Deze vertaling van het proefschrift van Henk Byls, verdedigd aan de Katholieke Universiteit Leuven, biedt een institutionele en culturele geschiedenis van het pastorale werk dat zich richtte op de Vlaamse emigratie in Frankrijk. De negentiende-eeuwse arbeidsmigratie naar de Noord-Franse textielindustrie en naar de ambachtelijke industrie in Parijs, samen met de tussenoorlogse emigratie van boeren naar het Franse platteland zijn de drie migratiestromen uit Vlaanderen die Byls bestudeert. Frankrijk was de belangrijkste bestemming voor de migratie uit Vlaanderen: in de volkstelling van 1880 werden in het département du Nord 300.000 Belgen geteld en in Parijs 45.000. De Franse vreemdelingentelling van 1927 telde in Frankrijk twintigduizend boerderijen die beheerd werden door Belgen. Het overgrote merendeel van deze Belgische migranten bestond uit Vlamingen.

Dat niet de Vlaamse emigranten centraal staan in dit boek, maar wel de investeringen van de rooms-katholieke kerk in de religieuze begeleiding van deze groep blijkt uit de keuze om de twintigste-eeuwse grens- en pendelarbeid te negeren, aangezien de kerk deze migratiestroom niet viseerde in haar pastorale werk. Byls start zijn onderzoek in de jaren 1850 toen de rooms-katholieke kerk haar eerste pastorale initiatief organiseerde dat specifiek gericht was op de Vlaamse immigratie in Frankrijk. Het boek eindigt in het laatste kwart van de twintigste eeuw, toen de diverse kerkelijke initiatieven die Byls onderzoekt, werden opgedoekt. Na de Tweede Wereldoorlog doofde de emigratie uit Vlaanderen uit en de rooms-katholieke kerk vond geen aansluiting bij de nakomelingen van deze emigranten.

De auteur analyseert de opkomst en neergang van het pastorale werk tegen de achtergrond van de Vlaamse emigratie naar Frankrijk. Zo verdwijnen de Vlaamse immigranten in Parijs uit het gezichtsveld van Byls op het moment dat de kerk zich in haar pastoraal werk van l’Œuvre des Flamands (het Vlaamse werk) afwendt van de Vlaamse Parijzenaars om zich te richten op de seizoenarbeiders in het Bekken van Parijs. De verwachting die gecreëerd werd door de sociaalhistorische bijdragen van Byls aan het boek Vlaamse migranten in Wallonië (1850-2000) toen hij zijn doctoraat startte, wordt niet ingelost. Toch heeft hij die aandacht voor migratie als sociaal-cultureel fenomeen in dit boek niet volledig achter zich gelaten. Elke van de drie besproken migratiestromen krijgt een inleidend hoofdstuk waarin de auteur op basis van de literatuur de migratiedynamiek belicht. Zijn aandacht gaat evenwel vooral naar de wijze waarop de rooms-katholieke kerk deze migratie heeft geproblematiseerd. Hij schrijft een geschiedenis van kerkelijke structuren die complementair waren aan de parochie als immobiele kerkelijke dorpsgemeenschap. Byls situeert dit migrantenpastoraat ter ondersteuning van het geloof van deze mobiele katholieken binnen een sociaal-culturele geschiedenis van Frankrijk en België en doet daarbij voornamelijk een beroep op bronnen intern aan de kerk, zowel in Frankrijk als in België. Deze kerkelijke bronnen worden aangevuld door overheidsarchieven en gegevens uit Franse tellingen, waardoor de Franse overheid, weliswaar in secundaire orde, onderdeel uitmaakt van het onderzoek. Byls toont overtuigend aan dat de inzet van dit migrantenpastoraat gedurende de meer dan honderd jaar (1850-1960) die hij bestudeert aan sterke veranderingen onderhevig was. Het zielenheil van migranten bleek bij wijlen een alibi te zijn om andere doelstellingen te realiseren.

Het eerste initiatief van pastoraal werk gericht op de Vlaamse immigranten kwam vanuit het Franse bisdom Cambrai en was gericht op de arbeidersfamilies in de Noord-Franse textielindustrie. De kerk bekommerde zich binnen een ultramontaans offensief om het zielenheil van de massa gelovigen. De etno-nationale achtergrond van de gelovigen was irrelevant voor dit pastorale werk. De transnationale kerk percipieerde deze Belgen in Frankrijk niet vanuit hun herkomst of nationaliteit, waardoor de Belgische arbeidersgezinnen samen met de Fransen opgingen in de te organiseren katholieke massa. Wel werden minderbroeders uit Gent aangetrokken om de communicatie tussen de kerk en Vlaamse migranten te optimaliseren, aangezien het Vlaams van Noord-Frankrijk onbegrijpelijk was voor de Oost-Vlamingen. Deze minderbroeders vertaalden de katholieke boodschap binnen een Belgisch-Franse kerkelijke structuur. De Franse Republikeinen dwarsboomden dit transnationale initiatief door een brede sociale verankering aan hun nationalistische Republiek te geven. Toen in 1880 zetels van buitenlandse congregaties in Frankrijk een overheidsgoedkeuring moesten aanvragen, ging de kerk als conservatieve instelling de strijd aan met de Franse staat. De confrontatie tussen de Franse Republiek en de (steeds Fransere) kerk verstevigde de band tussen de gelovigen in Frankrijk en hun ‘vervolgde’ kerk. Deze versterkte band liet de katholieke Vlamingen enigszins verweesd achter want de Vlaamse minderbroeders moesten Frankrijk verlaten. Het enige dat overbleef van het Vlaamse pastorale werk – ondanks een explosief gegroeide immigratie uit Vlaanderen – was een Vlaamse priester die noodgedwongen moest werken binnen een Franse parochiestructuur. Toen in 1934 het bisdom Lille het Vlaamse pastorale werk uit de parochiestructuur lichtte kreeg ze een nieuwe energie. Dit was tevens de zwanenzang van het Vlaams pastoraat in Frankrijk, want na de Tweede Wereldoorlog miste de missie aansluiting met de nakomelingen van Vlaamse immigranten.

