In zijn rol van grafisch kunstenaar was Romeyn de Hooghe ongeëvenaard, in zijn rol van publicist, zakenpartner, werkgever, netwerker, echtgenoot, vader, vriend enzovoort is de balans heel wat minder positief. Zo zou je het intrigerende leven van de invloedrijke etser en de al even fascinerende biografie die Henk van Nierop aan hem wijdde kunnen samenvatten. Door het prisma van die dualiteit krijgen we een bijzonder scherp en niet altijd erg flatterend beeld van de samenleving in de Republiek van de late zeventiende eeuw. Blinde ambitie, roddels en intriges in een context van economische troebelen en een onstuimige nationale en internationale politiek stonden een indrukwekkende en hoogste originele artistieke productie echter niet in de weg.

Van Nierop beschrijft het leven en werk van De Hooghe in veertien uitgekiende hoofdstukken die gebaseerd zijn op zeer grondig bronnenonderzoek en een minutieuze lectuur van de vaak erg complexe allegorische en historische prenten, die helaas in een gewoon boekformaat niet helemaal tot hun recht komen. Van Nierop kiest daarbij voor een chronologische aanpak, wat de spanningsboog strak houdt. Omwille van de al genoemde dualiteit en de vaak tegenstrijdige bronnen is het verhaal nochtans niet zo eenvoudig te vertellen.

De Hooghe stamde uit een relatief bescheiden Amsterdamse familie (zijn vader was een knopenmaker), al was een andere tak van het geslacht beduidend meer gefortuneerd. Over zijn opleiding is weinig met zekerheid geweten, maar waarschijnlijk werd een degelijke vorming in een Latijnse school gevolgd door een leertijd bij een prentenmaker. De Hooghe was een zeer begaafd tekenaar en etser, die niet alleen in staat was zijn prenten van geleerde opschriften te voorzien, maar ook theoretische traktaten neerpende over onder andere de beeldtaal van de oude Egyptenaren, Grieken en Romeinen. In 1689 behaalde hij een titel in de rechten aan de Universiteit van Harderwijk en in 1691 opende hij in Haarlem een tekenacademie.

Aanvankelijk werkte De Hooghe voor andere uitgevers als ontwerper van prenten en boekillustraties. Het einde van het eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1672) en vooral het Rampjaar 1672 boden ongekende opportuniteiten voor de productie van politieke prenten. De Hooghe ging toen al een orangistische koers varen, al maakt Van Nierop de belangrijke kanttekening dat er geen aanwijzingen zijn voor een directe binding met het hof in die periode. De Hooghe mat zich gewoon het commercieel meest interessante politieke profiel aan. Zeker is dat hij vanaf 1674 een eigen prentenuitgeverij leidde. Pas ten tijde van de Glorious Revolution (1688-1689) werd de etser De Hooghe effectief ingeschakeld in de propagandamachine van Willem III. De Hooghe was niet alleen verantwoordelijk voor een stroom ingenieuze satirische prenten en nieuwsprenten, maar maakte ook ontwerpen voor de tuinen van Het Loo (1689) en van de triomfbogen voor de groots opgezette intrede van Willem III in Den Haag (1691). Na het overlijden van de stadhouder en het inzetten van een tweede Stadhouderloze tijdperk (1702-1747) koos De Hooghe eieren voor zijn geld en bekeerde hij zich tot de republikeinse partij.

Tot hiertoe leest het leven van De Hooghe als het klassieke succesverhaal van de vroegmoderne kunstenaar die talent combineerde met commerciële flair. Van Nierop besteedt echter even veel aandacht aan de schaduwzijden van dit verhaal. De Hooghe was namelijk zijn hele professionele leven lang verwikkeld in allerlei schandalen en draaide er ook zijn hand niet voor om om zijn vele vijanden op allerlei manieren zwart te maken en te ondermijnen. Opmerkelijk is dat ook deze wederzijdse smeercampagnes grotendeels via de drukpers werden gevoerd.

Reeds in 1681 werd De Hooghe opgevoerd als personage in een schandaalroman, waarbij hij niet enkel van fraude en diefstal werd beschuldigd, maar ook van het pooierschap van zijn eigen vrouw. Het koppel nam de vlucht vooruit en greep een erfenis aan om naar Haarlem te verhuizen, al bleef De Hooghe professioneel actief in Amsterdam. In 1690 was het hek echter helemaal van de dam toen de etser een geliefkoosd doelwit werd in de pamflettenoorlog tussen Willem III en de stad Amsterdam. Ditmaal sloeg De Hooghe met volle kracht terug met satirische prenten en een apologie. Hij probeerde ook via brieven de getuigen à charge te lijmen die door de Amsterdamse regenten waren gerekruteerd. Hoewel het orangistische kamp hem als een uiterst nuttige schakel in de propagandamachine bleef beschouwen, was De Hooghes reputatie voorgoed besmeurd.

Aan het einde van deze wervelende biografie maakt Van Nierop de balans op. De beschuldigingen van blasfemie en van het verspreiden van pornografie waren ongetwijfeld terecht en maken De Hooghe naar hedendaagse standaarden eerder een vrijbuiter dan een schurk. Er zijn echter ook voldoende aanwijzingen dat De Hooghe zijn hand niet omdraaide voor diefstal en oplichterij. Of hij en zijn echtgenote (nota bene de dochter van een vrome dominee) een zedeloos leven leidden, is moeilijker hard te maken. Het besmeuren van de seksuele eer van iemands vrouw was een van de meest beproefde tactieken in het vroegmoderne spel van eer en oneer, die de Hooghe overigens ook zelf toepaste. Het lijkt ook weinig waarschijnlijk dat de razend ambitieuze De Hooghe, die zoals Van Nierop herhaaldelijk suggereert zijn rijke Amsterdamse neven en zijn ingebeelde Gentse patricische voorouders wilde emuleren, openlijk zijn eigen vrouw zou prostitueren.

Met The Life of Romeyn de Hooghe heeft Van Nierop verbazend genoeg pas de eerste biografie van de flamboyante etser geschreven, dit op een handvol kunsthistorische studies en enkele korte biografische notities na. De studie sluit aan bij een groeiende belangstelling voor prentenmakers en mediaspecialisten als Hans Vredeman de Vries (1527-1609) en Frans Hogenberg (1535-1590). Het is een geweldige tour de force gebleken om zowel het oeuvre van De Hooghe alsook zijn bewogen leven in één boek te vatten, maar Van Nierop is hier met verve in geslaagd. Ook de terloopse beschrijvingen van de bredere politieke en sociale context getuigen van een groot meesterschap. Van Nierop is wat voorzichtiger als hij het over het filosofisch-intellectueel profiel van De Hooghe heeft, maar dat is in het licht van de vlijmscherpe debatten over de radicale verlichting niet geheel onbegrijpelijk.

Ik had ter afsluiting van het boek wel gehoopt op een aantal bredere reflecties over de betekenis van prenten en, meer algemeen, het medium van de drukpers in het bewogen tijdvak van de late zeventiende eeuw. Wat immers vooral bijblijft na het lezen van deze studie is hoe – op haast Trumpiaanse wijze – het medium werd ingezet voor het besmeuren van politieke tegenstanders en persoonlijke vijanden. Dit ontging ook de tijdgenoten niet. In 1690 werd in Amsterdam een satirisch pamflet gepubliceerd dat vrij letterlijk de tekst van twee scheldstukken tussen Romeyn en zijn opponenten kopieerde. Er was echter witruimte voorzien om zelf namen in te vullen ‘for everyone wishing to defame somebody’ (292).