Was Suriname in de achttiende eeuw een Nederlandse kolonie of een Amsterdams wingewest? Karwan Fatah-Black, werkzaam aan de Universiteit Leiden en gespecialiseerd in de geschiedenis van Suriname, laat in Sociëteit van Suriname zien dat toenmalige Amsterdammers in ieder geval een enorme invloed hadden op het bestuur van de kolonie. Het is daarom passend dat het voorwoord afkomstig is van de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema.

De in 1683 opgerichte Sociëteit van Suriname was feitelijk een samenwerkingsverband tussen de West-Indische Compagnie (WIC), de stad Amsterdam en een van de rijkste families van vroegmodern Nederland, de familie Van Aerssen Van Sommelsdijck. De drie partijen hadden elk hun eigen reden om te participeren in de sociëteit. De bewindhebbers van de WIC vonden het onverantwoord om de volledige financiële verantwoordelijkheid te dragen voor de kolonie. De vroedschap van de stad Amsterdam zag commerciële kansen voor plaatselijke kooplieden en de stedelijke economie. Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck wilde via de sociëteit gouverneur van Suriname worden, een mooie kans nadat hij een aanstelling als ambassadeur aan het Franse hof was misgelopen. Misschien droomde hij van een gouverneurschap zoals dat van Johan Maurits van Nassau-Siegen over Nederlands-Brazilië. Hij kwam bedrogen uit, want in 1688 schoten muitende soldaten hem in zijn eigen kolonie dood, volgens Fatah-Black een gebeurtenis die in de achttiende eeuw tot de ‘canon van de Vaderlandse Geschiedenis’ (59) behoorde. Zijn nazaten bleven nog tot 1770 voor een derde participeren in de sociëteit.

De Sociëteit van Suriname was tussen 1683 en 1795 eigenaar van Suriname. Ze dreef zelf geen handel, maar was slechts verantwoordelijk voor het bestuur. Daarmee nam ze een bijzondere positie in ten opzichte van de WIC, die lang probeerde om bestuur en handel te verenigen. De sociëteit vaardigde koloniale wetten uit, regelde de scheepvaart en toegang tot de kolonie en was verantwoordelijk voor de verdediging van Suriname. Als belangrijke koloniale institutie verdient ze zeker de afzonderlijke aandacht van historici. Dit boek past bovendien in de historiografische tendens om de verwevenheid van de koloniën met de vroegmoderne Nederlandse samenleving te onderzoeken. In 2019 verscheen in het Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis bijvoorbeeld een invloedrijk artikel van Pepijn Brandon en Ulbe Bosma over de impact van koloniale slavernij op de Nederlandse economie. Net als dat onderzoek gaat ook Sociëteit van Suriname over de samenleving in Nederland: de besproken bestuurders waren immers woonachtig in het moederland. Het is een fraai geïllustreerde uitgave waarin Fatah-Black in vijf hoofdstukken de geschiedenis van de sociëteit schetst. Daarbij verweeft hij de gebeurtenissen in Suriname met de bestuurlijke dilemma’s waar de directeuren van de sociëteit in Amsterdam mee te maken kregen.

Sociëteit van Suriname biedt een verhelderende kijk op het vroegmoderne Surinaamse bestuur. De drie participanten in de organisatie vaardigden ieder hun eigen directeuren af. Een directeurspost bracht veel invloed met zich mee, onder meer doordat de sociëteit flink wat baantjes te verdelen had in zowel Amsterdam als Suriname. Het is interessant dat de directeuren namens de WIC en Amsterdam vaak ervaren bestuurders waren, terwijl die van de familie Van Aerssen Van Sommelsdijk veelal zelf direct belanghebbenden waren in de Surinaamse handel. Die laatste directeuren werden soms met de nek aangekeken door hun collega’s. Dat gold zeker voor Philip van Hulten (1627-1692) die niet alleen katholiek was, maar ook zijn directeurschap gebruikte om zijn privéhandel te bevorderen.Fatah-Black geeft een goede weergave van de tegenstellingen tussen de sociëteitsdirecteuren in Amsterdam en de mondige kolonisten in Suriname. De meeste conflicten ontstonden rondom het vraagstuk van de koloniale verdediging tegen marrongroepen. Volgens de directeuren moesten de kolonisten die verdediging voor een belangrijk deel zelf financieren. De directeuren vonden veel planters sowieso omhooggevallen lieden die ‘van zeer mediocre beginselen tot een staat van rykelykheid […] zijn opgeklommen’ (107). Voor zover zij hun beklag deden bij de Staten-Generaal, moesten de Hoog Mogende Heren hen volgens de sociëteitsdirectie dus niet al te serieus nemen. De belangstelling van het Nederlandse publiek voor Suriname nam na 1750 enorm toe, toen investeerders grote kansen zagen in de Surinaamse koffiecultuur. Onder leiding van een ‘meedogenloze financiële sector’ (130) werd er flink geïnvesteerd in de plantagelandbouw, hoewel de sociëteit zelf niet direct betrokken was bij deze investeringsgolf.

Achter de schermen werden de directeuren bijgestaan door de opeenvolgende secretarissen van de Sociëteit van Suriname. Interessant is Fatah-Blacks constatering dat die functie een hoge mate van continuïteit kende. In 112 jaar sociëteitsgeschiedenis waren er slechts zeven secretarissen en de meesten van hen bleven dus lang in dienst. Waarschijnlijk hadden ze meer kennis over Suriname dan veel van de directeuren. Door hun positie waren zij bovendien verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken in het bestuur en moeten ze een forse invloed hebben gehad.

Het is jammer dat de directeuren en secretarissen toch een beetje op de achtergrond blijven in dit boek. Hoewel Fatah-Black sommige invloedrijke families wat uitgebreider bespreekt, lijken de directeuren vooral eendimensionale figuren die belust zijn op geld en macht. Maar hoe ze in de praktijk te werk gingen en hoe vaak ze aan de vergadertafel verschenen wordt niet altijd duidelijk. Ook was het fijn geweest om meer inzicht te krijgen in de beïnvloeding van de verschillende bestuurslagen in de Republiek door de sociëteit. Wat eveneens ontbreekt, is een lijst met directeuren en een organogram.

Het besturen van de kolonie leverde flink wat geld op, zoals blijkt uit de vele uitdelingen die de participanten ontvingen. Toch levert dit boek weinig inzicht in de sociëteitsfinanciën. Slechts voor het jaar 1779 is er een uitsplitsing van de inkomsten, die vooral bestonden uit gewestelijke subsidies en belastingen. Het aandeel van belastingen is met meer dan 90 procent opvallend hoog. Hoewel het archiefmateriaal voor meer financiële overzichten wellicht ontbreekt, was het wel mogelijk geweest om nader stil te staan bij de belastingheffing in Suriname. Tot slot had de nasleep van de sociëteit wat uitgebreider behandeld mogen worden. Waar de geschiedenis van Suriname vóór de sociëteit uitgebreid aan bod komt (meer dan een kwart van het boek), eindigt het verhaal vrij plotseling in 1795. Was er dan zo weinig sprake van continuïteit in het bestuur? Nu lijkt het alsof de voornaamste erfenis van de voormalige sociëteit bestond in het fronton van het Presidentieel Paleis in Paramaribo, dat president Bouterse enkele jaren geleden liet verwijderen.

Over het algemeen is Sociëteit van Suriname een waardevol overzicht van het vroegmoderne bestuur van Suriname in Nederland. Het overzichtswerk is geschreven voor een breed publiek en Fatah-Black is erin geslaagd om er een boeiend verhaal van te maken.