De middeleeuwse monnik Nicolaas Clopper mag wel blij zijn met zoveel aandacht voor zijn Wereldkroniek. En wij zijn dat ook met deze in vele opzichten prachtuitgave. Willem Erven heeft een voortreffelijke prestatie geleverd met zijn editie én met zijn vertaling van gedeelten van de Wereldkroniek, en uiteenlopende wetenschappers hebben aan de inleiding bijgedragen, naast de redacteuren: Ingrid van Neer-Bruggink, Jan Burgers, Jan Brouwers, David Hardy, Jan Melssen en Michiel Verweij. Het boek heeft een prachtige vormgeving. Felicitaties zijn dus op hun plaats aan de bezorger, degenen die de rijk geïllustreerde uitgave mogelijk hebben gemaakt en de beide uitgevers.

Het is wat je noemt een joint venture geworden. Zelden zal er in een boek zoveel aandacht zijn geweest voor de mensen en instanties die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van een boek: aparte hoofdstukken over de Bibliotheek van het Augustijns Instituut (en haar voorganger in Mariënhage), het Huygens Instituut voor Nederlandse geschiedenis, de Rotaryclub Eindhoven-Soeterbeek en de tekstbezorger Willem Erven, maar ook korte biografieën (met foto) van alle leden van de Rotaryclub Eindhoven-Soeterbeek 2010-2018 die het ‘service project’ financieel mogelijk maakten. Zo delen zij in de roem, wat vroeger met opdrachtbrieven werd bereikt. Naast de genoemde hoofdstukken zijn er bijdragen over het hertogdom Brabant, het kloosterleven, Eindhoven, Mariënhage, de auteur Nicolaas Clopper en zijn kroniek, de boekproductie in Mariënhage en het uitgeven van middeleeuwse kronieken (het laatste hoofdstuk onder ‘Historische achtergrond’, wat enigszins wringt). Op een bijgeleverde usb-stick vinden we een editie/transcriptie van het Florarium temporum, een facsimile van het Duisburgse handschrift ervan en van het Münchense handschrift, en een editie van Origo et progressus canonicorum regularium Hagae Marianae prope Eijndhoviam. Kortom, alles wat een mens zou wensen rond dit boek, behalve een volledige vertaling, maar het is begrijpelijk dat die deze uitgave te boven zou gaan. De uitgave is daarmee tevens een geschiedenis geworden van Mariënhage, Eindhoven en Brabant.

Het Florarium temporum (Bloemhof der tijden) werd geschreven tussen 1464 en 1472 door de augustijner monnik Nicolaas Clopper, in het klooster Mariënhage in Eindhoven. Dit klooster had zich aangesloten bij Windesheim en de Moderne Devotie. De middeleeuwse stad Eindhoven behoorde destijds bij het hertogdom Brabant, een welvarend deel van het Bourgondische rijk. Het Florarium is een wereldkroniek vanuit Brabants perspectief. Clopper, zoon van een gelijknamige priester die het bracht tot ‘groot-kanunnik’ van het kapittel van de St-Goedelekerk in Brussel, was, vóór 1433, geboren in Heidelberg en stierf in 1478, waarschijnlijk in het klooster Mariënhage. Clopper jr studeerde artes aan de Universiteit van Leuven en in of na 1569 werd hij priester in het klooster Mariënhage. Wellicht ging hij daarheen omdat hij de toenmalige abt tijdens zijn studie in Leuven ontmoet had. In Eindhoven schreef hij zijn kroniek.

Het Florarium temporum was niet de eerste en niet de enige ‘wereldkroniek’, want er zijn er vanaf de tiende eeuw tot in de renaissance in Europa rond de driehonderd geschreven. In Nederland is de oudste die van de heraut Beieren uit de veertiende eeuw; een bekende Duitse is Hartmann Schedels Liber chronicarum (1493), ofwel de Neurenbergse wereldkroniek. Meestal lieten christelijke auteurs hun kroniek beginnen bij de schepping, was deze gebaseerd op oudere geschriften en verrijkt met eigen observaties. Uiteraard werd de geschiedenis in christelijk perspectief gezet, omdat men geloofde dat de hand van God er in te zien was. Het Florarium bevat ook zo’n geschiedenis, vanaf de schepping tot en met de verwoesting van de stad Luik in 1568 door Karel de Stoute. De gebeurtenissen en verhalen die Clopper opnam, zijn gericht op Brabant en worden door hem vaak kritisch benaderd. Het Florarium bestaat, zoals gezegd, in twee handschriften, omdat het in 1483 en misschien de jaren ervoor werd gekopieerd. Het origineel bevindt zich nu in Duisburg, de kopie in München.

Het voorwoord maakt duidelijk wat Clopper als doel van het Florarium presenteerde, in de nauwkeurige vertaling van Erven: ‘Geschiedenisboeken heb ik altijd intensief bestudeerd en vol interesse gelezen. (…) En toch ben ik er nooit een tegenkomen waarmee ik volledig tevreden was. Ik ben erachter gekomen dat veel schrijvers met name de geschiedenis van de Romeinen behandelen, of van het koninkrijk van de Assyriërs – zo’n beetje het eerste volk waar een geschiedenis van is geschreven – maar beginnend bij de stichting van de stad Rome, respectievelijk bij koning Ninus, niet bij het begin van de wereld. (…) Maar ik heb geen schrijver kunnen vinden die de geschiedenis tot aan onze tijd heeft uiteengezet in één enkel geschiedwerk of kroniek, dat mij, of ook maar iemand, voldoende kon informeren over de bekendste koninkrijken, provincies, heerschappijen en kerkvorsten’ (177).

