‘Waar het op aankomt is de mensen tot nadenken te zetten, dus niet hun met eigen meningen om de oren te slaan.’ Bij zijn afscheid als columnist in april 2012 vertelde Jerôme Heldring (1917-2013) dat hij zijn rubriek ‘Dezer dagen’ had geschreven ‘niet om de lezer te bekeren, maar om hem ten dienste te zijn’. Hij citeerde de Belgische historicus Henri Pirenne: ‘L’essentiel est de faire réfléchir.’ ‘Dezer Dagen’ verscheen vanaf januari 1960, eerst in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en later in NRC Handelsblad; aanvankelijk drie keer, vanaf de eeuwwisseling eens per week. In totaal waren het ruim 4400 afleveringen, waarin Heldring vooral de internationale betrekkingen analyseerde en de rol van Nederland in het bijzonder. Maar hij schreef ook over taal, religie, conservatisme en de Nederlandse nationale identiteit.

In zijn biografie van Heldring doet Hugo Arlman, oud-redacteur van Vrij Nederland, geen poging om de invloed van ‘Dezer dagen’ vast te stellen, maar laat hij wel zien hoe gezaghebbend de columns waren. ‘Een artikel van Heldring was duidelijk een onderwerp van gesprek op Buitenlandse Zaken. Kritiek van hem overdacht je’, zo citeert hij oud-minister Max van der Stoel. Ook diens voorganger Joseph Luns – wiens pogingen in 1960-1962 om Nieuw-Guinea voor Nederland te behouden, scherpe kritiek van Heldring hadden ontmoet – prees de onafhankelijke commentator in 1982: ‘Het is juist dat Heldring over sommige problemen andere opvattingen had dan ik, maar dat is zijn goed recht. Wat de Nieuw-Guinea-kwestie betreft heb ik naar aanleiding van Heldrings meningen me wel eens afgevraagd of ik het juiste beleid heb gevoerd.’

De eeuw van J.L. Heldring is chronologisch opgebouwd. Het eerste deel (‘Vormende jaren 1917-1945’) behandelt Heldrings jeugd in een Amsterdamse patriciërsfamilie en zijn studietijd in Leiden. Het tweede deel gaat over het begin van Heldrings journalistieke carrière en de jaren 1949-1953 waarin hij werkte als voorlichter en later als directeur van het Nederlands Informatiebureau in New York. Deel drie (‘Dezer dagen 1960-1982’) behandelt niet alleen het ontstaan in 1960 van Heldrings column (die dus ruim een halve eeuw lang zou verschijnen), maar ook Heldrings werkzaamheden als adjunct-hoofdredacteur en hoofdredacteur van de NRC en – na de fusie in 1970 met het Algemeen Handelsblad – van NRC Handelsblad, en vanaf 1972 als directeur van het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken, een voorloper van het Instituut Clingendael. Deel vier beslaat de ruim dertig jaar die Heldring na zijn pensionering in 1982 doorbracht als ‘vrije columnist’.

Arlman beschikte over mooie bronnen. Heldring – een fervent brievenschrijver – liet een uitgebreid archief na. Een ‘cruciale bijdrage aan de biografie’ leverden ook de op band opgenomen gesprekken die Heldring in 2009-2011 over zijn leven voerde met een familielid. Aan de hand van dit materiaal schetst de biograaf een boeiend portret van het persoonlijke leven en de intellectuele ontwikkeling van zijn hoofdpersoon. Heldring was een koele, afstandelijke analyticus die ook passioneel kon zijn; een einzelgänger die ook charmant, belangstellend en trouw was. Verrassend is het relaas over Heldrings intellectuele zoektocht tijdens de Bezetting. Zijn schoonvader omschreef hem als ‘een stuurloos zoekende ziel’. Intensief hield Heldring zich bezig met filosofie en religie. ‘Ik heb de oorlog wel gevolgd, maar ik heb mij er niet actief mee bezighouden,’ zou hij later zeggen. Mooi is ook de beschrijving van Heldrings kille relatie met zijn vader. Arlman laat ook zien dat de reder, bankier en politicus Ernst Heldring niet alleen afstandelijk en autoritair was, maar ook ‘een zeer toegewijde vader’ die op cruciale momenten in het leven van zijn zoon goede ideeën had. Dankzij zijn bemiddeling kon Jerôme Heldring in de zomer van 1945 aan de slag op de buitenlandredactie van de NRC. Hier was hij in zijn element. Als bij toverslag waren de twijfels over de zin van het bestaan verdwenen.

