‘Terwijl Europa grootscheeps ijzer smeedde / en massa’s stampte onder marsmuziek / lagen de lage landen nog terzijde [...] Waren wij achter toen de eeuw begon?’, zo vroeg Max Dendermonde zich in 1961 dichterlijk af. Het idee van industriële achterstand is sterk tegenwoordig in de historiografie over het Nederland van de negentiende en twintigste eeuw. De comparatieve voordelen van de vaderlandsche economie zou vooral in de landbouw en de internationale handel schuilen – de industrie kwam in Nederland laat en stroef op gang. Historici hebben intussen het industriële gehalte van de nationale identiteit weer wat opgepoetst met de hulp van bedrijfshistorici, die de ontwikkelingsgang van industriële kolossen als de Hoogovens optekenden. Het inmiddels gedateerde, maar belangrijke werk van Herman de Liagre Böhl et. al., Nederland industrialiseert! (1981) wijst op de psychologische effecten van de dekolonisatie die een gevoel van verlies teweeg bracht dat gecompenseerd moest worden met industrialisering. Hoe het ook zij, beelden van onze economische geschiedenis hebben niet altijd een vlak dekkende geldigheid. Op sommige plaatsen in Nederland ontwikkelde de industrie zich wel degelijk vroeg en krachtig. Daarom is het toe te juichen dat er vorig jaar een boek ter dikte van een schuimlaag bier over machinebouwer Stork is verschenen. Bij Stork is een jubileumstuk dat het honderdvijftigjarige bestaan van de onderneming moest opluisteren. Daarom is het logisch dat het boek zich concentreert op de productielocatie Hengelo, hoewel Stork ook elders vestigingen had.

Bij Stork heeft geen wetenschappelijke pretenties en het is daarom niet fair het als zodanig te beoordelen. Overigens is dat maar goed ook, want vooral wat de eerste honderd jaar van de bedrijfsgeschiedenis betreft stijgen de auteurs niet boven eerder verschenen jubileumboeken van het bedrijf uit. Bovendien is er in het boek geen voetnoot te vinden; hier schiet de uitgeverij door in het streven naar laagdrempelige boeken. Als publieksboek is Bij Stork vooral geslaagd dankzij de prachtige foto’s (helaas zonder adequate bijschriften). De illustraties roepen de machtige wereld van stoommachines, huizenhoge dieselmotoren, compressoren, kolossale pompen en naar olie geurende fabriekshallen daadwerkelijk op. De belangrijkste informatie wordt voortdurend herhaald, wat vermoedelijk een bijeffect is van parallel werkende auteurs. Daardoor leest Bij Stork als een documentaire van de televisiezender Discovery, waarin de cruciale informatie ook voortdurend wordt herhaald. Ergerlijk is dat echter niet. Op deze wijze blijven de cruciale transformaties van het bedrijf goed hangen.

Na het eerste hoofdstuk (over de familie Stork) volgt een hoofdstuk over ruwweg de eerste honderd jaar van het bedrijf. Een belangrijke periode, die met ongeveer tweehonderd pagina’s de helft van het boek beslaat. Na een opstartperiode in Borne, waar Charles Theodurus Stork (1822-1895) samenwerkte met een lokale smid, volgde in 1868 een verhuizing van het bedrijf naar Hengelo. De stoommachines die in de fabriek werden gemaakt, kunnen als een spin-off van de zich langzaam automatiserende textielnijverheid in Twente worden beschouwd. Relatief laat, maar zeer succesvol, begon het bedrijf zich in de jaren 1930 toe te leggen op dieselmotoren. Deze tak loodste het bedrijf door de moeilijke crisisjaren heen. De auteurs bieden een (al te?) vriendelijk oordeel over Storks productie voor het Duitse leger in de Tweede Wereldoorlog: het bedrijf kon niet anders en zou obstructie hebben gepleegd daar waar mogelijk...

Een volgende mijlpaal was de fusie met de Amsterdamse machinefabriek Werkspoor in 1954. Het fusiebedrijf Verenigde Machinefabrieken (vmf) dat zo tot stand kwam, markeerde het begin van grootscheepse reorganisaties die het karakter van Stork fundamenteel zouden veranderen. Hoewel de merknaam behouden bleef, verbrokkelden de bedrijfsactiviteiten in diverse productgroepen. Hengelo kon daardoor niet langer gezien worden als de verticaal geïntegreerde productielocatie van weleer. De verbrokkeling was totaal toen de in de jaren zeventig gestichte werkmaatschappijen gesaneerd en gedeeltelijk werden verkocht vanaf het einde van dat decennium. In sociaaleconomisch en politiek opzicht was het een interessante periode, waarvan de sfeer treffend wordt verwoord: ‘Bij de meeste werkmaatschappijen was er van tijd tot tijd sprake van werktijdverkorting, dreigend ontslag, reorganisatie, onzekerheid, inkrimping, werkonderbreking en vakbondsacties’ (391). Bij Stork eindigt niettemin positief met de etikettering van Stork als een ‘toekomstbestendige speler’ binnen het Amerikaanse conglemeraat Fluor, dat in 2015 het personeel en de resterende kapitaalgoederen gedeeltelijk overnam.

Langs deze rode draad worden twee hoofdstukken van elk ongeveer vijftig bladzijden geweven, waarin aandacht is voor de sociale geschiedenis van het bedrijf. Hier gaat het over de zorgsystemen en de sportverenigingen, over onderwijs en scholing. Daarin schuilt een interessant stuk geschiedenis dat om vervolgonderzoek vraagt. Was het vroege Stork daadwerkelijk een toonbeeld van samenwerking tussen arbeid en kapitaal, zoals de auteurs stellen? Een ander perspectief voor vervolgonderzoek waartoe dit boek uitnodigt, is de proto-industrialisering. Vond in regio’s als Twente de Industriële Revolutie veel vroeger plaats dan in de rest van Nederland en werd die revolutie, zoals in de ons omringende landen is aangetoond, niet veroorzaakt door de invoering van proto-industrie, in dit geval de textielindustrie? Stork leent zich voorts prachtig voor nader onderzoek naar het falende industriebeleid van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Wanneer werden de subsidies, die ook rijkelijk vloeiden naar het Twentse Stork, als illegitiem beschouwd en in hoeverre was er sprake van de-industrialisatie? Welke onderdelen van de industriële erfenis hebben zich kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden, en wat is er nog over van onze Industriële Revolutie? Het mooie publieksboek Bij Stork stelt deze vragen niet, en geeft geen antwoorden, maar biedt wel inspiratie aan toekomstige onderzoekers die het beeld van Nederland’s industriële verleden willen aanscherpen.