambique als toonbeeld van de meest extreme geweldplegers gebruikt. Niet alleen Nederlandse tijdgenoten en journalisten, maar ook gerespecteerde wetenschappers hebben zich aan vergelijkingen met een dergelijke uitkomst gewaagd. Zelfs een van de beste vergelijkingen in zijn soort bleef daarmee toch ‘zeer schetsmatig’, zo gaven Jacques van Doorn en Wim Hendrix in 1985 in hun baanbrekende studie Ontsporing van geweld grif toe.16

De veelal vluchtige vergelijkingen hebben het publieke debat in Nederland geschaad. Nog altijd wordt hier het excuus gebruikt dat het Nederlandse geweld in Indonesië dan misschien wel erg was, maar toch lang niet zo erg als wat de Fransen in Algerije hebben gedaan.17 Juist vanwege de impact die eerdere vergelijkingen op het publieke debat hebben gehad, hebben wij ervoor gekozen onze eerste resultaten in dit nummer van BMGN - Low Countries Historical Review op te nemen in de vorm van een forumdiscussie die het publieke debat in Nederland hierover hopelijk kan verdiepen. Het doel van ons project is niet om te komen tot wat David Anderson terecht minachtend een ‘league table of barbarity’, een ranglijst van wreedheid, noemt. Wij verkennen daarentegen de vraag waarom deze oorlogen, terwijl ze in politiek en militair-strategisch opzicht van elkaar verschilden, allemaal zodanig zijn geëscaleerd dat koloniale mogendheden zich veelvuldig hebben bezondigd aan ernstige schendingen van de mensenrechten.18

De zware gevechten die de Fransen in Indochina leverden waren bijvoorbeeld onvergelijkbaar met de schaal en intensiteit van de strijd die de Britten voerden in Maleisië en Kenia.19 Toch gingen ook de Britten ondanks de relatief kleinschalige en lokale aard van het verzet waar ze mee te maken kregen consequent extreem repressief en vooral in Kenia op zeer gewelddadige manier te werk. De mythe van een voorbeeldige Britse ‘hearts and minds’-benadering die tijdens ‘counter-insurgency’ campagnes steevast zou zijn gecombineerd met een ‘minimum force philosophy’ is allang ontkracht door wetenschappers zoals Huw Bennett die ook aan dit forum bijdraagt.20 Als gevolg van internationale politieke beperkingen in combinatie met het feit dat de Republiek Indonesië relatief weinig wapens tot haar beschikking had, kregen ook de Nederlanders in Indonesië slechts in beperkte mate te maken met grootschalige gevechtssituaties. Toch is ook de structurele aard van de door Nederlandse troepen gepleegde wandaden duidelijk vastgesteld. Maar waarom vonden zij die in Indonesië, Algerije, Kenia en Maleisië onder uiteenlopende omstandigheden buitensporige gewelddaden pleegden, verordonneerden of goedpraatten dit dan zo onvermijdelijk, logisch of in ieder geval verdedigbaar?

Aard en oorzaken van extreem geweld

Excessief geweld tegen non-combattanten heeft zelden of nooit een enkele oorzaak of aanleiding; het is vrijwel altijd het gevolg van meerdere verschillende factoren die elkaar versterken.21 In ons project willen we niet simpelweg een opsomming van deze factoren geven – wij proberen te denken in termen van causale hiërarchie. We willen het relatieve belang afwegen van aan de ene kant situationele oorzaken voor extreem geweld, zoals falend leiderschap, gebrek aan toezicht en juridische duidelijkheid, onervarenheid, mentale uitputting bij de troepen, individuele persoonlijkheid en specifieke incidenten die een ‘geweldsspiraal’ uitlokken, en van aan de andere kant verklaringen die voortkomen uit meer structurele factoren zoals een koloniale traditie en cultuur van geweld, de aard van irreguliere oorlogsvoering in het algemeen en de erfenis en het ‘brutaliserende effect’ van het alom tegenwoordige geweld van de recente wereldoorlog op de generatie die in Indonesië vocht.22 Door de verschillende contexten te vergelijken en zo de oorzakelijke factoren tegen elkaar af te wegen en aan elkaar te koppelen, kunnen we dichter in de buurt komen van een antwoord op de klassieke vraag: was het extreme geweld van dekolonisatieoorlogen een ‘ongelukkig bijverschijnsel’ van gevechtsoperaties of een doelbewuste strategie van ‘hard toeslaan’ en ‘exemplarisch geweld’ gebruiken?

