In het zog van de opbloei van de ‘New Political History’ in de late twintigste eeuw heeft zich in het afgelopen decennium ook een revival afgetekend van wat de structuralistische Franse historici van de Annales in de naoorlogse decennia nog smalend histoire bataille plachten te noemen. Waar de vernieuwde politieke geschiedenis een nieuwe, kritische blik ontwikkelde op de wording van staten, het sociale draagvlak van die staten, en de culturele en economische dimensies van de besluitvormingsprocessen bij steden en staten, proberen de pleitbezorgers van de vernieuwde militaire geschiedenis oorlogvoering als maatschappelijk project te problematiseren. De monografie van Hans Mol over volksmilities in de late vijftiende en zestiende eeuw vormt een mooie bijdrage in dit verband, temeer omdat – en dat geeft de auteur zelf ook mooi aan in zijn studie – Friesland een ongewoon geval is. Het gaat hier om een regio die tot ongeveer 1500 vrijwel volledig zelfstandig bleef bestaan, eer het opging in het zich vormende Bourgondisch-Habsburgse landencomplex. Bijgevolg is dit een casestudy die toelaat na te gaan hoe de mobilisatie van niet-professionele strijdkrachten gevormd wordt in een dialoog met zelfbestuur en een relatief ongewone ontwikkeling van heerlijke en adellijke elites. Dit is waardevol, omdat in vrijwel alle andere delen van West-Europa het militaire potentieel van de plattelandsbevolking van oudsher is gekanaliseerd via de heerlijke adel en de zich profilerende vorstelijke staten.

Tot op heden hebben veel historici de neiging om de geschiedenis van volksmilities te schetsen vanuit een teleologisch perspectief, waarbij die milities geleidelijk aan, maar onvermijdelijk het onderspit moeten delven voor de steeds grotere vorstelijke legers die maximaal inzetten op de reeks technologische innovaties in het krijgsbedrijf waarvan de invloed vaak is opgevat als een langgerekte Military Revolution van de veertiende tot en met de zeventiende eeuw.

De focus op een regio die vrij abrupt overging van zelfstandig bestuur naar de integratie in grote vorstelijke statencomplexen laat een kritische, en opvallend goed afgebakende toetsing toe van deze voorstelling van zaken. Hans Mol heeft dit potentieel goed benut met een overtuigende combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve methoden. De empirische basis voor de kwantitatieve analyse betreft een uitgebreide reeks monsterlijsten die een grondige studie van het krijgsbedrijf tussen 1524 en 1560 toelaten. Het begrip van hoe militaire rekrutering werkte in een door de Habsburgers bestuurd Friesland gebruikt Mol vervolgens om het veel schaarsere, anekdotische bronnenmateriaal voor de periode 1480-1524 tegen het licht te houden. Mol blijft voldoende oog hebben voor de beperkingen van het bronnenmateriaal en een regressieve insteek, zodat onverdedigbare projecties van inzichten voor latere periodes op eerdere periodes vermeden worden. Tegelijk kan hij zo gefundeerde uitspraken doen over het veranderende karakter van oorlogvoering wanneer dat evolueert van factieconflicten tussen de Friezen onderling in de jaren 1480 (het betreft de laatste opflakkering in de jaren van de strijd tussen de zogenaamde Vetkopers en Schieringers) tot oorlogen waarin Friese milities geconfronteerd worden met invasielegers van geharde Duitse en Zwitserse huurlingen. De dreiging van buitenaf kwam eerst van Albrecht van Saksen (d. 1500), de prominente Duitse vorst die de Habsburgse machtsaanspraken op Friesland wist te verwezenlijken, en vervolgens van de hertog van Gelre, die in 1514-1524 tevergeefs probeerde om Friesland bij zijn eigen invloedssfeer te voegen.

Uiteindelijk komt Mol in zijn analyse tot genuanceerde antwoorden over de mate waarin de Friese volksmilities zich wisten aan te passen aan de veranderende omstandigheden. Zo stelt hij vast dat die milities zich inderdaad niet zo snel aanpasten als huurlingentroepen aan de introductie van nieuwe technieken en innovaties, gaande van vuurwapens tot slagvelddiscipline. Het toenemend gebruik van vuurwapens bij de milities maakt duidelijk dat de Friezen daarbij zeker niet de boot helemaal hebben gemist, maar zij kwamen wel tegenover troepenmachten te staan die steeds beter uitgerust waren. Daarnaast daalde ook het relatieve numerieke gewicht van de volksmilities. De delen van Friesland die centraal staan in dit onderzoek konden ruim tweeduizend gewapende mannen mobiliseren, maar dat aantal stond steeds minder garant voor een groot overwicht op het slagveld, aangezien ook huurlingenlegers in omvang toenamen. Tegelijk wijst Mol erop dat de bestudeerde conflicten ook wel een extreme lakmoesproef vormen voor de militaire betekenis van burgermilities, aangezien dat de Friezen met de Duits-Zwitserse huurlingenlegers zo ongeveer de meest geduchte en professionele huurlingentroepen van West-Europa getroffen hadden. Bovendien was het zo dat die Friese milities waardevol bleven als complementaire strijdkracht voor de Habsburgers: hun betekenis in regelrechte veldslagen daalde weliswaar, maar hun belang bleef bijzonder groot voor de andere vormen van oorlogvoering die veel frequenter voorkwamen, gaande van raids op aanvoerlijnen tot het bezet houden van een bepaalde regio.

De voornaamste sterkte van deze studie is dat het onderzoek naar de milities goed is ingebed in een rigoureuze discussie van de evolutie van krijgstechnieken in de vijftiende en zestiende eeuw (hoofdstuk 4) en in een discussie van de sociale en economische organisatie van de Friese samenlevingen (hoofdstuk 2 en 3). Ook zijn de sleutelbronnen beschikbaar gemaakt via een goede kritische editie die in bijlage is opgenomen en ongetwijfeld vele onderzoekers van nut zal zijn. Het geheel is tot slot in helder en vlot Nederlands neergepend, en Mol weet kleur te geven aan zijn betoog door goed gedoseerde aandacht te besteden aan kleurrijke personages als Grote Pier of tot de verbeelding sprekende krijgersbenden, zoals die van de Zwarte Hoop.

Het enige wat misschien te betreuren valt, is dat niet altijd zoveel aansluiting is gezocht met de internationale debatten als had gekund. Het belangrijke artikel van Maarten Prak over de langetermijngeschiedenis van milities vanuit politiek, cultureel, en militair opzicht ontbreekt, en ook recent onderzoek voor Frankrijk door Justine Firnhaber-Baker biedt goede aanknopingspunten voor vergelijkingen met samenlevingen die veel sterker en vroeger door staatsvorming en elitevorming zijn gekleurd dan Friesland.1 Dit is jammer, juist omdat de inleiding al een reeks interessante vergelijkingen aanreikt met wat voor stadsmilities van andere delen van de Nederlanden bekend is. Ook de relevante studies voor Engeland passeren daar de revue. De conclusie is in dat opzicht wat minder spannend, omdat die beperkt blijft tot een zelfstandige discussie van de betekenis van de bestudeerde milities en veldslagen voor Friesland zelf. Het is een gewettigde keuze in wat een fraai boek blijft, maar hopelijk werkt de auteur die comparatieve insteek nog verder uit in eventueel Engelstalige artikels. De resultaten van dit onderzoek verdienen ook de aandacht van een internationaal leespubliek.