Kardinaal Désiré-Joseph Mercier (1851-1926) was een man van grote betekenis in de Belgische geschiedenis, en niet alleen in die van de Belgische rooms-katholieke kerk. In een periode waarin de kerk zich defensief afsloot voor de modernisering van de westerse samenleving, stond Mercier daar veeleer voor open. Als filosoof bracht hij de conservatieve katholieke kerk- en maatschappijleer, het op Thomas van Aquino (1225-1274) teruggaande neothomisme, bij de tijd in het door hem opgerichte Hoger Instituut voor Wijsbegeerte (1889) en verdedigde hij tal van intellectuelen tegen beschuldigingen van ‘modernisme’. Als aartsbisschop van Mechelen (1906) steunde hij de opkomende christendemocratische beweging en de jongeren-arbeidersbeweging van Jozef Cardijn en na de Eerste Wereldoorlog startte hij de eerste oecumenische gesprekken met de Anglicaanse en met de Grieks-orthodoxe Kerk. Tegenover de opkomende Vlaamse Beweging stond Mercier echter afhoudend, zo niet afwijzend. Misschien verklaart dat waarom zijn naam weinig meer werd genoemd bij de herdenkingen van het begin van de Eerste Wereldoorlog in België in 2014. Voor de historicus Jan De Volder, die in 1996 promoveerde op de studie Benoît XV et la Belgique durant la Grande Guerre, vormde dit gebrek aan aandacht voor de rol van Mercier aanleiding om opnieuw in de Belgische en Romeinse archieven te duiken, met als resultaat nog in 2014 het publieksboek Kardinaal Verzet. Mercier, de Kerk en de oorlog van 14-18, en in 2018 de voorliggende wetenschappelijke studie.

Centraal in Cardinal Mercier in the First World War. Belgium, Germany and the Catholic Church staan de voorgeschiedenis en de gevolgen van Merciers herderlijke brief Patriotisme et Endurance, gedateerd Kerstmis 1914 en in de Belgische kerken voorgelezen begin januari 1915, die in zijn geheel als bijlage is opgenomen. In deze brief prees hij het patriotisme van de Belgen en ging hij uitvoerig in op de verwoestingen die de Duitsers hadden aangericht. Maar, zo stelde hij, de Duitse overheersing was niet legaal, en daarom waren de Belgen de Duitsers geen respect, aanhankelijkheid of gehoorzaamheid verschuldigd. Met dit, in feite uit het neothomistische staatsrecht afkomstige standpunt, wekte Mercier de woede van de Duitse bezetters op. Dat hij vervolgens de Belgen ook opriep de bezetter niet uit te dagen, kreeg minder hun aandacht. Wat volgde was een opeenvolging van hele en halve maatregelen, waarover de Duitsers het onderling niet eens waren. De legerleiding had Mercier het liefst gearresteerd, maar de Duitse gouverneur-generaal, die uiteindelijk een Belgische vazalstaat op het oog had, wilde voorkomen dat Mercier tot martelaar werd gemaakt. Uiteraard waren op lager niveau de tegenmaatregelen niet mis: arrestaties van drukker en geestelijken, en – weinig succesvol – inbeslagname van de brief. Intussen werkte Merciers PR-machine op volle toeren. Vertalingen van zijn brief verschenen vrijwel onmiddellijk in Engelse en Amerikaanse kranten. Onder de Belgische bisschoppen stond Mercier alleen: zij weigerden de brief mede te ondertekenen. In de daarop volgende weken was er via diplomatieke kanalen voortdurend overleg tussen Mercier en de Duitsers. Dit is een hoofdstuk dat men alleen met rode oortjes kan lezen. De auteur geeft niet alleen de feitelijke onderhandelingen weer, maar heeft ook een scherp oog voor de halve en hele verborgen agenda’s van de partijen en bovendien voor het fundamentele verschil in denkwijze: de Duitsers redeneerden vanuit de Pruisische kerk-staat-verhouding, Mercier vanuit de Belgisch-liberale fundamentele godsdienstvrijheid, een vrijheid die hij welbewust tot het uiterste oprekte.

Mercier zou vanaf dat moment consequent op het standpunt staan dat een geallieerde militaire overwinning voor België de enige optie was. Dit in tegenstelling tot het beleid van paus Benedictus XV, die – als leider van een wereldkerk – boven de partijen wilde staan en die zich beschouwde als de aangewezen persoon om een staakt-het-vuren te bereiken. Bovendien stond de paus voortdurend onder druk van Duitsland, vaak via Duitse kardinalen, om Mercier in te tomen. Tegelijk was de paus binnenskamers werkelijk begaan met het lot van de Belgen, wier neutraliteit op hardhandige wijze was geschonden. Op de Duitse suggestie om Mercier naar de Romeinse curie over te plaatsen ging hij dan ook niet in. Medio januari 1915 ging Mercier persoonlijk naar Rome om de paus ertoe te bewegen diens medeleven met de Belgen te betuigen. Een fascinerend detail hierbij is dat Mercier dankzij succesvolle diplomatie bij de Duitsers de garantie loskreeg dat hij ook weer terug kon keren naar België. In Rome werd Mercier enthousiast ontvangen – zij het niet door de Curie, die vond dat het wel wat minder kon. Ook Merciers terugkeer in België was een triomftocht, die hij uitbuitte in zijn herderlijke brief ‘Bij onze terugkeer uit Rome’. De brief was opnieuw een oproep tot Belgisch patriotisme, maar nu met een duidelijk politiek karakter: pro-geallieerden en gericht op een militaire overwinning. Nu legde de paus Mercier dan toch een publicatieverbod op – iets wat beide partijen verzwegen.

