De voorbije jaren verschenen heel wat publicaties die verband hielden met de geschiedenis van de Joden en de Antwerpse havenstad. Het recent uitgekomen boek 1942. Het jaar van de stilte (2019) van de rector van de Universiteit Antwerpen Herman van Goethem, Ludo Abichts geactualiseerde versie van De Joden van Antwerpen (2018) en het autobiografische Mazzel Tov. Mijn leven als werkstudente bij een Orthodox-joodse familie van Margot Vanderstraeten (2017) zijn slechts enkele voorbeelden. Met zijn boek De diamantdiaspora. Een verborgen geschiedenis tussen Antwerpen en Havana verkent Herman Portocarero een vergeten en zodanig onbekend pad binnen de woelige geschiedenis van de twintigste eeuw: de trans-Atlantische vlucht van Antwerpse Joden naar Cuba voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Het Caribisch eiland werd door veel Joodse migranten voornamelijk als ‘Hotel Cuba’ (31, 69, 76) beschouwd, van waaruit ze hun weg verder zouden zetten naar de Verenigde Staten. Voor de meesten bleef dit echter een wensdroom.

Het boek begint met een veelbelovende openingsscène. Tijdens een wandeling op het Joodse kerkhof in Guanabacoa, een stad in het oosten van de Cubaanse hoofdstad Havana, ontdekt Portocarero plots een graf met onder de Hebreeuwse tekst in Latijns schrift de naam ‘Antwerpen’. Zijn nieuwsgierigheid wordt meteen gewekt en hij gaat op onderzoek uit naar het verband tussen zijn geboortestad Antwerpen en Havana, waar hij Belgisch ambassadeur was en later ook ambassadeur van de Europese Unie. Dit verband bestudeert Portocarero aan de hand van 54 korte, vlot geschreven hoofdstukken, waarbij hij macro- en microgeschiedenis met elkaar verbindt. Hij schetst zowel een algemeen beeld van de grote vluchtbeweging van Joodse migranten en maakt deze tegelijkertijd persoonlijk door in te zoomen op de verhalen van vier specifieke families. Zo krijgt het verhaal een gezicht door de familie Schindelheim, de familie Fischler, de familie Rechtschaffen en de familie Rosshandler. De focus ligt voornamelijk op deze laatste familie, omdat Portocarero zelf in verbinding staat met dochter Felicia. Hij leerde haar kennen tijdens een presentatie aan Columbia University in 2015 en citeert meermaals uit gesprekken en correspondentie die hij met haar en haar broers voerde. Daarbij verwijst hij ook naar haar autobiografische roman Passing through Havana (44).

Opvallend voor de structuur van het verhaal is dat de verschillende hoofdstukken niet chronologisch verlopen, maar eerder thematisch op elkaar afgestemd zijn en veel uitweidingen bevatten. Dit is voor de lezer aanvankelijk verwarrend, zeker omdat sommige hoofdstukken met een cliffhanger eindigen als ‘Nu is de volgende vraag of en hoe Fischler […] in verband stond met de familie die uit de Bouwhandelstraat was gedeporteerd’ (50) en het volgende hoofdstuk hier niet meteen op ingaat. Pas 38 pagina’s later grijpt Portocarero terug naar dit verband. Enerzijds creëert dit spanning waardoor de lezer wordt geprikkeld om verder te lezen, anderzijds remt dit de vlotheid van de lectuur. Daarnaast verwijst de auteur vaak naar bepaalde elementen, waarbij hij dan opmerkt dat deze later in het verhaal zullen terugkeren en dieper worden uitgewerkt. Dit geldt zowel voor persoonlijke details uit het leven van de vertegenwoordigde families als voor politieke en economische factoren die met de diamantsector samenhangen. De opbouw van het boek lijkt op deze manier het gevoerde onderzoek te weerspiegelen: Portocarero ontdekte wellicht stukje bij beetje informatie die hij vervolgens gefragmenteerd weergeeft in zijn boek. De verschillende hoofdstukken kunnen dan ook met puzzelstukken vergeleken worden, die, nadat wat puzzelwerk verricht is, het verhaal van de diamantdiaspora tussen Antwerpen en Havana representeren.

