In het herdenkingsjaar 2018 verscheen een stroom aan gelegenheidspublicaties over de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). De hier gerecenseerde collectie essays van Simon Groenveld behoort zonder twijfel tot deze categorie. Oud-promovendi van de Leidse hoogleraar emeritus namen het initiatief voor deze verzamelbundel: ze boden hun Doktorvater de gelegenheid een tiental artikelen te actualiseren en/of te vertalen, aangezien die in verspreide slagorde waren opgenomen in Nederlands-, Engels- en Duitstalige publicaties. Twee artikelen in deze bundel verschijnen voor het eerst in gedrukte vorm.

Het boek start met een welgekomen reflectie over de Tachtigjarige Oorlog zelf, begeleid door een beschouwing over de benaming van dat langdurige conflict. Groenveld vertelt waarom de term ‘Nederlandse Opstand’ gebruikelijker werd door de internationalisering van de historiografie: het onvoorspelbare karakter van een burger- en godsdienstoorlog komt in het opstandsverhaal beter uit de verf. Vanuit ‘Noord-Nederlandse invalshoek’ (11) kiest hij er toch voor om de ‘oude benaming’ te hanteren, maar dan met een ruimere datering (1559-1652).

In het eerste hoofdstuk legt Groenveld uit waarom hij de Tachtigjarige oorlog als een ‘progressieve revolutie’ beschouwt: geleidelijk aan konden de oude statenvergaderingen zich omvormen tot performante bestuurlijke statencolleges die de Republiek mede vorm gaven. In het zevende hoofdstuk concentreert hij zich op het scharniermoment van het Plakkaat van Verlatinge in 1581 en op de internationale discussies over de erkenning van de Republiek der Verenigde Provinciën tussen 1588 en 1609. Het elfde hoofdstuk behandelt de interne factie- en belangenstrijd in de Republiek voor en na haar officiële erkenning met het Verdrag van Münster in 1648. In het laatste hoofdstuk onderzoekt Groenveld ten slotte de transitie van dit vredesverdrag tot de Eerste Engelse Oorlog, en het nieuwe internationale spanningsveld ter zee.

Hoewel het leeuwendeel van de hoofdstukken zich richt op de statenvergaderingen, is er veel aandacht voor de telgen uit het geslacht Oranje-Nassau. In het tiende hoofdstuk nemen we kennis van geheime papieren uit 1646 die nieuwe inzichten opleveren over een mogelijkse Antwerpse veldtocht van stadhouder Frederik Hendrik. Eerder zagen we in het negende hoofdstuk diens zoon prins Willem II tijdens zijn militaire vorming triomferen in een hinderlaag bij Brasschaat in 1643. Bij nader onderzoek door Groenveld blijkt evenwel dat de rol van de prins in werkelijkheid uiterst beperkt was, hoewel hij door tijdgenoten en medestanders uitvoerig werd geroemd. Er is ook aandacht voor aristocratie en lagere adel, zoals in het tweede hoofdstuk over de graaf van Horn en in het vierde over het geslacht Duvenvoirde/Wassenaer.

De collectie artikelen is misschien nog op haar best wanneer een hele reeks grensgebieden de revue passeren. In een niet eerder gepubliceerd hoofdstuk over de dood van Sir Philip Sidney in 1586 bij Zutphen, blijkt hoe de Engelse inmenging in het conflict leidde tot onverwachte kampwissels in volle burgeroorlog. Het hoofdstuk over Breda, ‘een notabele frontiere’, laat zien hoe de regentenklasse met steeds wisselende veranderende grenzen en machtsoverdrachten probeerde om te gaan. De erftwisten tussen 1592 en 1614 in de oostelijke grensgebieden Gulik-Kleef en de Habsburgse en Republikeinse inmenging hadden onmiddellijke repercussies voor het Twaalfjarig Bestand (vermeldenswaard is dat het artikel hier aanzienlijk meer ruimte toebedeeld kreeg dan in de oorspronkelijke Duitse versie). Ook in de eerder vermelde hoofdstukken over Brasschaat en Antwerpen komt de inzet van het frontier- en buffergebied rondom de ‘Hollandse tuin’ meermaals aan bod.

Ieder hoofdstuk getuigt van Groenvelds grote eruditie en bronnenkennis en van zijn wil om interpretaties uit de tijd zelf in een bredere context te plaatsen. Gezien de expertise van de auteur gebeurt dit vooral door middel van inzichten uit de politieke en militaire geschiedenis, met af en toe een excursus naar de sociale en religieuze geschiedenis. De ‘actualisering’ is vooral in de voetnoten gebeurd, zonder dat het meest recente debat in het tekstcorpus aan bod komt. Zo worden in deze bundel weliswaar belangrijke kleurschakeringen toegevoegd aan de vele ‘facetten’ van de Tachtigjarige Oorlog, maar geen nieuwe baanbrekende inzichten geleverd over dit cruciale conflict uit de vroegmoderne periode. Zo nodigt het boek vooral uit om te grasduinen in gekende en minder gekende episodes uit de Tachtigjarige Oorlog, waarmee de missie van dit boek geslaagd kan worden genoemd.