Het komt niet vaak voor dat een Nederlandse historische bronnenuitgave voor internationale ophef zorgt. De publicatie van de oorlogsdagboeken van minister van Buitenlandse Zaken Eelco van Kleffens deed dat wel. Eind april 2019 berichtten Belgische en Britse media dat koningin Wilhelmina aan het einde van de Tweede Wereldoorlog zou hebben overwogen om de Belgische koning Leopold III, die met zijn gezin door de Duitsers gevangen werd gehouden, los te krijgen in ruil voor een vrijgeleide voor enkele hoge nazi’s. Het is de vraag hoe deze canard de wereld in kwam, want de dagboeken bieden hiervoor geen bewijs, zoals het Historisch Nieuwsblad terecht berichtte.1 Van Kleffens noemde dit door de nazi’s geopperde plan weliswaar in een gesprek met de pauselijke gezant in Londen in maart 1945, maar Michael Riemens, docent Geschiedenis aan de Hanze Hogeschool in Groningen en de bezorger van de dagboeken, ontdekte dat Wilhelmina in een brief aan de Britse koning George VI een dergelijke uitruil juist had afgewezen. Dat Van Kleffens vervolgens op eigen houtje zou hebben geprobeerd het plan uit te voeren, lijkt hoogst onwaarschijnlijk.

Van Kleffens was als partijloos minister van 1939 tot 1946 een centrale figuur in het Nederlandse buitenlands beleid. Hij was tevens steunpilaar van premier Pieter Gerbrandy en genoot het vertrouwen van de koningin. Hij kon daardoor vaak bemiddelend optreden in conflicten tussen Wilhelmina en de premier. In een terugblik omschreef collega-minister Jan van Angeren Van Kleffens als een moeilijk te doorgronden man: ‘Zijn optreden en reacties waren overwegend verstandelijk; van gevoelen, voor zover al voorhanden, liet hij nimmer blijken’ (96). Van Kleffens was zich zeer bewust van zowel zijn eigen intellectuele gaven als de vele tekortkomingen bij anderen. De talloze minachtende commentaren in zijn dagboeken aan het adres van gespreksgenoten gaan de lezer op den duur tegenstaan.

De dagboeken omvatten vijf delen: één band – verreweg het meest omvangrijke deel – met aantekeningen over Van Kleffens’ werkzaamheden tussen februari 1943 en april 1945 en vier kleinere katernen over zijn reizen naar de Verenigde Staten en Canada in 1942, 1943 en 1945. Waarom maakte Van Kleffens zijn aantekeningen? Waarschijnlijk wilde hij een globaal overzicht houden van zijn werkzaamheden en contacten. Dat verklaart de telegramstijl waarin Van Kleffens zijn aantekeningen schreef en diens schier eindeloze opsommingen van personen (de index omvat zo’n duizend namen), lunches en diners. Van Kleffens gaf weinig toelichting bij zijn aantekeningen – die bewaarde hij voor zijn nota’s en brieven. De lezer stuit daarom voortdurend op zinnen als ‘Aan de lunch was Spaak mijn gast. Veel gemeenschappelijke problemen besproken’ (109) en ‘Thuis gewerkt aan een langen brief voor Loudon, over onderwerpen die zich niet leenen voor officieele correspondentie’ (118). Zelfs als Van Kleffens wat langer dan gewoonlijk bij een gebeurtenis stilstond, was hij weinig mededeelzaam. In augustus 1943 was hij bijvoorbeeld aanwezig bij een diner dat Churchill aan Wilhelmina aanbood. Het meest opmerkelijke commentaar: ‘Ik rookte den langsten sigaar van mijn leven’ (177). Met moeite vallen Van Kleffens’ opvattingen over beleidszaken te distilleren, zoals zijn plannen voor Atlantische samenwerking na de oorlog of over het ontstaan van de Benelux. De verwijzingen naar verhoudingen in de ministerraad zijn eveneens summier.

