De geschiedenis van Nederland in de tweede helft van de achttiende eeuw staat in het teken van economische achteruitgang en politiek verval. De patriottenbeweging legde de schuld hiervoor bij erfstadhouder Willem V (1748-1806) en diens mentor, de hertog van Brunswijk. Tijdens Willems minderjarigheid had Brunswijk van 1759 tot 1766 de functies van stadhouder en opperbevelhebber waargenomen. In 1766 bevestigden de regenten de achttienjarige Willem V in het ambt van stadhouder van alle zeven provincies én benoemden zij hem tot kapitein- en admiraal-generaal. De jonge erfstadhouder was aanvankelijk zeer populair totdat bleek dat hij Brunswijk had gemachtigd om de stadhouderlijke taken te blijven uitoefenen. Ontevreden regenten en een groeiende groep van politiek bewuste burgers vonden elkaar in hun afkeer van de ‘dikke hertog’. Zij verweten hem dat hij Willem V monarchale aspiraties had ingefluisterd, dat hij de vloot had verwaarloosd en het leger tot een instrument van binnenlandse onderdrukking had omgevormd. De patriottenbeweging dwong Brunswijks ontslag af en begon daarna aan het inperken van Willems politieke en militaire gezag.

Na de voor de Republiek rampzalig verlopen vierde Engelse Oorlog (1780-1784) kwam de erfstadhouder zozeer in het nauw dat hij Den Haag ontvluchtte. Vanuit Gelderland probeerde hij zijn positie met de hulp van prinsgezinde regenten en militairen te herstellen. Het resultaat was een burgeroorlog die voornamelijk in de provincie Utrecht werd uitgevochten. Het lukte Willem V niet de oorlog in zijn voordeel te beslissen, omdat een deel van het leger de kant van de patriotten koos. De patstelling werd uiteindelijk doorbroken door Wilhelmina van Pruisen, de echtgenote van Willem V en de zuster van de Pruisische koning. Zij wist de Hollandse patriotten te provoceren om haar te arresteren, waarna haar broer genoegdoening voor deze majesteitsschennis van de Staten van Holland eiste. Toen die uitbleef, stuurde hij 20.000 soldaten naar Holland om het stadhouderlijke gezag te herstellen. Duizenden patriotten vluchtten met hun gezinnen naar de Oostenrijkse Nederlanden en Frankrijk. De orangistische restauratie was echter niet blijvend. In januari 1795 verjoegen Franse revolutionaire troepen Willem V en namen de patriotten als Bataven het bestuur in de Republiek over. Hierop volgde een verwarrende tijd: in 1798 vonden twee staatsgrepen plaats, in 1806 gaf Napoleon opdracht de Bataafse Republiek tot een koninkrijk om te vormen en in 1810 lijfde hij het Koninkrijk Holland bij het Franse keizerrijk in. In 1813 herwonnen de Nederlanders hun onafhankelijkheid, waarna zij de soevereiniteit aan de zoon van de verdreven stadhouder aanboden. In 1815 nam die als Willem I de koningstitel aan.

De hierboven geschetste ontwikkelingen vormen de achtergrond van Mariëlle Hagemans ‘persoonlijk verhaal’ van Jan Bernd Bicker (1746-1812). Aan de hand van diens dagboeken, aantekeningen, memoires en correspondentie behandelt zij episodes uit Bickers privé-, maatschappelijke en politieke leven. Bicker stamde uit een Amsterdams patriciërsfamilie die in de eerste helft van de zeventiende eeuw de stadsregering lange tijd had gedomineerd. In 1650 behoorden de broers Andries en Cornelis Bicker tot de felste tegenstanders van stadhouder Willem II, wat zij met het ontslag uit hun ambten moesten betalen. Na 1650 bleven Bickers deel uit maken van het stadsbestuur, maar pas na de geboorte van Jan Bernd Bicker zouden zij weer een rol van landelijke betekenis spelen. Na een studie rechten aan de Utrechtse universiteit werd Jan Bernd in 1772 op vijfentwintigjarige leeftijd schepen in Amsterdam. Dit was een belangrijke stap in zijn politieke loopbaan, want hierdoor maakte hij voortaan deel uit van het Amsterdamse stadsbestuur. Hageman laat zien dat Bicker zijn taken als lid van de rechtbank consciëntieus vervulde en het schepenambt niet louter zag als een opstapje naar hogere bestuurlijke functies. Als echtgenoot en vader leidde hij een voorbeeldig burgerbestaan. Hij had belangstelling voor nieuwe wetenschappelijke inzichten – zo liet hij zijn kinderen tegen de pokken inenten – en verdiepte zich in de politieke en maatschappelijke vraagstukken van zijn tijd.