Boeiend hierbij is dat Portocarero zich niet beperkt tot de Joodse trans-Atlantische exodus uit Antwerpen, maar zich tevens verdiept in andere thema’s. Zo beschrijft de auteur de verschillen en gelijkenissen in migratiecrises van vroeger en de huidige Europese migratiecrisis, tracht hij clichés van Cuba met reggae, sigaren en Che Guevara te ontkrachten en duidt hij op het onderscheid tussen de grootsteden Brussel en Antwerpen in hun aandeel bij de collaboratie met nazi-Duitsland. De verschillende onderdelen van de complexe geschiedenis tussen Antwerpen en Havana blijven niettemin de hoofdfocus van het boek. Daarbij concentreert Portocarero zich op meerdere topics, zoals onder meer de verschillende vluchtroutes, het inburgeringsproces, de opstart van de diamanthandel en de plaatsen in de stad waar de verschillende Joodse families hun intrek hadden. Dit laatste weet de auteur te reconstrueren aan de hand van ‘Leizer’s List’ – merk hier de analogie met de meer bekende ‘Schindler’s List’ op – die een zekere Leizer Ran tijdens de jaren 1941-1942 bijhield. Geleid door deze lijst ging Portocarero op zoek naar de adressen van gevluchte Joodse Antwerpenaren. Hij maakt er zelfs ‘een punt van eer van ze op te zoeken als ze nog bestonden, en er beelden van vast te leggen’ (69). Op die manier kwam ‘een geheim stadsplan van een verdwenen Joods Havana’ (73) tot leven en trad de auteur als het ware in de voetstappen van de Joodse burgers. Hier kan wel opgemerkt worden dat de kaart achteraan het boek beter tot zijn recht zou komen op de pagina’s waar naar de verschillende straten en delen van de stad wordt verwezen. Op deze manier zou de lezer een beter beeld krijgen van de toenmalige verspreiding van de Joodse bevolking over de stad.

Tijdens het lezen van zijn zoektocht wordt duidelijk dat Portocarero heel wat gelijkenissen tussen de omzwervingen van de Joodse vluchtelingen en zijn eigen leven opmerkt. Zijn eigen levensparcours is namelijk verbonden met verschillende plaatsen over de hele wereld, die als een ‘magisch toeval’ (88) in dit verhaal ook allemaal met elkaar verbonden lijken. Het relaas van de diamanthandel in Havana vertegenwoordigt bijvoorbeeld de verbinding tussen Antwerpen, Havana, Belgisch-Congo en de Verenigde Staten, steden en landen die hij als zelfverklaarde ‘urbane ontdekkingsreiziger’ (13) kent. De Antwerpse vluchtelingen die in Havana in de diamanthandel tewerkgesteld waren, bewerkten namelijk diamant uit Belgisch-Congo, die dan weer voornamelijk bestemd was voor de Verenigde Staten. Deze koppeling tussen de inhoud van het boek en Portocarero’s eigen ervaringen biedt een interessante invalshoek. De lezer wordt meegezogen in een persoonlijk verhaal dat aanspreekt en tevens aanzet om mogelijke verbanden met zijn eigen leven te overdenken.

Waar antisemitische tendensen Joden en diamanten met kwesties van groot geld associëren, nuanceert de auteur daarbij hoe de diamanten een soort van levensverzekering waren voor de Joden. Dankzij de verkoop van deze minuscule, hoogwaardige stenen konden zij hun reis financieren en zich zonder te veel moeite (economisch) integreren in hun nieuwe thuishaven. Tegelijkertijd richt Portocarero de aandacht op het trieste karakter van het verhaal over de gevestigde diamanthandel in Havana. De Verenigde Staten waren weliswaar een belangrijke afzetmarkt voor de diamanten en moedigden deze industrie ook aan, maar zij deden dit als weloverwogen afleidingsmanoeuvre om de Joodse vluchtelingen in Havana te houden, zodat zij de eigen beperkende immigratiequota niet hoefden te verhogen. Deze handelswijze werd zelfs voortgezet in 1943, een periode waarin steeds meer over de Holocaust bekend werd.

Portocarero beperkt zich niet tot de geschiedenis van een van de zwartste jaren van de twintigste eeuw, maar gaat ook in op de periode na de Tweede Wereldoorlog. Zo wordt besproken hoe na de oorlog de diamanthandel in het algemeen minder economische mogelijkheden bood, aangezien deze in Havana duidelijk deel was geweest van het migratiebeleid van de Verenigde Staten om de Joodse immigratie te vertragen. Bovendien werd Cuba na de revolutie communistisch en steeg de onveiligheid voor de Joodse migranten. Deze ontwikkelingen waren tevens enkele van de redenen die tot een nieuwe ‘Joodse exodus uit Havana’ leidden (182). De groep Joodse vluchtelingen verspreidde zich weer over de wereld – New York en Antwerpen waren daarbij belangrijke eindbestemmingen.

De monografie van Portocarero biedt een goed gedocumenteerd verhaal van de diamantdiaspora, dat nog steeds actueel is en waarin verschillende aspecten aan bod komen. Het haalt een onderbelicht deel van deze geschiedenis uit de schaduw, zonder daarbij de stem van specifieke getuigen uit het oog te verliezen. Op deze manier behaalt Portocarero met zijn boek – zoals hij zelf stelt – een ‘kleine overwinning op de onverschilligheid en het vergeten’ (74).