Cloppers interesse is niet louter historisch: ‘Tegelijk vroeg ik mij af welke periodes van welvaart de wereld bij tijd en wijle heeft gekend en met welke giften God zich heeft verwaardigd om ons en onze voorouders te begunstigen. Ik wilde immers de geschiedenissen en daden van onze verschillende voorouders kennen, in de hoop te midden van dit alles een bijzonder staaltje deugd te vinden dat ik zou kunnen opslaan in de schatkist van mijn hart om mij te helpen om voorzichtiger te zijn in voorspoed, lijdzamer [paciencior, liever: meer volhardend, JB] in tegenspoed, omzichtiger in mijn handelen, een beter en heiliger mensen door dat na te volgen’ (177).

Het boek is tevens een compendium: ‘Om te zorgen dat het lezen hiervan niet al teveel tijd kost (…) heb ik, zoals gezegd, besloten om een korte en heldere compilatie van geschiedenisboeken en kronieken te geven, met vermijding van verbale opsmuk ter wille van de begrijpelijkheid’ (179).

Daarna volgt (181) een lange lijst van de bronnen die Clopper heeft geraadpleegd. Dat zijn werk zeer religieus, zo niet theologisch bepaald is, kan ook uit de indeling worden opgemaakt: ‘Verder kan dit boek in twee hoofddelen worden onderverdeeld, vergelijkbaar met de onderdelen van de canon van de Bijbel: een deel correspondeert met de geschiedenis van het Oude Testament, het andere met het Nieuwe Testament’ (183). Cloppers indeling is dus naar de Bijbel, en niet naar de in de theologie gebruikelijke driedeling – of vierdeling – van de tijd van de schepping tot de menswording van Christus, de tijd van Christus op aarde tot zijn dood en opstanding, of tot zijn hemelvaart, en de tijd daarna.

Ook al gebruikte Clopper oudere bronnen, hij voegde er eigen gedeelten aan toe. Zo baseerde hij zijn beschrijving van de vijfde scheppingsdag (de creatie van vissen en vogels) op de Postilla super Genesim van Nicolaus Lyranus, maar geeft bij de schepping van de walvis – toen nog een vis – de volgende beschrijving: ‘Een zeeman die vaak op zee vaart, zei me eens dat hij ooit drie walvissen heeft gezien. Een ervan werd gevangen en uit zijn hoofd werd zeker twaalf aam [een inhoudsmaat van vloeistoffen, ca 150 liter per aam] aan vet of bloed geperst. En de ingang van zijn mond was zo ruim dat een man op een strijdros er makkelijk zou kunnen binnenrijden’ (193).

Uit de geschiedenis van Brabant, de slag bij Woeringen in 1288: ‘Hertog Jan [van Brabant] verliet zijn legerkamp zonder vrees en trok op naar het slagveld. Hij spoorde zijn strijdmakkers en getrouwen vol vuur aan. Hij wees erop dat zij een rechtvaardige reden hadden om oorlog te voeren (…). Aangespoord door deze woorden verdeelden zij zich in drie divisies. En eensgezind en één van geest stortten zij zich op de vijand, zoals hongerige leeuwen op runderstallen afstormen. Geschreeuw steeg op ten hemel, een verwoed gevecht barstte los (…). In Germanië is zelden of nooit in één gevecht zoveel bloed van edellieden vergoten’ (215).

Dit geeft een globale indruk van het werk. Uiteraard is het werk te omvangrijk (344 folia) om het in een mensenleven volledig te ontsluiten, al is de editie van de Latijnse tekst al een razend knappe prestatie. Aan de vertaalde passages zijn opmerkingen over Cloppers bronnen toegevoegd. Maar om het werk op zijn merites te kunnen schatten, was het nuttig geweest die bronnen nauwkeurig aan te geven. Wellicht dat dit nog een toekomstig project kan zijn. Die uitgave van de Wereldkroniek zou dan niet meer op papier gepresenteerd hoeven te worden, maar digitaal, op een usb-stick of, nog liever, op het wereldwijde web. Dat daarvoor – zeer verheugend – al plannen zijn, ontvouwt Jan Burgers in zijn hoofdstuk over het Huygens Instituut. Dan zou het Florarium gepresenteerd kunnen worden als het centrum van een ander wereldwijd web, dat van het werk en zijn bronnen, en kunnen we de vraag stellen: hoe kon een Mariënhaagse monnik zoveel bronnen raadplegen? Waren die allemaal aanwezig in de bibliotheek? Hoe kwamen ze daar dan? Enzovoort. Natuurlijk, in Mariënhage werden boeken geproduceerd (Verweij, 128-129), al dan niet op commerciële basis en in aansluiting bij de beweging van Windesheim. Er moet dus een bibliotheek geweest zijn. Maar zo groot? Of had Clopper boeken van of via zijn vader? Zo zou zo’n studie de plaats van Mariënhage in het middeleeuwse intellectuele kloosternetwerk kunnen blootleggen en een bouwsteen voor een transnationale geschiedenis van de late middeleeuwen kunnen vormen. Classicus Willem Erven kon zijn monnikenwerk aan het Florarium in Mariënhage zelf voltooien. Nu is de bibliotheek naar de Universiteit Tilburg verhuisd, en het vertaal- en servicecentrum naar een kleiner augustijner klooster in Utrecht. Laten we hopen dat dergelijke projecten ook in de nieuwe constellatie mogelijk blijven. Zodat duidelijk blijft hoezeer de Nederlandse cultuur ingebed is in die van omringende landen en er wederzijdse receptie plaatsvond.