De vierde Engelse Oorlog vormde ook in Bickers leven een keerpunt. Geïnspireerd door de ideeën van Joan Derk van der Capellen, de ideoloog van de patriottenbeweging, sprak hij zich uit tegen de uitgebreide bevoegdheden die de Hoge Krijgsraad zich onder Willem V had toegeëigend. Bicker vond dat de militaire rechters alleen uitspraken mochten doen over zuiver militaire delicten, zoals plichtsverzuim en verraad, maar niet bevoegd waren in gewone criminele en civiele zaken waarbij zowel militairen als burgers betrokken waren. In mei 1785 nam Bicker, die als vertegenwoordiger van Amsterdam naar de Staten van Holland was afgevaardigd, zitting in een commissie van de Staten-Generaal die onderzoek moest doen naar de tekortkomingen in de defensieorganisatie van de Republiek. Het is jammer dat Hageman aan Bickers rol in deze commissie geen aandacht besteedt. Zij schrijft daarover (219): ‘Bij dat laatste archief [het archief van J.B. Bicker in het Nationaal Archief] is ook een klein supplement (toegangsnummer 3.20.04.02), maar dat bevatte voor dit boek geen relevante stukken.’ Deze conclusie is moeilijk te rechtvaardigen, want juist in dit supplement bevinden zich de aantekeningen en stukken uit Bickers periode als lid van de defensiecommissie van de Staten-Generaal. En het zijn juist zijn activiteiten in deze commissie die laten zien dat Bicker niet zo ‘onschuldig’ was als Hageman hem doet voorkomen. Bicker maakte deel uit van de radicale vleugel binnen de patriottenbeweging. In de commissie riep hij op het leger tot een nationale armee om te vormen. Dit was niet zomaar een voorstel. In feite bepleitte Bicker met deze oproep Willem V het kapitein-generaalschap te ontnemen en de gewestelijke soevereiniteit in legerzaken af te schaffen.

In 1787 speelde Bicker als lid van de Amsterdamse defensiecommissie een hoofdrol bij de coördinatie van de patriotse oorlogsinspanning. Bij de beschrijving van de burgeroorlog stelt Hageman (113) dat de Pruisen na het binnentrekken van de Republiek eerst naar Utrecht gingen. Dit is onjuist. Willem V wilde dat de Pruisische interventie beperkt bleef tot Holland, omdat daarmee de illusie in stand gehouden kon worden dat de Pruisische koning zich niet met de binnenlandse problemen van de Republiek bemoeide, maar slechts genoegdoening voor zijn zuster kwam eisen.

Bicker vluchtte in het najaar van 1787 met zijn gezin naar Frankrijk en voorkwam daardoor dat hij en zijn kinderen – zijn vrouw was inmiddels overleden – slachtoffer werden van de wraaklust van de prinsgezinden. Het asielbestaan lijkt de Bickers niet te zwaar gevallen te zijn, hoewel zij wel vaak van verblijfplaats moesten veranderen. Ze overleefden de terreurfase van de Franse Revolutie en keerden in 1795 terug naar de Republiek. Bickers status als radicale patriot kon hem in 1798 niet behoeden voor een maandenlange gevangenschap, maar nadat Daendels in juni een tweede staatsgreep had gepleegd, kreeg Bicker zijn vrijheid terug. Bicker kon daarna echter niet meer de energie opbrengen om zich actief met politiek bezig te houden. In 1812 stief hij als ambteloos burger.

Hageman schrijft op een toegankelijke, verzorgde en vlotte manier. Haar boek lijkt daardoor meer op een roman dan op een historische studie. Een enkele keer schuurt haar taalgebruik met de tijd waarin Bicker leefde. Zo schrijft zij over een geruchtmakende moordzaak: ‘Hij had zijn ex eind juni vermoord na een onstuimige knipperlicht relatie (62).’ Maar dit zijn slechts kleine dingen, die geen afbreuk doen aan het interessante levensverhaal van Bicker.