Deze vraag zit het Nederlandse debat al decennialang dwars, en het was Rémy Limpach die in zijn boek met een compromis kwam: het merendeel van het gebruikte extreme geweld was volgens hem wel ‘structureel’ maar niet ‘systematisch’.23 Daarmee bedoelde hij dat de door de Nederlandse leiders gekozen strategie extreem geweld onvermijdelijk en wijdverbreid maakte, maar dat tot het gebruik van extreem geweld (met een paar specifieke uitzonderingen) niet expliciet opdracht was gegeven. De vergelijking die Huw Bennett en Peter Romijn in dit forum maken tussen de verschillende politieke verantwoordingsprocessen aan Britse en Nederlandse zijde geeft echter aan dat zelfs Limpachs oplossing complicaties oplevert. Uit hun onderzoek moeten we immers concluderen dat het systeem, dat het gebruik van extreem geweld en de voortzetting daarvan mogelijk maakte, door de politiek en militair verantwoordelijken met meer voorbedachte rade in stand werd gehouden dan de formulering ‘structureel maar niet systematisch’ suggereert.

Hoewel ons project te kleinschalig is voor een volledige, puntsgewijze vergelijking van oorzakelijke factoren van extreem geweld, bieden de vier volgende bijdragen wel voldoende nieuwe inzichten om structurele en situationele oorzaken van extreem geweld beter te leren begrijpen, onderscheiden en indelen. Welke verbanden bestonden er tussen de lange lijst van oorzakelijke factoren die bijvoorbeeld Limpach heeft opgesteld? Deze artikelen dwingen ons kritische vragen te stellen daar waar tot nog toe vaak – ook bij onszelf – aannames de boventoon voerden.

De conclusie die wij trekken uit deze verkenning van de oorzakelijke hiërarchie van geweld is dat een cruciale factor in het verklaren van extreem gewelddadig gedrag van Europese soldaten straffeloosheid is: het gecombineerde effect van een gebrek aan toezicht door de overheid (waaronder het militaire apparaat), de media en het rechtssysteem aan de ene kant, en een gebrek aan juridische duidelijkheid aan de andere kant. Straffeloosheid is de spin die een groot aantal van de bovengenoemde factoren in het oorzakelijke web verbindt. Straffeloosheid verergerde bijvoorbeeld het brutaliserende effect van blootstelling aan geweld en de algehele mentale uitputting bij de troepen. Straffeloosheid heeft ook te maken met meer structurele factoren, zoals het koloniale systeem waarin de witte man vrijwel onaantastbaar was. Bovendien kan straffeloosheid ook samenhangen met de aard van irreguliere oorlogsvoering of ‘counter-insurgency’ waarbij troepen sterk verspreid raakten (zelfs individuele pelotons konden worden onderverdeeld), zodat van toezicht nauwelijks sprake kon zijn. Een geïnstitutionaliseerd systeem van straffeloosheid op het tactische niveau en een vaak bewust geïnstalleerd gebrek aan aansprakelijkheid op het strategische en politieke niveau vinden we terug in alle casussen die we voor dit forum hebben onderzocht, en lijken dus een spil te zijn waar een groot aantal oorzakelijke factoren om draait.

Hoe vergelijken we?

Ons project bestaat voornamelijk uit gerichte, sterk beschrijvende vergelijkingen. In de wetenschap dat we slechts drie maanden samen als onderzoeksgroep zouden doorbrengen, kozen we ervoor ons te verdiepen in een klein aantal casestudy’s en al deze casussen te relateren aan het centrale thema van het Nederlands-Indonesische conflict. De gekozen conflicten en de thema’s daarbinnen zijn deels bepaald – en dus ook beperkt – door de beschikbaarheid van expertise en bronnen. In dit forum presenteren we vier vergelijkende casestudy’s.24 In onze selectie hebben we gekozen voor empirische vergelijkingen van specifieke thema’s in plaats van grootschalige of breedvoerige vergelijkingen in vogelvlucht met veel algemeenheden en statistieken. Deze keuze zorgt er ook voor dat de verschillende auteursteams enigszins verschillende vergelijkingsmethoden hebben gekozen voor hun thema, variërend van een brede contextualisering in de bijdrage van Harmanny en Linn tot een veel meer gedetailleerde bronnenvergelijking van twee casussen in de bijdrage van Scagliola en Vince.