Onder de verslechterende omstandigheden – een langdurige loopgravenoorlog, economische instorting van de strijdende landen en de militaire dictatuur die Duitsland inmiddels was geworden – verzette Mercier zich waar dat mogelijk was tegen de talrijke arrestaties van geestelijken. Tegen de gedwongen tewerkstelling van Belgen publiceerde het Belgische episcopaat een protestbrief, waarin de tewerkstelling met slavernij werd vergeleken, een vergelijking die internationaal aansloeg en die de geesten in de Verenigde Staten rijp maakte om zich bij de geallieerden te voegen. Onder diplomatieke druk van het Vaticaan – en uiteraard was Mercier medeaanstichter – kwam er geleidelijk een einde aan deze deportaties.

En dan was er nog de Vlaamse kwestie. De Duitsers voerden, om België als natie te destabiliseren, een bewuste Flamenpolitik, onder meer door het bestuur over België te splitsen. Ook hier handelde Mercier: hij verbood de katholieken mee te werken aan de gesplitste besturen. Hij stond echter op het standpunt – typisch dat van een intellectueel – dat het Frans een internationale taal was, en dat vervlaamsing de Vlamingen cultureel zou isoleren. Maar intussen klaagden Vlaamse soldaten dat zij Franse bevelen moesten opvolgen. Toen die bij Mercier weinig gehoor vonden wendden zij zich tot Rome, waar men weliswaar niet handelde, maar wel met de Vlaamse eisen sympathiseerde. Op dit punt verspeelde Mercier uiteindelijk veel goodwill onder de Vlaamse katholieken.

In de loop van 1915 begon Rome een rol te spelen in het streven naar onderhandelingen. De humanitaire successen die de pauselijke diplomatie inmiddels had geboekt, verhoogden de status van de paus bij de strijdende partijen. Ook de Belgische koning Albert I zocht mogelijkheden voor vrede, en zelfs Mercier begon te twijfelen aan het nut van een aan Duitsland opgelegde vrede. Toen echter de Verenigde Staten zich, vanwege de totale duikbotenoorlog die Duitsland inzette, in de oorlog mengden, waren de geallieerden niet meer geïnteresseerd in pauselijke bemiddeling. De paus, en nu ook Mercier, keerden terug naar een geheime, humanitaire diplomatie.

Met zijn gedurfde, zo niet gewaagde optreden had Mercier inmiddels internationaal aanzien verworven. Zijn bezoek in 1919 aan de Verenigde Staten en Canada was een ware triomftocht, en hij keerde terug met negentien eredoctoraten. Politiek was zijn rol echter uitgespeeld. Bij de vredesonderhandelingen had hij geen enkele functie, mede omdat Italië de Heilige Stoel buiten de besprekingen hield. In België verloren de rooms-katholieken hun absolute meerderheid. De socialisten wilden voor hun oorlogsinspanningen het individueel mannenkiesrecht gerealiseerd zien, en de flaminganten de gelijkstelling van Frans en Vlaams. Mercier bleef zich verzetten tegen het Vlaams in vooral het hoger onderwijs en kreeg de naam een Vlamingenhater te zijn.

In zijn conclusie waagt de De Volder zich aan een beoordeling, die ondanks alle evidente respect niet onverdeeld positief uitvalt. Hij vermoedt dat een meer gematigde houding van Mercier tot een minder wrede bezetting zou hebben geleid. Maar principiëler: Merciers opvatting over oorlog en vrede – de traditionele rechtvaardige oorlog-these, waarbij een eindoverwinning voorop stond en het enorme bloedvergieten bijna als collateral damage werd gezien – had zijn tijd gehad. Het standpunt van paus Benedictus XV, dat elke oorlog slechts verliezers kent en dat altijd weer naar vredesmogelijkheden moet worden gezocht, had de toekomst, met echo’s in het kerkelijk spreken tot nu toe.

In het korte bestek van een recensie kan nauwelijks recht worden gedaan aan drie kwaliteiten die het boek heeft. De Volder is grondig in de gedetailleerdheid waarmee hij de gebeurtenissen beschrijft. Tegelijk plaatst De Volder de gebeurtenissen soepel en effectief in hun context, niet alleen die van de grotere lijnen van het Duitse en Vaticaanse beleid, maar ook van de Belgische economische en politieke context van voor en tijdens de oorlog, en van de gevolgen van de bezetting voor het Belgische volk. En niet in de laatste plaats: het boek is voortreffelijk geschreven.