Dat de pastorale zorg voor Vlamingen in Frankrijk een dienstenaanbod was dat nauwelijks een antwoord bood op de religieuze en sociale noden van migranten, blijkt nog sterker uit de lotgevallen van het in 1879 opgerichte Œuvre des Flamands in Parijs. Alhoewel ook hier de Vlaamse emigranten het initiatief legitimeerden, bleek dat de bouw van deze kerk vooral gedragen werd door de vermogende en ultramontaanse strekking van het bisdom Gent die met een neogotische kerk in de eerste plaats een stenen Vlaams-katholieke aanwezigheid in de stad beoogde. Omdat er geen sprake was van een Vlaamse gemeenschap in Parijs, maar enkel van een sterk geatomiseerde en hoog mobiele groep immigranten, ontglipten de Vlamingen in Parijs het Œuvre des Flamands. Het werk beperkte zich bijgevolg tot de strijd tegen het ongehuwd samenwonen van Parijse inwoners, ongeacht hun herkomst. Het Œuvre des Flamands werd het symbool voor de Vlaamse katholieke strijd tegen het morele verval dat Parijs volgens de kerk belichaamde.

Het derde initiatief dat Byls uitvoerig belicht, is het in de jaren 1920 opgerichte katholieke werk voor de Vlaamse boeren in Frankrijk. Ongeveer twintigduizend Vlaamse boeren verlieten tijdens de jaren 1920 hun geboortegrond om vooral in Normandië en de frontstreek boerderijen over te nemen. Het platteland was de biotoop waar de rooms-katholieke kerk het sterkst gedijde wat maakte dat Mechelen, samen met de Vlaamse bisdommen, acht aalmoezeniers inzette om het geloofsbehoud van deze boerenfamilies te verzekeren. Tegelijkertijd verstrekte de kerk, naar het voorbeeld van de Boerenbond in Vlaanderen, er economische, juridische en technische ondersteuning aan de boeren. Met deze combinatie van materiële en spirituele diensten wilde de kerk de Vlaamse boeren in Frankrijk begeleiden bij hun opgang in een nieuwe omgeving. Deze integratie werd snel ingeruild voor een segregatie. De aalmoezeniers zetten in op een Vlaams katholieke subcultuur die de door hen georganiseerde, maar sterk over Frankrijk verspreide Vlamingen een collectieve identiteit aanbood, namelijk die van een christelijke Vlaming in een hen vijandige Franse wereld. Deze gemeenschapsvorming onder een significante minderheid van de Vlaamse boeren in Frankrijk steunde op een collectief migratietraject, regelmatig georganiseerde bovenlokale bijeenkomsten en een weekblad dat zowel de Vlaams-christelijke ideologie vormgaf, als het sociale netwerk van deze christelijke Vlamingen voedde. Uiteindelijk heeft de cultivering van het anders-zijn van deze Vlaamse immigranten hoogstens de integratie van hun kinderen in de Franse omgeving vertraagd.

Het brede panorama dat Byls heeft uitgetekend en ingebed in een gedegen kennis van de literatuur rond natie en religie in zowel België als Frankrijk, blijft sterk beschrijvend. Het boek leest moeilijk, vooral door de grote aandacht voor kerkelijke structuren en de daarmee verbonden ambten. Met zijn sterke focus op de kerkelijke initiatieven doet hij de geschiedenis van de Vlaamse emigratie duidelijk tekort. Zo illustreert de gedwongen terugkeer van duizenden Vlaamse arbeidsmigranten tijdens de revolutie van 1848 dat er al voor 1850 een migratie was naar Frankrijk.1 Ook minimaliseert (119) Byls de aanhang van het socialisme en communisme onder de Vlaamse migranten in het département du Nord, zonder recht te doen aan de historiografie ter zake.2 De keuze voor een institutionele invalshoek met een kerk die heel wat andere objectieven dient dan enkel het heil van de emigranten, maakt dat de ondertitel de inhoud van dit werk beter weergeeft dan ‘rester catholique en France’.