Twee van de vier bijdragen bestaan uit symmetrische vergelijkingen van twee casussen. Huw Bennett en Peter Romijn onderzoeken de oorzaken van het ontstaan en de voortzetting van wreedheden en spitsen zich toe op de aansprakelijkheid en straffeloosheid op het hoogste politieke niveau. Zij vergelijken hoe beleidsmakers in Nederland en het Verenigd Koninkrijk omgingen (of níet omgingen) met informatie over wandaden in de koloniën. In de manieren waarop Nederlanders en Britten informatie ontkenden, verantwoordelijkheid ontweken, en schandalen probeerden te neutraliseren en te managen, en dus met andere woorden in de processen die politici en militairen hiervoor optuigden, zijn interessante verschillen te zien. Maar de uitkomst van deze uiteenlopende processen, namelijk straffeloosheid en het voortduren van geweld, vertoonde verrassende overeenkomsten.

In de tweede symmetrische vergelijking richten Stef Scagliola en Natalya Vince zich op een specifieke vorm van extreem geweld, namelijk verkrachting. De Frans-Algerijnse en de Nederlands-Indonesische oorlog worden empirisch vergeleken, met name op het niveau van het ontstaan van narratieven en discoursen over verkrachting in oorlogstijd. Hierover, zo concluderen de auteurs, bestaan veel theorieën, maar empirisch onderzoek ontbreekt grotendeels. Vooral in de koloniale context zorgt het gebrek aan bronnen over verkrachting voor methodologische problemen voor de onderzoeker, wat een interessante paradox oplevert. In relatie tot de Algerijnse Oorlog is verkrachting een veelbesproken en ook gepolitiseerd onderwerp, terwijl het thema in de Indonesische context bijna volledig wordt genegeerd. Toen Scagliola en Vince echter dieper gingen graven, ontdekten ze dat er voor Indonesische verkrachtingszaken – hoewel nog altijd schaars – toch meer archiefmateriaal bestaat dan voor de Algerijnse casus. De vraag is volgens hen dan ook in hoeverre het verschil in zichtbaarheid van verkrachting kan worden verklaard op basis van het verschil in omgeving – dichtbij of ver van het slagveld – waar het misbruik plaatsvond, en de gevolgen daarvan voor de mogelijkheden tot genoegdoening voor de slachtoffers.

Azarja Harmanny en Brian Linn richten zich eveneens op een specifieke vorm van geweld. Zij deden onderzoek naar ‘technisch geweld’, het gebruik van zware wapens zoals artillerie en gevechtsvliegtuigen. Deze term komt voor het eerst voor in de befaamde studie Ontsporing van Geweld van Van Doorn en Hendrix en is tot nu toe alleen onder Nederlandse wetenschappers in zwang. Veel van deze wetenschappers associëren technisch geweld automatisch met extreme vormen van geweld en schrijven er vaak zelfs het merendeel van de burgerslachtoffers in Indonesië aan toe. Harmanny en Linn werpen een kritische blik op het nauwelijks gedefinieerde concept ‘technisch geweld’ zelf, alsook op de al te stellige aannames over slachtoffers. Aangezien het concept technisch geweld zo sterk bepaald is door zijn Nederlandse wortels, hebben de auteurs gekozen voor een asymmetrische vergelijking, waarin ze Nederlands technisch geweld in Indonesië centraal stellen en contextualiseren in de ontwikkelingen rond het gebruik van zware wapens door Westerse krijgsmachten in contemporaine conflicten.

