De Beeldenstorm blijft een van de meest tot de verbeelding sprekende historische gebeurtenissen uit de vroegmoderne tijd. Het fenomeen besloeg een lange periode, van 1522 in Duitsland tot in de late jaren 1570 in de Nederlanden, en kende een grote variëteit aan organisatie- en verschijningvormen. De beeldenstormen die vanaf 1566 in de Noordelijke Nederlanden plaatsvonden, deden zich niet alleen later voor dan in veel andere Europese plaatsen, maar waren ook grootschaliger. In de loop van de tijd is de Beeldenstorm, of zijn de beeldenstormen, op allerlei manieren gedocumenteerd en bestudeerd, aanvankelijk vooral vanuit een triomfalistisch protestants perspectief, maar later ook met oog voor de lokaal-politieke en economische omstandigheden waaronder ze plaatsvonden en voor de sociale dimensie ervan. Ook de katholieke visie op het fenomeen staat intussen ruim in de belangstelling. In dit bondige boek, geschreven door de Leidse kunsthistoricus Elizabeth den Hartog, staat de materiële kant van de Noord-Nederlandse Beeldenstorm centraal. Wat ging er nu echt kapot, waarop richtte de woede zich precies en welke elementen werden bij een beeldenstorm gespaard of zelfs actief bewaard? En wat betekenden de diverse beeldenstormen voor het uiterlijk van het kerkinterieur?

Na een korte bespreking van de historische en religieuze achtergronden van de Noord-Nederlandse Beeldenstorm en een schets van de overwegingen die aan het ideaal van een gezuiverd kerkinterieur ten grondslag lagen (zoals naar voren gebracht in Anastasius Veluanus’ Der leken wechwyser uit 1554), komt de auteur tot een heldere uiteenzetting van de typen voorwerpen waarop de zestiende-eeuwse beeldenstormers zich specifiek richtten. De belangrijkste doelwitten van de stormers waren beelden, relieken en reliekhouders, sacramentshuizen met miskelken en monstransen, altaren in (dikwijls) private zijkapellen en het hoofdaltaar, dat werd gezien als een overblijfsel van oudtestamentische en dus au fond onchristelijke gebruiken. Ook het bezit van kloosters – vooral door franciscanen en dominicanen, die zich in de ogen van de beeldenstormers teveel hadden geassocieerd met de kettervervolging – moest het regelmatig ontgelden. Daarentegen had men vaak geen uitgesproken bezwaar tegen de praktijk van de werken van barmhartigheid: voorstellingen die daaraan refereerden werden dan ook dikwijls gespaard. Ook particuliere grafmonumenten werden in de Noordelijke Nederlanden, anders dan in het Zuiden, lang niet altijd aangevallen.

Interessant is dat de auteur laat zien dat veel van de gestormde objecten nadrukkelijk werden gematerialiseerd. In allerlei quasi-justitiële rituelen van veroordeling, bespotting, verminking, en bestraffing werd aan de kerkelijk objecten hun veronderstelde spirituele waarde ontzegd. Daarna konden ze veilig, met het gezicht naar beneden, worden vertrapt, begraven of hergebruikt als vloerdelen of ander bouwmateriaal.

Anders dan de Beeldenstorm als semi-spontaan, soms massaal en vaak emotioneel fenomeen, was de duurzame zuivering van het kerkinterieur na de Reformatie veel meer een kwestie van lange adem en zorgvuldige organisatie. Het aanvankelijk op en neer golven van de militaire en religieuze frontlinie in Holland zorgde soms voor een beweging terug, zoals in Leiden in 1567 en Delft in 1568. In Culemborg werd na verdrijving van de protestanten in 1570 een nieuw altaarstuk voor de kerk besteld, maar in 1578 keerde het tij alweer en werd het net voltooide kunstwerk naar het plaatselijke weeshuis overgebracht, waar het nog steeds te bewonderen is.

Utrecht was in 1580 een van de laatste plaatsen in de nieuwe Republiek waar een beeldenstorm plaatsvond. Met de ondertekening van de Acte van Verlatinghe in 1581 werden alle katholieke instellingen opgeheven en onteigend. Uit de opbrengsten van deze ‘geestelijke goederen’ werden voortaan de honoraria van de protestantse predikanten en de soldij van het Staatse leger betaald. Sommige kloosters, zoals die in Friesland, konden weliswaar nog tot in de jaren 1620 de facto functioneren, maar elders werden ze afgebroken, vooral in gebieden waar de vijand dichtbij was en men bang was dat die zich in de kloostergebouwen zou kunnen verschansen, zoals in Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen. Lang niet alles wat herinnerde aan het katholieke Nederland was echter in een klap verdwenen. Bij een inspectie in 1593 bleken in 27 van de 57 kerken in het gewest Utrecht nog altaren, beelden en andere als katholiek beschouwde relicten aanwezig. Ook in andere plaatsen bleven katholieke objecten nog lange tijd behouden: de zuivering van de Grote Kerk in Haarlem duurde tot in de jaren 1640 en in de kerk van Pieterburen waren zelfs in 1763 nog katholieke schilderingen te zien.

Het laatste hoofdstuk van dit boek is gewijd aan wat actief werd bewaard en hergebruikt. Doorgaans zijn dat kleine, losse objecten, die relatief makkelijk konden worden meegenomen en beschermd, maar ook doopvonten en preekstoelen van vóór de Reformatie zijn in relatief grote mate bewaard gebleven: de doop was immers ook bij de gereformeerden een sacrament en preken moest men er hoe dan ook. Waar de auteur eerder opmerkt dat de beeldenstormers zich vaak richtten tegen allerlei vormen van ruimtelijke afscheiding die het laatmiddeleeuwse kerkinterieur kenmerkten, is het opvallend dat toch nog 23 pre-reformatorische koorhekken de zestiende eeuw hebben overleefd. Katholieke en niet-katholieke particulieren zetten zich in om grafmonumenten, epitafen, altaarstukken met stichtersportretten, die herinnerden aan leden van hun familie, veilig te stellen. En oudheidkundigen als Buchelius legden in kerken en verlaten kloostergebouwen vast wat elk moment zou kunnen verdwijnen. Volgens de auteur kon ‘kunstsmaak’ een doorslaggevende rol spelen bij een beslissing over wat moest worden gespaard en wat niet: gotiek was ‘uit’, renaissance ‘in’, en zo werden drie recente altaarstukken van Maarten van Heemskerck in Haarlem gespaard. Die stad, maar ook Leiden en Delft, spande zich in om als overheid bepaalde werken omwille van hun kunstwaarde en uit stedelijke trots te bewaren. Zo zijn de voorwerpen die bewaard zijn gebleven, memorabilia van verschillende families of van het openbaar kunstbezit geworden.

Dit goed gedocumenteerde, helder gestructureerde en prettig geschreven relaas biedt misschien geen wereldschokkende nieuwe inzichten, maar vraagt terecht aandacht voor de materiële consequenties van de Nederlandse beeldenstormen, zowel in het algemeen als op het niveau van talrijke individuele (kunst)voorwerpen. Met dit andere en zorgvuldig uitgewerkte perspectief weet Den Hartog een aantal mooie, nieuwe accenten te leggen en komt ze tot een aantal interessante conclusies.