Rudolf Rasch, gastonderzoeker aan de Universiteit Utrecht, heeft heel wat muzikale en archivalische watertjes doorzwommen. Vaak op basis van nieuwe gegevens of interpretaties, gebaseerd op primaire bronnen in combinatie met zijn kennis van de literatuur, vertelt hij als geen ander over de muziekgeschiedenis van de Lage Landen van de zeventiende en achttiende eeuw. Zo is hij zeer vertrouwd met de muziek in de Zuidelijke Nederlanden. In dit laatste opzicht is zijn dissertatie over de Cantiones Natalitiae in de Zuidelijke Nederlanden een heus monument. Mogelijk nog indrukwekkender is zijn kennis van de muziek van de Noordelijke Nederlanden. Aan de hand van voorliggend boek biedt hij andere, ook niet musicologische, onderzoekers de mogelijkheid kennis te maken met het bijzonder diverse muzieklandschap van de Republiek van de Zeven Verenigde Nederlanden.

Geheel in de lijn van de zo genaamde Urban Musicology, die vooral vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw opgang maakte, nam Rasch van bij aanvang van zijn onderzoekscarrière de wijze beslissing om muziek niet louter an sich te benaderen, maar die grondig te onderzoeken binnen een bredere, maatschappelijke (vooral stedelijke) context. Die lijn zet hij in dit boek verder. De nadruk wordt dus eerder gelegd op de onderlinge samenhang tussen de muziek zelf (het repertoire) én het muziekleven. Vooral dit laatste aspect krijgt ruim aandacht. Muziek in de Republiek is duidelijk meer dan de actualisering van het standaardwerk Het muziekleven in Nederland in de 17de en 18de eeuw van Dirk Balfoort uit 1938. Dit boek was destijds conceptueel gezien vrij modern, maar was na tachtig jaar aan herziening en actualisatie toe.

Het gevaar van onoverzichtelijkheid loert om de hoek bij het aanbieden van een overdaad aan gegevens. Dit weet Rasch af te wenden door het geheel op een logische wijze in twaalf hoofdstukken te ordenen. Uiteraard zijn er tussen deze hoofdstukken interessante kruisverbanden te leggen. Zo bijvoorbeeld tussen de stadsspeellieden (hoofdstuk 3) en de activiteiten van deze musici in theaters, muziekcolleges, concertzalen en het onderwijs (hoofdstukken 5, 6, 7 en 8). Elk hoofdstuk is bovendien opgedeeld in subhoofdstukken, hetgeen de overzichtelijkheid bevordert en ruimte schept voor nuancering. Hierdoor krijgen we een duidelijk inzicht in een rijk en divers muziekleven, gekenmerkt door invloeden uit, in muzikaal opzicht, toonaangevende Europese landen als Italië en Frankrijk, in mindere mate de Duits sprekende gebieden en Engeland.

In de inleiding wordt de Republiek voor buitenlanders op een duidelijke wijze uit de doeken gedaan. Een koninklijk hof is er niet, al is het duidelijk dat het abundante muziekleven van de stadhouders, vooral in Den Haag na 1747, in niets moest onderdoen voor in omvang vergelijkbare buitenlandse hoven (hoofdstuk 2). Bijzonder uitgebreid is hoofdstuk 4, over de kerken. En terecht, want de sterk van elkaar afwijkende soorten geloofsbeleving hadden tot op zekere hoogte een specifiek eigen repertoire dat bovendien ook nog eens van plaats tot plaats kon verschillen. Vooreerst waren er de verschillende soorten protestantse kerken die verreweg het talrijkst waren. Verder had je de rooms- en andere katholieke kerken die, ofschoon eerder marginaal, op muzikaal gebied niet geheel onbelangrijk waren. Katholieke schuilkerken werden naarmate de geschiedenis vorderde tot op zekere hoogte getolereerd. In de zuidelijke generaliteitslanden liep het katholieke muziekleven op wisselende wijze verder. Rasch besteedt ook aandacht aan Joodse muziek en de muziek van de Vrijmetselaars (127). Ten slotte komen ook wat ‘vergeten’, vaak onderbelichte onderwerpen en aspecten van het muziekleven in de noordelijke Nederlanden tot 1795 aan bod. Zo besteedt Rasch aandacht zowel aan de muziek van militairen en amateurs alsook aan de sociale status van de musicus. Waar mogelijk gaat hij ook in op de muziek van de laagste klassen, hoewel deze groep vaak weinig tastbaars nagelaten heeft.

