Voor wie zich bezighoudt met Duitse vluchtelingen in Nederland in de jaren 1933-1940, met de vroege geschiedenis van de PvdA of met die van de Europese integratie tot de late jaren zestig, is Alfred Mozer een bekende naam. Belangrijke politieke functies heeft hij nooit vervuld, maar na 1945 verkeerde hij in invloedrijke politieke kringen en was daarbij een actieve en gedreven Europese netwerker. Daarnaast was hij gedurende een groot deel van zijn leven een zeer productieve redacteur van Duitse en Nederlandse sociaal-democratische kranten en tijdschriften. In 1905 geboren in München als zoon van een Hongaarse emigrant en een Duitse moeder maakte hij als kind de Eerste Wereldoorlog en de revolutionaire woelingen aan het eind daarvan mee. Hij stierf in 1979 in de Achterhoek, en op de afscheidsbijeenkomst werd zijn weduwe Ali Mozer-Ebbinge aan de arm begeleid door Prins Claus. Mozers leven weerspiegelt in hoge mate een aantal dramatische, maar ook hoopgevende ontwikkelingen binnen de twintigste eeuw. Paul Weller, die tot zijn pensionering als ingenieur bij grote bedrijven werkte en daarna geschiedenis studeerde, werd gegrepen door Mozers levensverhaal. Het resultaat is een prachtige biografie van Mozer als democraat en Europeaan in hart en nieren. Eenvoudig heeft Weller het zich daarbij niet gemaakt, want een biografie van Mozer vergt inzicht in veel verschillende thema’s en periodes uit de twintigste eeuw. Dat Weller over dergelijk inzicht beschikt, maakt hij op basis van breed gevarieerd bronnenmateriaal uitstekend duidelijk in zijn omvangrijke, maar nergens langdradige historische studie.

Nadat Mozer in de vroege jaren twintig als jonge Duitse sociaal-democraat in de journalistiek terecht was gekomen, werkte hij tot zijn vlucht naar Nederland in mei 1933 bij regionale partijgebonden SPD-kranten. Daarbij ontwikkelde hij een specifiek eigen, humoristische en deels sarcastische schrijf- en spreekstijl die hij, al naar gelang de omstandigheden, ook in latere decennia trouw zou blijven. Moedig was hij ook, zoals toen hij, kort na de machtsovername door Hitler, op een openbare bijeenkomst in zijn woonplaats Emden de volgende woorden sprak: ‘Er gebeuren rare dingen in Duitsland. In München viert men Fasching, in Keulen Karnaval en in Berlijn heeft men Hitler tot rijkskanselier gemaakt.’ (75) Al sinds de late jaren twintig had Mozer tegen de opkomst van de NSDAP geschreven en actie gevoerd, maar na deze uitspraak was hij niet meer veilig in Duitsland. Met hulp van SDAP-vrienden uit Groningen vluchtte hij naar Nederland, waar hij al snel integreerde in de Nederlandse sociaal-democratie. Als gevluchte Duitser mocht hij zich in Nederland weliswaar politiek niet profileren, maar met een gematigde toon en stijl kon hij zich ontwikkelen tot een soort ‘persoonlijk secretaris’ van Koos Vorrink, sinds 1934 SDAP-voorzitter. Ook schreef hij onder pseudoniem voor de Freie Presse, het blad voor naar Nederland gevluchte Duitse sociaal-democraten, en was hij actief in het aan de SDAP verbonden Comité voor Politieke Duitse Vluchtelingen (CPDV).

Hoe voorspoedig deze integratie ook verliep, in persoonlijk opzicht was het vanzelfsprekend een moeilijke tijd, temeer daar zijn vrouw Änne aanvankelijk niet mee naar Nederland had willen komen. In de loop van 1933 deed ze dat toch, maar vier jaar later keerde zij met hun in 1935 geboren zoon Ubbo terug naar Duitsland. Over de redenen daarvan tast Weller goeddeels in het duister. Voorzichtig schrijft hij over de armoedige situatie waarin het gezin zich bevond, Änne’s heimwee naar Duitsland, en huwelijksproblemen. Hoeveel bronnen Weller ook heeft ingezien, materiaal over zijn gezin, familiebanden en persoonlijke vriendschappen heeft hij nauwelijks kunnen vinden. Hoewel Weller nog met Mozers tweede vrouw, de bovengenoemde Ali Mozer-Ebbinge, en hun zoon Erik heeft kunnen spreken, blijft Mozers privéleven een witte plek in deze verder zo goed gedocumenteerde en helder gestructureerde biografie. Dat is echter geen punt van kritiek. Bij Mozer zelf ging het altijd om de ‘zaak’, niet om de persoon, en daarom heeft hij nauwelijks informatie over zichzelf achtergelaten.