Roel Frakking en Martin Thomas hebben zich ten slotte in hun brede schematische vergelijking van vijf casussen – reikend van Madagaskar tot Indochina – laten inspireren door recent politicologisch onderzoek. Zij plaatsen het bekende narratief van dekolonisatieoorlogen als conflicten tussen koloniale mogendheden en rebellen naast een verkenning van lokale ervaringen van onveiligheid – wat zij de microdynamiek van geweld noemen. Tussen verschillende gebieden kon, zelfs binnen een en hetzelfde dekolonisatieconflict, een enorme variatie bestaan in de vormen en in de schaal van geweld. Frakking en Thomas constateren dat vooral in betwiste gebieden, die zij als ‘interne grensgebieden’ typeren, (vermeende) non-combattanten vaak het slachtoffer werden van gericht geweld. Als we inzicht willen krijgen in wie geweld gebruikte tegen wie en waarom, zo stellen de auteurs, dan kunnen we niet uitgaan van onveranderlijke loyaliteiten of vaststaande schalen van geweld. De afbakeningen tussen zij die voor dan wel tegen een strijdende partij waren, tussen kolonisatoren en gekoloniseerden, en tussen strijders en niet-strijders stonden lang niet zo vast als vaak wordt aangenomen, deze categorieën waren steeds buigzaam en altijd lokaal bepaald.

Conclusies

Samenvattend kunnen we stellen dat in dit forum een breed scala aan onderwerpen en vergelijkingsmethoden samenkomt. Als we deze diversiteit aan bijdragen echter van een iets grotere afstand bekijken, kunnen we een aantal conclusies trekken. Zoals gezegd viel ons onderzoeksteam tijdens onze periode aan het NIAS één ding meteen op: in de hier onderzochte geweldsontsporingen ontdekten wij, ondanks de variatie wat betreft de intensiteit van geweld, meer overeenkomsten dan verschillen. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat we de verschillen in intensiteit of in de vormen van extreem geweld bagatelliseren. Maar in zekere zin probeerde elke koloniale mogendheid dezelfde welhaast onmogelijke taak te volbrengen: een oorlog winnen te midden van een bevolking die haar meestal niet als legitieme heerser beschouwde. Alle mooie woorden over het ‘herstellen van rust en orde’, het winnen van de ‘hearts and minds’ en het zogenaamd selectieve gebruik van geweld konden niet verbloemen dat het verzet uiteindelijk niet kon worden gebroken met alleen overredingskracht en militair geweld tegen gewapende tegenstanders. Zowel koloniale mogendheden die een opstand succesvol bestreden als zij die hier niet in slaagden, gebruikten extreem geweld tegen non-combattanten, zowel tegen gevangengenomen strijders, als tegen burgers in de vorm van collectief bestraffende en afdwingende maatregelen.

Het feit dat de dominante overeenkomsten tussen de verschillende casussen ons verrasten, mag de respectievelijke nationale geschiedschrijvingen zeker aangerekend worden. Onderzoeken naar extreem geweld in dekolonisatieoorlogen die vanuit een nationaal perspectief zijn ondernomen, hebben baanbrekende studies opgeleverd, die onmisbare bouwstenen vormden voor ons eigen werk. De verschillende dekolonisatieconflicten zijn echter zo systematisch los van elkaar onderzocht, dat de neiging is ontstaan om te veel nadruk te leggen op eigenaardigheden van individuele naties en koloniale rijken, en specifiek nationale oorzaken of vormen van geweld.

Vanuit deze observatie komen we bij onze tweede conclusie. Onze vergelijking laat zien dat de bekendheid van zogenaamd specifiek nationale vormen van geweld – ‘iconische wandaden’ zoals ‘La Torture’ in Algerije, de ‘British Gulag’ in Kenia of de ‘standrechtelijke executies’ van Westerling in Indonesië – deels het product is van latere geschiedkundige obsessies. Deze iconische vormen van extreem geweld zijn dus mogelijk minder een daadwerkelijke weergave van hun belang in de respectievelijke conflicten. Bepaalde vormen van geweld hebben een zodanig iconische status gekregen dat andere vormen hierdoor uit het collectieve geheugen zijn verdrongen, waardoor in ons geheugen en in ons onderzoek blinde vlekken zijn ontstaan. Dit heeft geleid tot ‘confirmation bias’, de neiging om meer aandacht en waarde te hechten aan informatie die de eigen ideeën of hypotheses bevestigt. Scagliola en Vince laten in dit forum bijvoorbeeld zien dat het feit dat we zo weinig over verkrachtingen door Nederlandse troepen in Indonesië weten niet aantoont dat het weinig voorkwam, maar dat dit mogelijk het gevolg is van het feit dat het onderwerp collectief is genegeerd. Vanuit dit oogpunt van ‘blinde vlekken’ is het in toekomstig onderzoek wellicht ook zinvol om het platbranden van kampongs in Indonesië te onderzoeken als een mogelijke Nederlandse vorm van ‘population and resources control’, zoals Britse en Franse troepen dit op andere manieren grootschalig en met dwang hebben toegepast tijdens conflicten in Maleisië, Kenia en Algerije.