De reisdagboeken zijn daarentegen veel uitgebreider. In juni-augustus 1942 en in mei-juli 1943 begeleidde Van Kleffens koningin Wilhelmina op haar reis naar de VS en Canada. Tijdens de tweede reis speelde op de achtergrond het conflict tussen het kabinet en de koningin over het aanknopen van diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan – de koningin was mordicus tegen, maar moest bakzeil halen. Van Kleffens durfde de vorstin tegen te spreken. En hij was niet altijd even flatteus over haar: ‘Nauwelijks hadden wij even wat bijgepraat of de Koningin hobbelde binnen, gewapend met een stok en luid klagend over rheumatiek’ (77). Uitvoerig verhaalde Van Kleffens van de bezoeken aan president Roosevelt. De gesprekken waren teleurstellend: de president was voornamelijk aan het woord. ‘Het bestond voor 2/3 uit presidentieele anecdoten’, schreef Van Kleffens, ‘De Koningin en ik kregen nauwelijks de gelegenheid iets te zeggen’ (78).

Het meest verrassend aan deze uitgave zijn de passages die tonen hoe Van Kleffens onvermoeibaar de publieke opinie in het Verenigd Koninkrijk en de VS bewust probeerde te maken van de Nederlandse belangen. Bekend was dat de minister gedurende de oorlog diverse open brieven en artikelen naar Britse en Amerikaanse kranten en tijdschriften zond. Maar dat hij met zo veel Nederlandse en internationale journalisten contacten onderhield, is nieuw. In de VS ging het hem er vooral om het nut van de Nederlandse aanwezigheid in Indonesië te beklemtonen. In Van Kleffens’ ogen waren er te veel ‘aimabele dilettanten [. . .] die Indië na den oorlog onafhankelijk willen maken’ (72). Ook in Londen onderhield Van Kleffens intensieve contacten met de pers. Zo had hij in 1943-1945 vrijwel elke week een gesprek met Loe de Jong en Bob Spoelstra van Radio Oranje. De minister schreef – zoals vaak over mensen die hij ontmoette – nogal laatdunkend over ‘de heeren van Radio Oranje’ (passim) die ‘opgefrischt moeten worden op het gebied van de internationale politiek’ (309). Maar hij voerde die gesprekken wel én vond ze telkens belangrijk genoeg om te vermelden.

Riemens heeft zijn uitgave voorzien van een lange algemene voorbeschouwing. Daarnaast voorzag hij elk van de dagboekdelen ook van een uitgebreide inleiding. Dat is wat te veel van het goede. Ten eerste zijn er de vele herhalingen. Sommige passages komen wel driemaal voor en enkele zelfs in dezelfde bewoordingen: eerst in de algemene inleiding, vervolgens in de bijzondere inleiding en ten slotte in het dagboek zelf. Ten tweede onderstreept Riemens in zijn inleidingen op een geforceerde manier het belang van Van Kleffens en diens dagboeken. Daarbij creëert hij het misverstand dat de dagboeken ‘nieuw’ zouden zijn. Dat is beslist niet het geval. Zo citeerde Loe de Jong er in 1979 uitgebreid uit in deel 9 van Het Koninkrijk. Later vonden de mooiste passages over de koningin hun weg naar Cees Fasseurs Wilhelmina-biografie (inclusief de ‘affaire’ met Leopold III). Delen van de dagboeken zijn zelfs al gepubliceerd, onder meer in de serie Documenten betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1940-1945. Ook elders vliegt Riemens in de inleidingen uit de bocht. Zo is het een raadsel waarom deze dagboeken relevant zouden kunnen zijn voor ‘de onzekere wereld na het Brexit-referendum [. . .] en het aantreden van de Amerikaanse president Donald J. Trump’ (15).

Deze kritiek neemt niet weg dat Riemens en uitgever Vantilt lof verdienen voor het feit dat zij Van Kleffens’ dagboeken voor het eerst integraal hebben uitgegeven. De teksten mogen soms karig zijn, maar voor onderzoekers naar de Nederlandse buitenlandse politiek, de regering-in-ballingschap en de contacten met koningin Wilhelmina zijn ze een onmisbare bron.