De ondertitel van dit boek geeft de inhoud en aanpak ervan perfect weer. Hierbij heeft de auteur een mooie balans gevonden tussen het opsommende (interessant voor diegene die op zoek is naar voorbeelden), het verhalende en het verklarende (de band met het maatschappelijk-contextuele).

Ondanks al deze positieve elementen zit ik toch ook met enkele kleine bedenkingen. Zo lijkt de bibliografie soms erg gericht op werken die in Nederland zijn verschenen; een aantal interessante buitenlandse publicaties vermeldt de auteur niet. Zo zouden de contextuele en maatschappelijke aspecten meer hebben kunnen profiteren van de publicaties van Karel Moens, die onder meer aan de hand van de muziekiconografie heel wat vernieuwende inzichten inzake het gebruik van muziekinstrumenten heeft aangebracht. Rasch verwijst slechts naar een zeer beknopt artikel van deze organoloog. Ook de literatuur over de muziek in de meer zuidelijk gelegen gebieden (de generaliteitslanden) wordt door Rasch soms een beetje stiefmoederlijk behandeld. Voor Maastricht bijvoorbeeld refereert hij niet naar Panorama van drie eeuwen muziek in Limburg van Hans van Dijk uit 1991. Ook een verwijzing naar het lijvige en belangrijke Speelmansboek uit Tongeren (een facsimile van een oblong-handschrift van de hand van de lokale Maastrichtse speelman Van Pelt door Gilbert Huybens en ondergetekende uit 1996) ontbreekt. Nochtans bevat dit lijvige boek heel wat stukken in de beste speelmanstraditie en verwijzen bepaalde titels van deze muziekwerken naar Nederland, zoals Marche de Riswijk en drie liederen over Maastrichtse primussen. Evenmin verwijst Rasch naar de becommentariëring van het – weliswaar korte – bezoek van de Britse musicus Charles Burney aan Maastricht in 1772, zoals dat in Musica Antiqua van 1993 wordt weergegeven. Het is dan ook wat magertjes om enkel te verwijzen naar gedateerde artikels van Joseph Smits-Van Waesberghe (1935) waar het om het kerkelijk muziekleven in Maastricht gaat (120-122). Ook het gedeelte over de Maastrichtse theatermuziek maakt volgens de bibliografie (enkel?) gebruik van een oudere bijdrage van Louis Marie Rollin Couquerque uit 1895. Bijkomende informatie is te vinden op https://www.uu.nl/medewerkers/RARasch of https://muziekinderepubliek.sites.uu.nl/wp-content/uploads/sites/413/2018/12/MR-Documentatie-11-Theaters-2.pdf.

Muziek in de Republiek sluit af met een bibliografie en een beknopt glossarium. Bij dit laatste kun je je afvragen op basis van welke criteria de selectie van de lemma’s werd gemaakt, maar dat is een probleem dat haast inherent is aan zulke lijsten. Met de interpretatie van enkele begrippen ben ik het echter niet volledig eens. Zo denk ik dat ‘contrapunt’ beperken tot het gelijktijdig klinken van twee melodieën wat kort door de bocht is (met excuses voor de muggenzifterij!). De voorstelling als zou het antifonaal zingen (in twee koren) gelijk staan met het responsoriaal zingen (afwisseling van solist en koor) doet ook vragen rijzen. Sommige Nederlandstalige encyclopedieën noemen dit weliswaar zo, maar ik geef de voorkeur aan de definitie zoals die wordt gehanteerd in The New Grove Dictionary of Music and Musicians (2004).

Ten slotte nog een woordje over de zeer verzorgde lay-out. De vele, vaak fraaie afbeeldingen zijn gevarieerd en illustratief voor het beschreven muziekleven. Spijtig voor diegenen die minder goed zien, maar geïnteresseerd zijn in de referenties: de eindnoten zijn weinig contrastrijk, hetgeen een vlotte leesbaarheid in de weg staat.

Uiteraard verdwijnen deze kleine bedenkingen in het niet bij wat het boek wél biedt, namelijk een bijzonder rijke inhoud. Ik ben ervan overtuigd dat de geïnteresseerde melomaan, muzikant, musicoloog, historicus, socioloog enzovoort met veel interesse dit boek zal lezen en/of gebruiken als naslagwerk. Een echte aanrader dus, dat ook tal van bouwstenen aanlevert voor verder (ook comparatief) onderzoek.