De West-Europese universiteit veranderde in de afgelopen halve eeuw sterk van karakter. Terwijl het publieke oog vooral was gericht op het zichtbare spektakel van schaalvergroting en bestuurlijke hervormingen, verschoof bijna ongemerkt ook de maatschappelijke functie van de instelling. Opleiding en vorming van jonge mensen, ooit de voornaamste taken van de universiteit, verwerden steeds meer tot afgeleide van een nieuwe hoofdtaak: de verrichting van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. De universiteit veranderde van vormingsinstituut naar onderzoeksinstelling, die daarnaast ook onderwijs biedt.

Deze ontwikkeling is van relatief recente datum. Beoefenaars van de universiteitsgeschiedenis in de Lage Landen hebben nog weinig kans gezien om deze verschuiving vol in beeld te brengen. Studies naar individuele instellingen gaan op het verschijnsel in, maar plaatsen het niet centraal in de aandacht. Daarom is het belangrijk dat Liesbet Nys, onderzoekster aan de KU Leuven, de taak op zich heeft genomen het onderzoeksbeleid van deze universiteit historisch te beschrijven. Ook zij beperkt zich tot een individuele instelling. En, als zo vaak in de universiteitsgeschiedenis, ook hier betreft het een jubileumuitgave. De Dienst Onderzoekscoördinatie (DOC) van de KU Leuven bestaat namelijk dertig jaar. Maar de zeggingskracht van deze studie reikt verder dan dat, omdat de Leuvense universiteit een treffend voorbeeld is van een instelling die er bewust voor koos in de eerste plaats een onderzoeksinstelling te zijn.

In 1968 leidde een felle taalstrijd in België tot de uittocht van de Franstalige wetenschappers uit Leuven. Nederlandstalig onderzoek had in de Belgische wetenschap tot dan toe een achtergestelde positie gehad. Om te voorkomen dat de nu Vlaamse instelling ‘tot een universiteit van het Hageland zou verschrompelen’ (13), zette de KU Leuven direct in op krachtige ontwikkeling van het universitaire onderzoek in Vlaanderen in het algemeen en in Leuven in het bijzonder. Er kwam een bureau dat onderzoekers hielp financiering te werven, een raad die intern gelden verdeelde (met de nodige spanningen van dien) en er werden zeer korte lijnen met de regering in Brussel onderhouden. Bij dit alles trad het universitaire bestuur sterk regisserend op. Het legde de universiteit geen windeieren. De KU Leuven speelde het spel van rankings en competitie om onderzoeksgelden geraffineerd mee, en toonde zich een succesvol lobbyist in de overheidsburelen. In de tussentijd kreeg de Vlaamse overheid meer bevoegdheden van de federale staat overgeheveld, en pompte zij steeds meer geld in onderzoeksprogramma’s aan Vlaamse universiteiten. Leuven groeide uit tot een van de meest vooraanstaande onderzoeksuniversiteiten van Europa. Nys laat zien dat nieuwe processen van professionalisering, internationalisering en een toename van competitie- en verantwoordingssystemen onderdelen waren van een bewuste strategie om de internationale wetenschappelijke top te bereiken. Een universiteit die niet achterop wilde geraken, moest inzetten op het beste onderzoek, boven al haar andere maatschappelijke taken. Deze strategie maakte de KU Leuven een koploper in een koers die geleidelijk alle universiteiten in de Lage Landen moesten inslaan.

Met De kracht van wetenschap toont Nys van binnenuit ook de strijd en de weerstanden die met dit proces gepaard gingen. Zo werden alle wetenschappelijke disciplines onder druk gezet om steeds meer te publiceren, en wel artikelen in gerenommeerde Engelstalige tijdschriften. Bibliometrische systemen die publicaties telden en wogen, gingen bepalen wie goed onderzoek deed en wie achterbleef. De geesteswetenschappers verzetten zich hiertegen, omdat zij minder dan voorheen kans zagen om een goed boek te schrijven. Interessant is ook Nys’ vaststelling dat de publicatiecultuur van vakgebieden als de bouw- en werktuigkunde onder invloed van de bibliometrie veranderde. Ooit werden bij deze vakgebieden de conference proceedings gebruikt om kennis te delen; nu zochten onderzoekers een plek in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften (63). Nys geeft meer sprekende voorbeelden van een wetenschappelijke cultuur die veranderde onder druk van beleid. Mooi is het beeld dat ze schetst van de weerstand en aanpassing die een reactie waren op de centrale regie binnen de universiteit.

Nu volgen twee kritische noten. Nys gaat in haar boek nauwelijks in gesprek met andere literatuur. Ze stelt dat er geen andere historische studies zijn naar onderzoeksbeleid van wetenschappelijke instellingen (15). Dat is waar, maar er bestaat wel literatuur waarin internationale patronen worden verkend, zoals Walter Rüeggs History of the University in Europe (2004). Ook over de moeizame relatie tussen wetenschappelijk onderzoek en bestuur is in meer algemene zin al eerder geschreven, zoals in Towards a New Model of Governance for Universities van Dietmar Braun en François-Xavier Merrien uit 1999. Juist voor een boek met zo’n brede zeggingskracht als De kracht van wetenschap is deze context van belang.

Een tweede kritische noot past bij dit boek, zoals bij veel andere beleidsgeschiedenissen: geregeld neemt het de vorm aan van een grijze stoet van commissies, rapporten, programma’s en regelementen. De kracht van wetenschap dompelt de lezer soms onder in een wereld van bureaucratie en beleidstaal. Nys heeft de behoefte om compleet en volledig te zijn. Dat is goed te begrijpen, omdat zoveel van haar hoofdrolspelers nog actief zijn en met haar meekijken. Maar de vele details kunnen de lezer soms gaan duizelen. Gelukkig wijzen twee volle pagina’s de lezer de weg met een overzicht van bijna honderd door Nys gebruikte afkortingen.

Voor alles verdient het boek echter waardering. Het loopt vooruit in het streven om ook de recente veranderingen in de wetenschap en de universiteit in geschiedschrijving te vatten. Dat is beslist niet makkelijk, maar wel belangrijk. Het eeuwenoude instituut heeft juist de laatste decennia een ander gezicht gekregen, en om grip op ‘het bedrijf’ te kunnen krijgen is historisch begrip van deze verandering cruciaal. Juist dat biedt De kracht van wetenschap. Bijvoorbeeld met dit citaat van de Leuvense rector: ‘Een halve eeuw geleden kon men een gerespecteerd academicus zijn zonder ooit belangrijke onderzoeksresultaten voor te kunnen leggen. Dat is fundamenteel anders geworden. De belangrijkste reden waarom een moderne universiteit bestaat, is ongetwijfeld het wetenschappelijk onderzoek’ (230).