De derde conclusie die wij uit deze verkenning trekken heeft te maken met de oorzaken van extreem geweld in dekolonisatieoorlogen. Waarom is het geweld in al deze oorlogen zo geëscaleerd, en waarom vonden de mensen die in deze oorlogen buitensporige gewelddaden pleegden, verordonneerden of goedpraatten die praktijk onvermijdelijk, logisch en verdedigbaar? Zoals we hierboven lieten zien hebben historici die zich in het verleden bezighielden met het Nederlands-Indonesische conflict en andere oorlogen diverse oorzakelijke factoren aangedragen. Aan deze onderzoeken dragen wij allereerst bij dat het volgens ons de hoogste tijd is definitief de discussie af te sluiten over de vraag of extreem geweld in deze oorlogen incidentele ‘excessen’ of een structureel verschijnsel was. Het feit dat geweld in al deze oorlogen op soortgelijke manieren, zij het niet altijd met dezelfde intensiteit, escaleerde, laat duidelijk zien dat hier structurele factoren moeten spelen. Hierbij valt te denken aan de continuering van koloniale tradities van geweld, de irreguliere aard van de conflicten en de erfenis van de Tweede Wereldoorlog. Als onze tweede, en belangrijkere, bijdrage aan dit debat over de aard en oorzaken van extreem geweld hebben we laten zien dat in het hele spectrum van oorzakelijke factoren de geïnstitutionaliseerde straffeloosheid in alle in dit forum bestudeerde conflicten de lijm is die de meeste andere oorzakelijke factoren samenbindt.

Deze conclusies zijn niet alleen relevant voor onze eigen kleine kring van historici die onderzoek doen naar dekolonisatieoorlogen. Ze kunnen, en moeten, ook deel gaan uitmaken van het lopende publieke debat over deze zwarte pagina in de Nederlandse geschiedenis. Zoals we eerder al aangaven is het nutteloos om dit debat te voeren in termen van wie ‘beter’ of ‘slechter’ was. Met onze vergelijkingen geven we daarentegen geïnstitutionaliseerde straffeloosheid als belangrijke oorzaak voor extreem geweld een plek in het publieke debat, waardoor bovendien een aanzienlijk deel van de verantwoordelijkheid wordt verplaatst van de soldaten in het veld naar de politici in Den Haag en Batavia.

Bovendien zouden de deelnemers aan het Nederlandse debat zich moeten realiseren dat de worsteling met dit recente verleden niet een nationale aangelegenheid is, maar een Westerse of op zijn minst Europese kwestie. Alle Europese samenlevingen zijn bezig te leren omgaan met hun gewelddadige geschiedenis, maar ze doen dit allemaal op hun eigen manier. De Franse president Emmanuel Macron heeft de Franse kolonisatie van Algerije publiekelijk een ‘misdaad tegen de menselijkheid’ genoemd en zijn excuses aangeboden voor de martelingen door Franse troepen, die hij als systematisch en structureel typeerde. Zelfs bij de excuses die koning Willem-Alexander tot verrassing van velen in maart 2020 uitsprak tijdens het staatsbezoek aan Indonesië, wilde het kabinet zover nog niet gaan.25 Andersom is de Nederlandse staat door de vasthoudendheid van een klein aantal activisten en na tussenkomst van de rechter begonnen met het betalen van schadevergoedingen aan een aantal oorlogsslachtoffers, terwijl dit in Frankrijk niet aan de orde is. Hiermee willen we geen oordeel vellen over welke vorm van omgaan met het verleden ‘beter’ is. Maar misschien is het wel mogelijk om van deze vergelijkbare processen te leren in plaats van met een beschuldigende vinger naar de ander te wijzen.