Historische reisliteratuur is een genre dat al enkele decennia binnen de geschiedwetenschap in de belangstelling staat. Vanaf de jaren 1990 is in Nederland en daarbuiten een gestage stroom aan bronnenpublicaties van boeken en artikelen over reisliteratuur verschenen. Voorbeelden daarvan zijn de reisverhalen uitgegeven in de serie Egodocumenten van uitgeverij Verloren en de al veel langer bestaande serie publicaties van de Linschoten-Vereeniging. Onderzoek naar historische reisverhalen wordt onder meer gepubliceerd in het tijdschrift Studies in Travel Writing en in de serie Routledge Research in Travel Writing. Belangrijk voor het onderzoek naar reisverhalen in Nederland zijn de repertoria van gedrukte en niet-gedrukte egodocumenten en reisverslagen tot 1914 die onder leiding van Rudolf Dekker zijn samengesteld en gepubliceerd.

Travel Writing in Dutch and German is het veertiende deel van de Routledge-serie en gewijd aan de culturele en intellectuele uitwisseling in en tussen Nederlands- en Duitstalige regio’s in de lange negentiende eeuw van 1790 tot het interbellum. De redacteurs Alison E. Martin, Lut Missinne en Beatrix van Dam hanteren een ruime interpretatie van het begrip regio en scharen, zoals ze in de inleiding schrijven, daaronder behalve Nederland, Vlaanderen en Duitsland ook Oostenrijk, Nederlands-Indië en Suriname. Het plan dat aan het boek ten grondslag ligt is ambitieus. Martin, Missinne en Van Dam hebben een combinatie van tekstuele en contextuele benaderingen vanuit drie verschillende perspectieven voor ogen: de reiziger zelf met al zijn of haar vooroordelen, ideologieën en normen en waarden; ontwikkelingen in het publiceren van reisverhalen; en netwerken van kenniscirculatie. Dit zijn stuk voor stuk interessante onderwerpen, maar het zijn er te veel. Door de beperkingen aan de omvang die een boek nou eenmaal stelt, kunnen deze perspectieven slechts versnipperd aan de orde komen.

Dat neemt niet weg dat er lezenswaardige artikelen in het boek zijn opgenomen. De elf artikelen zijn verdeeld over drie categoriën: ‘Foreign neighbours’, ‘Travel and new ways of circulating knowledge’ en ‘Mediating knowledge’. Het eerste deel gaat over de beschrijvingen van indrukken die auteurs van reisverhalen van hun buren hadden en hoe dat hun ideeën over hun thuisland kon beïnvloeden. Zo onderzoekt de Leuvense letterkundige Hubert Roland de verhalen van Duitse reizigers die kort na de opstand van 1829 of tijdens de Eerste Wereldoorlog door België reisden, en bestudeert de literair vertaler Kim Andringa de beschrijvingen van Nederland in Franse en Duitse reisverhalen. In het tweede deel staan reisverhalen centraal van auteurs die zich expliciet als onderzoekers presenteren, zoals de Weense avonturier Ida Pfeiffer die tijdens haar wereldreizen exotische vissen en insecten verzamelde en de ervaringen van Louis Couperus in Algerije in de jaren 1920. Bijzonder geslaagd is het artikel van de Leidse hoogleraar Herman Paul over het archiefonderzoek dat aan het einde van de negentiende eeuw onder leiding van de Hansischer Geschichtsverein werd gedaan. Leden van deze vereniging, allen jonge historici, reisden door West- en Noord-Europa om zoveel mogelijk bronnen over de Hanze te verzamelen die vervolgens in bronnenpublicaties openbaar werden gemaakt.

Ook het artikel ‘The Making of a Founding Father’ uit het derde deel van de bundel heb ik met veel plezier gelezen. In deze bijdrage beschrijft Johan Oosterman, specialist in middeleeuwse literatuur, de navorsingen van de filoloog Willem Jonckbloet in Duitsland. Jonckbloet reisde in 1842 door Duitsland op zoek naar Middelnederlandse literatuur en om zich in de Duitse filologische traditie te verdiepen, maar gebruikte zijn reis ook om in contact te komen met belangrijke onderzoekers en om zichzelf in het veld te positioneren. In het artikel ‘Changing Places, Shifting Narratives: Nineteenth-Century Dutch Travellers in Germany’ laten de historici Arianne Baggerman en Rudolf Dekker aan de hand van verhalen over reizen naar Duitsland zien hoe het genre van het reisverslag in de loop van de negentiende eeuw veranderde. Voor dit onderzoek maakten zij gebruik van hun repertorium van reisverslagen uit de negentiende eeuw. Het artikel demonstreert daardoor tevens wat een geweldig hulpmiddel de repertoria zijn en dat er daarin nog heel veel te ontdekken is. De andere twee artikelen in het derde deel gaan over de betekenis van persoonlijk contact bij het reizen door Europa en over de manier waarop reisliteratuur in Duitsland werd gebruikt als vehikel om esthetische en culturele zaken voor het voetlicht te brengen.

Het oorspronkelijke idee dat aan het boek ten grondslag ligt, inzicht verwerven over de culturele en intellectuele uitwisseling in en tussen Nederlands- en Duitstalige regio’s, is interessant en biedt aanknopingspunten voor allerlei aantrekkelijk onderzoek, maar zoals het is uitgevoerd is het te veel tegelijk. De redacteurs hadden zich beter kunnen beperken tot de Nederlanden en het aangrenzende Duitse taalgebied. Nu gaat de lijn van het boek verloren in de diversiteit van de artikelen. Wat de helderheid ook niet ten goede komt, zijn enkele storende omissies: Oostenrijk wordt in de inleiding door elkaar gehaald met Zwitserland, anders dan de titel suggereert wordt er ook reisliteratuur in het Frans besproken en zoals uit het artikel over Couperus blijkt is zelfs Algerije stilzwijgend aan de ‘regio’ toegevoegd. De tekortkomingen van de bundel als geheel doen vanzelfsprekend niets af aan de waarde van de individuele artikelen.