De opbouw van Alfred Mozer maakt het boek goed toegankelijk. Weller deelt Mozers leven in duidelijke fasen in. In vijf delen vertelt hij achtereenvolgens over Mozers ‘Jeugd en Weimarjaren (1905-1933)’, over Mozers leven als ‘Vluchteling en onderduiker (1933-1945)’, als ‘Buitenlandsecretaris van de PvdA (1945-1958)’, als ‘Politicus tussen technokraten in Brussel (1958-1970)’ en ten slotte als ‘Europeaan in de Achterhoek (1970-1979)’. Elk deel is onderverdeeld in een aantal hoofdstukken, zodat ook gericht over bepaalde episodes en thema’s gelezen kan worden.

Zoals voor alle Duitse vluchtelingen in Nederland begon met de Duitse inval van mei 1940 een dramatische en gevaarlijke periode. Na een mislukte zelfmoordpoging vluchtte Mozer naar het zuiden, maar kwam hij niet verder dan de Belgisch-Franse grens. Daarna keerde hij terug naar Nederland, waar hij bijna vijf jaar lang ondergedoken zat bij de smid van een psychiatrische kliniek in Poortugaal. In deze jaren had hij af en toe contact met sociaaldemocratische vrienden en met het personeel van de kliniek. Tijdens de onderduik schreef hij voor een regionaal ondergronds blad. Na de bevrijding kon hij enerzijds bouwen op zijn vooroorlogse integratie in de SDAP, maar werd hij anderzijds herhaaldelijk als ‘Duitser’ bejegend waardoor ook binnen de PvdA duidelijke grenzen aan zijn naoorlogse loopbaan bestonden. Al snel na de oorlog werd hij weliswaar hoofdredacteur van het partijblad Paraat en werd hij verantwoordelijk voor de internationale contacten van de PvdA. Zijn hoop op een plaats in het partijbestuur of in de Tweede Kamer werd echter vanwege zijn Duitse achtergrond niet bevestigd. Mozers terechte standpunt dat niet alle Duitsers nazi’s waren geweest, werd hem door velen niet in dank afgenomen. Ook in de jaren zestig zou hij nog met anti-Duitse gevoelens te maken krijgen, toen hij zich inzette voor meer acceptatie van Claus von Amsberg als prins-gemaal. Binnen zijn eigen PvdA werd hij daarom door sommigen weggezet als ‘de Duitser die een Duitser helpt’ (331 e.v.). Een positiever gevolg van Mozers inzet was de hechte relatie die hij met het prinselijk paar kreeg. Niet alleen de nadrukkelijke aanwezigheid van prins Claus op de afscheidsbijeenkomst van Mozer in 1979 moet tegen deze achtergrond worden gezien, ook het door koningin Beatrix gemaakte en in 1985 door het koninklijk paar in het EUREGIO-gebouw in Gronau onthulde borstbeeld van Mozer vindt zijn oorsprong in de jaren 1965-1966.

Mozers levenservaringen tot 1945 waren grotendeels de drijfveer voor zijn inzet voor een Europese federatie. Als journalist, als internationaal secretaris van de PvdA, maar ook als medeoprichter van verschillende pro-Europese groeperingen, was Mozer veelvuldig in Europa onderweg. Daarbij bouwde hij een groot netwerk van politici op waarbij vooral zijn uitstekende contacten met Duitse politici, zoals Adenauer, Hallstein, Brandt en Schmidt, opvallen. Dit netwerk en zijn onvermoeibare engagement leidden ertoe dat Europees Commissaris Sicco Mansholt hem in 1958 als zijn kabinetschef naar Brussel meenam, ongetwijfeld het hoogtepunt in Mozers loopbaan. Met kennis van zaken, met hartstocht, met humor en steeds ook met anekdotes waardoor mensen aan zijn lippen hingen, wierf Mozer voor de Europese zaak en was hij een belangrijke steun voor Mansholt. Ook na zijn pensioen in 1970 bleef hij adviseur van Mansholt, hoewel de relatie om politieke redenen geleidelijk aan vertroebelde.

Dat Paul Weller een goede biograaf is, blijkt ook daaruit dat hij niet de ogen sluit voor de minder sympathieke eigenschappen van Mozer. In al zijn hartstocht en getekend als hij was door de nazi-jaren, liep Mozer vaak te hard van stapel. Met zijn soms onsensibele optreden joeg hij herhaaldelijk en onnodig mensen tegen zich in het harnas. De vraag naar de politieke invloed van Mozer beantwoordt Weller terecht van geval tot geval verschillend, maar over het algemeen genuanceerd. Op twee plaatsen geeft hij Mozer echter meer invloed dan hem mag worden toegekend. Het Godesberger partijprogramma van de SPD waarmee de partij in 1959 het marxisme afzwoer en naar het politieke midden koerste, was een intern Duitse aangelegenheid, evenals de totstandkoming van de Grote Coalitie van CDU, CSU en SPD in 1966. Alfred Mozer heeft ongetwijfeld zijn waardering hierover laten blijken, maar deze ontwikkelingen zouden ook zonder hem hebben plaatsgevonden. Ziet men van deze twee overschattingen van Mozers rol af, dan heeft Weller een voorbeeldige biografie geschreven.