De Nederlandse persgeschiedenis heeft zich de laatste dertig jaar enorm ontwikkeld. Decennialang domineerde een benadering van de krant als een institutie met een maatschappelijke en politieke positie. Pershistorici als Maarten Schneider, Joan Hemels en Henk Scheffer belichtten het bedrijfseconomische en politieke krachtenveld achter de kranten en de grote journalisten en directeuren die de signatuur ervan belichaamden. Zij legden de basis voor de latere persgeschiedenis die veel meer draaide om de inhoud van en de redactionele processen op de krant. De kranteninhoud werd veelal in relatie gebracht tot de bredere politiek-maatschappelijke context aan de ene kant en de belevingswereld van de lezer aan de andere. Deze ontwikkeling van een institutionele naar een cultuurhistorische benadering van het fenomeen krant is nog verre van voltooid, maar ze heeft al een rijke oogst opgeleverd van proefschriften en monografieën over kranten als De Telegraaf, NRC Handelsblad, Leeuwarder Courant, Het Parool, de Volkskrant en Trouw.

Het is jammer dat historicus Jules Prast deze ontwikkeling heeft gemist. In de jaren tachtig bereidde hij een proefschrift voor over de voorgeschiedenis en de vroegste periode van het dagblad waarmee Abraham Kuyper de Nederlandse hervormde (en later: gereformeerde) bevolkingsgroep dagelijks informeerde hoe ze over alles in de wereld moesten denken. De machtige dominee, theoloog, politicus en journalist had er meer dan 20.000 artikelen in bijna 50 jaar voor nodig, maar de gereformeerde zuil en het groepsbesef in die kring was na die 50 jaar wel heel hecht gesmeed. Dagblad De Standaard (opgericht op 1 april 1872) bleek een machtig middel om de gereformeerde identiteit te vormen en te versterken, maar ook om de gereformeerden een duidelijk beeld te geven van de redenen waarom ze andersdenkenden moesten afwijzen of bestrijden. De Standaard was Kuyper en Kuyper was De Standaard. De krant verschafte de voorman der gereformeerden een goed hoofdinkomen, maar bracht hem tevens in het centrum van de openbare opinievorming, zowel in eigen kring alsook in de landelijke politiek.

Prast heeft de institutionele kant van deze boeiende krant na enkele jaren archiefstudie gedetailleerd in kaart gebracht, maar om niet geheel opgehelderde redenen is het nooit tot de verdediging van zijn proefschrift gekomen. Wellicht omdat de auteur andere dan onderzoeksgerichte werkzaamheden kreeg, zoals nu blijkt uit de zeer verlate uitgave van het manuscript. Nu die werkzaamheden door een chronische ziekte zijn beëindigd, vond hij de tijd om alsnog te publiceren. Blijkbaar had hij niet meer de ambitie om een proefschrift te verdedigen, maar omdat het archiefonderzoek te waardevol was om er niet over te publiceren ligt er nu toch een boek. Het werd een uitgave in eigen beheer, na een zekere bewerking van de tekst. Helaas dus niet met een actualisering op grond van de rijke historiografie van pers en journalistiek van de afgelopen dertig jaar. Prasts nu gepresenteerde onderzoek staat daarom los van alle andere relevante publicaties, die een belangstellende in deze materie nu zelf maar op moet snorren. Een behoorlijk register kon er blijkbaar ook niet van af, waardoor het zoeken op deelonderwerpen- en personen niet gemakkelijk is. Ook de beperking tot 1887 is jammer, hoewel daar een zekere inhoudelijke rechtvaardiging voor bestaat vanwege de machtswisseling die dat jaar op directieniveau van De Standaard plaats vond.

Ondanks deze bezwaren levert Prasts boek op basis van degelijk archiefonderzoek toch een mooi inkijkje in de wereld achter het journalistieke monument waarbij destijds niets in de schaduw kon staan. Kuyper werd aan het eind van de negentiende eeuw door journalistieke vakgenoten uitgeroepen tot de belangrijkste journalist van zijn tijd; een man met een eigen krant die geheel en al in het teken stond van zíjn denken en zíjn stijl. Er waren wel wat namen van Kuipers uitgeverij en redactie bekend, maar die stonden te boek als volgzame pennenlikkers die braaf de rest van de krant volschreven, rondom Kuypers ‘driestarren’, het dagelijkse commentaar dat de kern van de krant vormde. Van de georganiseerde achterban van De Standaard was weliswaar veel bekend, maar zijn relatie tot die krant was eerder nog niet zo belicht als in Prasts studie. Dit geeft ook wel aan dat in de latere historiografie van Kuypers beweging de rol van de krant nooit op volle waarde werd geschat. In de meeste biografieën van Kuyper speelt zijn journalistieke activiteit dan ook een ondergeschikte rol; in de jongst verschenen Kuyper-biografie, door Jeroen Koch, ontbreekt die context zelfs in zijn geheel.

In zijn onderzoek plaatst Prast de geschiedenis van De Standaard centraal en haalt hij de mannen op de achtergrond voor het voetlicht. De belangrijkste daarvan is ongetwijfeld de uitgever J.H. Kruyt, die de krant financieel redde toen het na twee jaar volledig mis leek te lopen, omdat de inkomsten de stijgende uitgaven niet meer bijhielden. Kruyt reorganiseerde als directeur/mede-eigenaar het bedrijf daarna dusdanig dat er een winstgevende professionele uitgeverij van boeken, pamfletten en nieuwsbladen op protestantse grondslag ontstond. Kuyper zette hem in 1887 desondanks aan de kant, omdat – zoals Prast in detail onthult – Kruyt niet mee wilde gaan met de Doleantie, de afsplitsing in de protestantse wereld die tot de Gereformeerde Kerken in Nederland leidde. Officieel was zijn ontslag een ‘vrijwillig vertrek om gezondheidsredenen’, maar Kuyper wenste gewoonweg niet dat ‘zijn’ dagblad door een directeur werd geleid die er andere opvattingen op na hield dan Kuyper zelf. Die operatie vergde overigens nog wel een zeer ingewikkelde zakelijke constructie, die Kuyper uiteindelijk tot eigenaar van het bedrijf maakte. Die positie bekleedde Kuyper tot 1916. Zijn onaantastbaarheid zorgde voor een steeds ongemakkelijker situatie, omdat Kuyper elke vernieuwing of verjonging van de krant onnodig vond.

Zo zijn we met het boek van Prast weer een stap verder in het begrijpen van de complexe verwevenheid van politiek, religie en pers die de moderne Nederlandse geschiedenis lange tijd heeft gekenmerkt. En deels wellicht nog steeds kenmerkt, zij het dat de Nederlandse kranten wel wat meer zijn geworden dan de spreekbuis van een dominante politicus en kerkleider.