De eeuw van J.L. Heldring gaat vooral over de rubriek ‘Dezer dagen’ en de onderwerpen die hierin aan de orde kwamen. De internationale politiek speelt dan ook een belangrijke rol in dit boek: de dekolonisatie, de Koude Oorlog, de Atlantische en Europese samenwerking. Heldrings uitgangspunt bij zijn analyses was dat het gedrag van landen vooral werd bepaald door hun eigen belangen en hun machtspolitieke overwegingen, en niet door ideologie. Tekenend voor Heldrings analytisch vermogen en intellectuele lenigheid was dat hij in 1989 als een van de eersten zag hoe fundamenteel de verhoudingen in de wereld zouden veranderen, inclusief een Duitse hereniging. Op 14 november 1989 – nog geen week na de val van de Muur – schreef hij: ‘Wanneer beide Duitse landen herenigd zullen zijn, weten we niet, maar het Duitse volk is al herenigd. Donderdagavond hebben we op de televisie gezien hoe honderdduizenden Oost-Duitsers door West-Duitsers in de armen werden gesloten.’

Arlman kreeg gaandeweg het schrijven van de biografie grote bewondering voor Heldrings ‘intellectuele kwaliteiten, voor zijn enorme werklust, voor zijn protestantse strengheid om zich aan zijn eigen normen te houden en voor zijn eerlijkheid en openheid bij het bekennen van ongelijk’. Toch laat hij zich ook kritisch over Heldring uit. Regelmatig wijst hij op inconsequenties of op momenten waarop Heldrings politieke partis pris – de absolute noodzaak van Atlantische samenwerking of de onmogelijkheid van politieke samenwerking van de Europese landen – diens betoog in de weg stonden.

Arlman verstaat de kunst van de beperking. Hij heeft geen uitputtend onderzoek gedaan. Zo lijkt hij zelfs niet alle publicaties over Heldring en zijn werkomgeving, bijvoorbeeld over het Nederlands Informatiebureau, te hebben geraadpleegd. En voor de woelige jaren als hoofdredacteur bouwt de auteur vooral op Pien van der Hoevens dissertatie Het succes van een kwaliteitskrant. De ontstaansgeschiedenis van NRC Handelsblad. Toch weet Arlman steeds een mooi beeld van het optreden van de gebiografeerde te geven. In 1970 schreef Heldring de redactionele uitgangspunten van NRC Handelsblad. Die ‘beginselen’ (die overigens nog steeds worden gehanteerd) waren een uitwerking van het adagium Comment is free, facts are sacred. ‘Het waren heldringiaanse beginselen,’ vat Arlman mooi samen, ‘liberaal in zijn kijk op de wereld, ondogmatisch, rationalistisch, met oog voor eigen en andermans menselijk falen.’

Heldring was niet iemand van grote vergezichten en nieuwe concepten. ‘Waar ik wel een beetje spijt van heb,’ zei hij in 1998, ‘is dat ik er nooit toegekomen ben het magnum opus te schrijven dat alle gebeurtenissen van de afgelopen vijftig jaar samenvat en verklaart in het licht van één conceptie.’ Die conceptie had Heldring ook niet kunnen bedenken, concludeert Arlman terecht. Tegelijk laat zijn vlot leesbare biografie echter ook zien waarom, voor wie de internationale politiek vanaf de jaren 1960 bestudeert, Heldrings beschouwingen nog steeds informatief en verrassend zijn.